Выбрать главу

Éowyn was het, maar ook Dernhelm. Want de herinnering aan het gezicht dat hij bij het vertrek uit Dunharg had gezien, flitste weer in zijn herinnering: het gezicht van iemand die de dood zoekt, en geen hoop heeft. Medelijden vervulde zijn hart, en een grote verbazing, maar plotseling ontwaakte de langzaam ontvlammende moed van zijn geslacht. Hij balde de vuist. Zij mocht niet sterven, zo mooi, zo wanhopig. In ieder geval mocht ze niet alleen sterven, zonder hulp.

Het gezicht van hun vijand was niet naar hem toe gekeerd, maar toch durfde hij zich nauwelijks te bewegen, vrezend dat de dodelijke ogen op hem gericht zouden worden. Langzaam, heel langzaam, begon hij opzij te kruipen; maar de Zwarte Aanvoerder, die in twijfel verkeerde en zijn boze bedoelingen op de vrouw voor hem had gericht, schonk niet meer aandacht aan hem dan aan een worm in de modder.

Plotseling wiekte het grote beest met zijn afzichtelijke vleugels en de wind ervan stonk. Weer sprong het de lucht in en liet zich toen snel op Éowyn neervallen, krijsend, met klauw en snavel toeslaand. Maar nog steeds deinsde zij niet terug: maagd van de Rohirrim, kind van koningen; slank, maar als een stalen kling; mooi, maar niettemin verschrikkelijk. Een snelle slag bracht zij toe, bedreven en dodelijk. De uitgestrekte hals hakte zij doormidden, en de afgehouwen kop viel als een steen. Zij sprong achteruit toen de enorme gedaante neerstortte, de enorme vleugels uitgespreid, op de aarde knakkend, en met zijn val verdween ook de schaduw. Een licht viel om haar heen, en haar haar glansde in de zonsopgang.

Uit de vernietiging rees de Zwarte Ruiter op, groot en dreigend, boven haar uittorenend. Met een kreet van haat, die de oren als gif doorboorde, liet hij zijn staf neerkomen. Haar schild werd in vele stukken uiteengeslagen, en haar arm werd gebroken; zij viel wankelend op haar knieën. Hij boog zich over haar heen als een wolk, en zijn ogen glinsterden; hij hief zijn staf op om te doden.

Maar plotseling wankelde ook hij naar voren met een kreet van bittere pijn, en zijn slag miste zijn doel en drong in de grond. Merijns zwaard had hem van achteren gestoken, door de zwarte mantel heen; het was onder de maliënkolder naar boven gedrongen en had de zenuw achter zijn machtige knie doorgesneden.

‘Éowyn! Éowyn!’ riep Merijn uit. Toen, wankelend, met moeite opstaand, dreef zij met haar laatste kracht het zwaard tussen de kroon en de mantel toen de grote schouders voor haar bogen. Het zwaard brak fonkelend in vele stukken. De kroon rolde rinkelen d opzij. Éowyn viel voorover op haar gesneuvelde vijand. Maar de mantel en de maliënkolder waren leeg. Vormloos lagen zij nu op de grond, gescheurd en verfomfaaid; en een kreet steeg op in de zinderende lucht en verstierf tot een schrille jammerklacht die op de wind werd meegevoerd, een stem zonder lichaam, ijl, die stierf en werd opgeslokt, en nooit meer werd gehoord in die era van de wereld.

En daar stond Meriadoc de hobbit te midden van de gevallenen, knipperend als een uil in het daglicht, want tranen verblindden hem; en door een mist keek hij neer op Éowyns mooie hoofd zoals zij daar lag, onbeweeglijk; en hij keek naar het gezicht van de koning, gevallen te midden van zijn glorie. Want Sneeuwmaan was in zijn doodsstrijd weer van hem weggerold; toch was hij de ondergang van zijn meester.

Toen bukte Merijn zich en pakte de hand om die te kussen, en zie, Théoden opende zijn ogen en ze waren helder, en hij sprak op een rustige toon, hoewel het hem grote moeite kostte.

‘Vaarwel, meester Holbytla!’ zei hij. ‘Mijn lichaam is gebroken. Ik ga naar mijn voorvaderen. En ook in hun machtige gezelschap zal ik nu niet beschaamd zijn. Ik heb de zwarte slang geveld. Een wrede ochtend, en een blijde dag en een gouden zonsondergang!’

