VI. De slag van de velden van de Pelennor
Maar het was geen orkopperhoofd of struikrover die de aanval op Gondor leidde. De duisternis begaf het te vlug, vóór de datum die zijn Meester ervoor had vastgesteld: het geluk had hem voor het moment in de steek gelaten en de wereld had zich tegen hem gekeerd; de overwinning ontglipte hem op hetzelfde ogenblik dat hij zijn hand ernaar uitstrekte. Maar zijn arm was lang. Hij voerde nog steeds het bevel, en bezat grote macht. Als Koning, Ringgeest, Heer van de Nazgûl, beschikte hij over vele wapenen. Hij verliet de Poort en verdween.
Théoden, de Koning van de Mark, had de weg bereikt die van de Poort naar de Rivier liep, en hij keerde zich naar de stad die nu nog geen drie mijl ver was. Hij vertraagde zijn snelheid een weinig, op zoek naar nieuwe vijanden, en zijn ridders kwamen om hem heen staan, en Dernhelm was een van hen. Voor hen uit, dichter bij de muren, bevonden Elfhelms manschappen zich te midden van de belegeringswerktuigen, hakten erop los en doodden en dreven hun vijanden in de vuurkuilen. Bijna de hele noordelijke helft van de Pelennor was onder de voet gelopen, en kampen stonden in brand, orks vluchtten naar de Rivier als kudden voor de jagers; en de Rohirrim gingen her en der waar zij wilden.
Maar zij hadden het beleg nog niet opgebroken, of de Poort veroverd. Deze werd nog door vele vijanden belegerd en op de andere helft van de vlakte waren andere legers die nog niet waren aangevallen. In het zuiden, achter de weg, lag de hoofdmacht van de Haradrim en daar waren hun Ruiters om de standaard van hun hoofdman verzameld. En hij keek om zich heen, en in het wassende licht zag hij de banier van de koning, en dat die de slag ver vooruit was met heel weinig mensen eromheen. Toen werd hij van een rode woede vervuld en schreeuwde luid en toen hij zijn standaard, zwarte slang op scharlaken, ontplooide, kwam hij met een grote legerschare tegenover het witte paard op het groene veld; en toen de Zuiderlingen hun kromzwaarden trokken was dit als geschitter van sterren.
Toen werd Théoden hem gewaar, en wilde niet wachten tot hij aanviel, maar riep iets tegen Sneeuwmaan en reed recht op hem af. Luid was het gekletter toen zij op elkaar inreden. Maar de witte furie van de Noordmannen brandde des te heter en hun bittere ridderschap was behendiger met lange speren. Zij waren geringer in getal, maar zij kliefden door de Zuiderlingen als een vuurschicht door een bos. Recht door het dichtste strijdgewoel joeg Théoden, Thengels zoon, en zijn speer trilde toen hij hun hoofdman neersloeg. Zijn zwaard kwam flitsend tevoorschijn en hij reed snel naar de standaard toe, hieuw op het vaandel en de vaandrig in en de zwarte slang zakte ineen. Toen vluchtte de rest van hun ruiterij die niet gedood was.
Maar zie! Plotseling te midden van de glorie van de koning werd zijn gouden schild van zijn glans beroofd. De nieuwe ochtend werd uit de hemel gewist. Duisternis viel rondom hen. Paarden steigerden en schreeuwden. Mannen die uit het zadel waren geworpen, lagen op de grond te kronkelen.
‘Naar mij! Naar mij!’ riep Théoden uit. ‘Op, Eorlingas! Vrees de duisternis niet!’ Maar Sneeuwmaan, die wild van angst was, verhief zich op de achterbenen, sloeg met de voorbenen in de lucht en viel toen met een luide gil op zijn zijde: een zwarte pijl had hem doorboord. De koning viel onder hem.
