Выбрать главу

‘Helaas,’ zei Théoden. ‘Dan heeft Denethor geen bericht gehad dat wij zijn uitgereden en zal wanhopen over onze komst.’

Nood duldt geen oponthoud, maar toch is laat beter dan nooit,’ zei Éomer. ‘En misschien zal het oude gezegde deze keer meer waar blijken dan ooit, sinds mensen een mond kregen om mee te spreken.’

Het was nacht. Aan beide kanten van de weg reed het leger van Rohan stil voort. Nu draaide de weg die langs de uitlopers van de Mindolluin liep naar het zuiden. In de verte en bijna recht voor hen uit was een rode gloed onder de zwarte hemel en de flanken van de grote berg tekenden zich er zwart tegen af. Zij naderden de Rammas van de Pelennor; maar de dag was nog niet aangebroken.

De koning reed te midden van de voorste compagnie, omringd door zijn lijfwacht. Elfhelms éored kwam daarachter; en nu merkte Merijn op dat Dernhelm zijn plaats had verlaten en in de duisternis steeds verder naar voren kwam totdat hij ten slotte vlak achter de lijfwacht van de koning reed. Er kwam enig oponthoud. Voor zich hoorde Merijn zacht stemmen spreken. Voorrijders die zich tot bijna vlak bij de muur hadden gewaagd, waren teruggekeerd. Zij kwamen naar de koning.

‘Er zijn grote branden, Heer,’ zei de een. ‘De hele Stad staat in vuur en vlam, en het veld is vol vijanden. Maar allen schijnen voor de aanval te worden ingezet. Voor zover wij konden schatten, zijn er weinig op de buitenmuur overgebleven, en zij letten nergens op, druk bezig met hun vernielingswerk.’

‘Herinnert u zich de woorden van de Wilde Man, Heer?’ vroeg een ander. ‘Ik woon op het open Wold in dagen van vrede; Wídfara is mijn naam en mij brengt de lucht ook boodschappen. De wind is al aan het draaien. Er komt een zuchtje uit het zuiden; hij bevat een geur van de zee, hoe flauw ook. De ochtend zal nieuwe dingen brengen. Boven de stank zal de dageraad aanbreken wanneer u de muur passeert.’

‘Als je de waarheid spreekt, Wídfara, moge je tot in lengte van gezegende jaren voortleven,’ zei Théoden. Hij richtte zich tot de mannen van zijn lijfwacht, die ook in de buurt waren, en sprak nu met heldere stem zodat ook veel ruiters van de eerste éored hem hoorden.

‘Nu is het uur aangebroken, Ruiters van de Mark, zonen van Eorl!

Vóór u zijn vijanden en vuur, en uw woningen zijn ver achter u. Maar hoewel jullie op een vreemd slagveld zullen vechten, zal de glorie die jullie er zullen oogsten jullie voor eeuwig toebehoren. Eden hebt u gezworen; vervul ze nu alle, voor heer en land en vriendschapsverbond!’

De mannen sloegen met de speren op de schilden.

‘Éomer, mijn zoon! Jij leidt de eerste éored,’ zei Théoden, ‘en die zal zich achter de banier van de koning in het midden scharen. Elfhelm, laat je compagnie naar rechts afzwenken wanneer we de muur voorbijgaan. En Grimbold zal de zijne naar links leiden. Laat de andere compagnieën achter deze drie voorste aangaan als zij de kans ertoe krijgen. Val aan op alle punten waar de vijand zich verzamelt. We kunnen geen andere plannen maken, want we weten nog niet hoe de zaken er op het veld voor staan. Vooruit nu, en vrees geen duisternis!’

De voorste compagnie reed weg zo snel als zij kon, want het was nog steeds heel donker, welke verandering Wídfara ook mocht voorspellen. Merijn reed achter op het paard van Dernhelm en hield zich met de linkerhand vast, terwijl hij met de andere hand het zwaard uit de schede probeerde te halen. Hij voelde nu dat er een bittere waarheid in de woorden van de oude koning school; wat zou jij doen in zo’n slag, Meriadoc ? Eenvoudig dit, dacht hij, me aan een ruiter vastklampen en hopen dat ik in het zadel blijf en niet door galopperende hoeven word verpletterd.

Het was niet verder dan drie mijl naar de plaats waar de buitenste muren hadden gestaan. Weldra bereikten zij deze; te vlug naar Merijns zin. Wilde kreten barstten los en er was enig wapengekletter, maar het duurde slechts kort. De orks die bij de muren in de weer waren, waren slechts weinig in getal en verbijsterd, en zij werden snel gedood of verdreven. Voor de ruïne van de noordelijke poort in de Rammas hield de koning opnieuw halt. De eerste éored kwam achter hem en rondom hem tot staan. Dernhelm bleef dicht bij de koning, hoewel de compagnie van Elfhelm rechts was opgesteld. Grimbolds mannen zwenkten af en reden naar een grote bres in de muur verder naar het oosten.