De grote schaduw zeilde naar omlaag als een vallende wolk. En zie, het was een gevleugeld schepseclass="underline" zo het een vogel was, dan was het groter dan alle andere vogels, en het was naakt en droeg pen noch veer, en zijn enorme vleugels waren als leerachtige vliezen tussen hoornachtige vingers, en hij stonk. Misschien was het een creatuur uit een oudere wereld, wiens soort, nog toevend in vergeten bergen koud onder de Maan, zijn tijd had overleefd en daar in een afzichtelijk arendsnest dit laatste ontijdige kroost uitbroedde, belust op kwaad. En de Zwarte Vorst nam het tot zich en kweekte het op met wild vlees tot het groter was dan alle andere dingen die vliegen: en hij gaf het aan zijn dienaar om hem als ros te dienen. Lager en lager kwam het en toen, zijn gevingerde vliezen openvouwend, slaakte het een krassende kreet en liet zich neer op het lichaam van Sneeuwmaan, zijn klauwen in het vlees slaand en zijn lange kale hals vooroverbuigend.
Daarop zat een gedaante in een zwarte mantel, enorm groot en dreigend. Een stalen kroon droeg hij, maar tussen de rand ervan en de mantel was niets anders te zien dan een dodelijke glans van ogen: de Heer van de Nazgûl. Hij was naar de lucht teruggekeerd, zijn ros roepend voor de duisternis verdween, en nu was hij teruggekomen om verderf te zaaien, hoop met wanhoop te mengen, en overwinning in dood te veranderen. Een grote zwarte staf droeg hij. Maar Théoden was niet helemaal verlaten. De ridders van zijn huis lagen gesneuveld rondom hem of waren, overmeesterd door de waanzin van hun paarden, ver weg gedragen. Maar een was er die nog standhield: de jonge Dernhelm, wiens trouw groter was dan zijn angst, en hij huilde, want hij had van zijn vorst gehouden als van een vader. Tijdens de charge had Merijn onverlet achter hem op het paard gezeten, totdat de Schaduw kwam; toen had Windfola hen in zijn angst afgeworpen, en rende nu wild over de vlakte. Merijn kroop op handen en voeten als een versuft beest, en zo’n grote angst had hem overvallen, dat hij verblind was en misselijk.
‘Koningsdienaar! Koningsdienaar!’ riep zijn hart in hem. ‘Je moet bij hem blijven. Als een vader zult u voor mij zijn, zei je.’ Maar zijn wil reageerde niet en zijn lichaam beefde. Hij durfde zijn ogen niet te openen of omhoog te kijken.
Uit de zwartheid in zijn geest dacht hij toen dat hij Dernhelm hoorde spreken; maar de stem scheen nu vreemd en deed hem denken aan een andere stem die hij had gekend.
‘Ga weg, smerige Dwimorlaik, heer van krengen! Laat de doden met rust.’
Een koude stem antwoordde: ‘Kom niet tussen de Nazgûl en zijn prooi! Of hij zal je op zijn beurt doden. Hij zal je wegdragen naar de huizen van jammer, voorbij alle duisternis, waar het vlees zal worden verslonden en je verschrompelde geest naakt voor het Oog zonder Lid zal komen te staan.’
Er kletterde een zwaard dat getrokken werd. ‘Doe wat je wilt, maar ik zal het verhinderen, als ik kan.’
‘Verhinderen, mij? Jij dwaas. Geen levende man zal mij weerstreven!’
Toen hoorde Merijn het vreemdste geluid in dat uur. Het scheen dat Dernhelm lachte, en de heldere stem klonk als het geluid van rinkelend staal. ‘Maar ik ben geen levende man. Je ziet hier een vrouw! Éowyn ben ik, Éomunds dochter. Jij staat tussen mij en mijn heer en verwanten. Ga weg als je niet onsterfelijk bent! Want levend of donker ondood, ik zal je vernietigen als je hem aanraakt.’ Het gevleugelde creatuur schreeuwde tegen haar, maar de Ringgeest gaf geen antwoord en zweeg, alsof hij in plotselinge twijfel verkeerde. Verbazing overwon een ogenblik Merijns angst. Hij opende de ogen en de zwartheid verdween. Daar, enkele passen van hem af, zat het grote beest en alles eromheen scheen donker en daarboven doemde de Nazgûl-heer als een schaduw van wanhoop op. Iets verder links, tegenover hen, stond zij die hij Dernhelm had genoemd. Maar de helm die haar geheim had verborgen, was van haar afgevallen en haar blonde haar, dat los hing, glansde lichtblond op haar schouders. Haar ogen, grijs als de zee, waren hard en wreed, maar toch waren er tranen op haar wangen. Zij hield een zwaard in de hand en hief haar schild afwerend op tegen de verschrikking van de ogen van haar vijand.