Merijn gluurde vanachter Dernhelms rug. In de verte, misschien dertig mijl of meer, woedde een grote brand, maar tussen de brand en de Ruiters in laaiden lijnen van vuur in een enorme halvemaan, op het dichtstbijzijnde punt op nog geen drie mijl afstand. Hij kon weinig meer op de donkere vlakte onderscheiden, en nog steeds zag hij geen hoop op ochtendgloren, en ook voelde hij geen wind, gedraaid of niet.

Nu reed het leger van Rohan stil voorwaarts op het veld van Gondor, langzaam maar gestadig naar binnen stromend, als de vloed door de gaten in een dijk die mensen veilig hadden gewaand. Maar de gedachten en wil van de Zwarte Kapitein waren helemaal op de ondergaande stad gericht, en nog steeds kreeg hij geen berichten die erop wezen dat er iets met zijn plannen was misgegaan.

Na enige tijd leidde de koning zijn manschappen een eindje naar het oosten om tussen de vuren van de belegering en de buitenste velden te komen. Nog altijd werden zij niet aangevallen en nog altijd gaf Théoden geen teken. Ten slotte hield hij weer halt. De Stad was nu dichterbij. Er hing een brandgeur in de lucht en een schaduw van de dood. De paarden waren onrustig. Maar de koning zat op Sneeuwmaan bewegingloos naar de doodsstrijd van Minas Tirith te kijken, alsof hij plotseling door angst of pijn was overvallen. Hij scheen ineen te schrompelen, bang voor zijn ouderdom. Merijn zelf voelde zich alsof er een grote zwaarte van afschuw en twijfel op hem drukte. Zijn hart klopte langzaam. De tijd scheen in onzekerheid te zweven. Ze waren te laat! Te laat was erger dan nooit! Misschien zou Théoden versagen, het oude hoofd buigen, zich omdraaien en wegkruipen om zich in de heuvels te verschuilen.

Toen plotseling voelde Merijn het eindelijk, zonder enige twijfeclass="underline" een verandering. Wind woei in zijn gezicht! Er schitterde licht. Ver, heel ver weg in het zuiden waren vaag de wolken te zien als verre grijze vormen die aan kwamen drijven; daarachter lag de ochtend.

Maar op datzelfde ogenblik was er een flits, alsof bliksem uit de aarde onder de Stad omhoog was gesprongen. Eén verzengende seconde lang stond hij verblindend ver weg in zwart en wit, de bovenste toren als een glinsterende naald; en toen terwijl de duisternis opnieuw neerdaalde, kwam er een enorme donderklap over de velden rollen. Bij dat geluid sprong de gebogen gestalte van de Koning plotseling rechtovereind. Groot en trots scheen hij weer; rechtop in de stijgbeugels staande riep hij met luide stem, helderder dan iemand daar ooit een sterveling had horen roepen:

Stijg op, stijg op, Ruiters van Théoden! Woeste daden komen; vuur en slachting! speer zal trillen, schild versplinteren, een zwaard-dag, een rode dag, eer de zon opgaat! Rijd nu, rijd nu! Rijd naar Gondor!

Hierop pakte hij een grote hoorn van Guthláf, zijn vaandrig, en gaf er zo’n stoot op, dat hij in stukken barstte. En meteen werden alle hoorns in het leger tegelijk gestoken, en het schallen van de hoorns van Rohan op dat uur was als een storm op de vlakt e en een onweer in de bergen.

Rijd nu, rijd nu! Rijd naar Gondor!

Plotseling riep de koning iets tegen Sneeuwmaan en het paard schoot weg. Achter hem wapperde zijn banier in de wind, wit paard op een veld van groen, maar hij liet die achter zich. Achter hem aan denderden de ridders van zijn huis, maar hij bleef hun de hele tijd voor. Éomer reed daar, de witte paardenstaart op zijn helm wapperend in de wind, en de voorhoede van de eerste éored bulderde als een grote golf die schuimend naar het strand toe rolt, maar Théoden was niet in te halen. Ten dode gedoemd scheen hij, of de strijdwoede van zijn voorvaderen stroomde als nieuw vuur door zijn aderen, en hij werd door Sneeuwmaan gedragen als een god van weleer, als Oromë de Grote in de slag van de Valar toen de wereld jong was. Zijn gouden schild was onbedekt, en zie, het straalde als een beeltenis van de zon, en het gras vlamde groen op om de witte voeten van zijn ros. Want de ochtend kwam, de ochtend en een wind vanuit zee; en de duisternis trok op en de legers van Mordor jammerden en werden door angst overvallen, en zij vluchtten en stierven en de hoeven van toorn reden over hen heen. En toen barstte het hele leger van Rohan in zingen uit, en zij zongen terwijl zij doodden, want de vreugde van de strijd had hen aangegrepen, en het geluid van hun gezang, dat mooi en tegelijkertijd verschrikkelijk was, drong zelfs tot de Stad door.