Merijn kon geen woord uitbrengen, maar begon opnieuw te huilen. ‘Vergeef mij, heer,’ zei hij ten slotte, ‘dat ik uw bevel niet heb opgevolgd, en toch niet meer heb gedaan in uw dienst dan huilen bij ons afscheid.’

De oude koning glimlachte. ‘Heb geen verdriet! Het is je vergeven. Grote moed zal niet worden miskend. Leef nu gezegend; en wanneer je vredig je pijp zit te roken, denk dan aan mij! Want nu zal ik nooit meer met je in Meduseld zitten, zoals ik beloofde, of naar je kruidkunde luisteren.’ Hij sloot de ogen en Merijn boog het hoofd. Weldra sprak hij weer. ‘Waar is Éomer? Want het wordt donker voor mijn ogen, en ik zou hem willen zien voor ik heenga. Hij moet mij als koning opvolgen. En ik zou een boodschap aan Éowyn willen geven. Zij, zij zou niet willen dat ik haar verliet, en nu zal ik haar niet weerzien, die mij liever is dan een dochter.’

‘Heer, heer,’ zei Merijn ontredderd, ‘zij is –’ Maar op dat ogenblik barstte er een groot lawaai los, en overal om hen heen schalden hoorns en trompetten. Merijn keek rond; hij was de oorlog en de hele wereld vergeten, en het scheen vele uren geleden sinds de koning zijn ondergang tegemoet was gereden, hoewel het in werkelijkheid slechts kortgeleden was. Maar nu zag hij dat zij gevaar liepen betrokken te worden bij de grote slag die spoedig zou worden geleverd.

Verse strijdkrachten van de vijand spoedden zich van de Rivier langs de weg; en vanonder de muren kwamen de legioenen van Morgul; en uit de zuidelijke velden kwamen voetknechten uit Harad met ruiters voor hen, en achter hen verrezen de enorme ruggen van de mûmakil met oorlogstorens erop. Maar in het noorden leidde het witte wapen van Éomer het brede front van de Rohirrim die zich opnieuw hadden verzameld en gegroepeerd, en uit de Stad kwamen alle beschikbare strijdkrachten die er waren, en de zilveren zwaan van Dol Amroth werd in de voorhoede meegevoerd, en verdreef de vijand van de Poort.

Een ogenblik schoot de gedachte door Merijns geest: Waar is Gandalf? Is hij niet hier? Had hij de koning en Éowyn niet kunnen redden? Maar toen kwam Éomer haastig aanrijden en achter hem volgden de ridders van de hofhouding die nog in leven waren en hun paarden nu weer de baas waren. Zij keken met verbazing naar het kadaver van het woeste beest dat daar lag; en hun paarden weigerden er dicht bij te gaan. Maar Éomer sprong uit het zadel, en smart en ontzetting overvielen hem toen hij naar de zijde van de koning ging en daar zwijgend bleef staan.

Toen nam een van de ridders de banier van de koning uit de handen van Guthláf, de vaandrig, die dood neerlag, en hief haar omhoog. Langzaam opende Théoden zijn ogen. Toen hij het vaandel zag, beduidde hij dat het aan Éomer moest worden gegeven.

‘Heil, Koning van de Mark!’ zei hij. ‘Rijd nu naar de overwinning! Zeg Éowyn vaarwel van mij!’ En zo stierf hij, en hij wist niet dat Éowyn naast hem lag. En zij die erbij waren, huilden en riepen uit:

‘Théoden Koning! Théoden Koning!’

Maar Éomer zei tegen hen:

Rouw niet te zeer! Machtig was de gevallene, mooi was zijn einde. Als zijn heuvel wordt opgericht zullen vrouwen wenen. Oorlog roept ons nu!

Maar hij huilde zelf terwijl hij dit zei. ‘Laat zijn ridders hier blijven,’ zei hij, ‘en zijn lichaam met eer van het veld dragen opdat de strijd er niet over woedt! Ja, en ook alle andere manschappen van de koning die hier liggen.’ En hij keek naar de ge sneuvelden, zich hun namen herinnerend. Toen, plotseling, zag hij zijn zuster Éowyn zoals zij daar lag en hij herkende haar. Hij stond een ogenblik als een man die, terwijl hij een kreet slaakt, een pijl door het hart krijgt; en toen werd zijn gezicht doodsbleek en een koude woede steeg in hem op, zodat hij een ogenblik niets kon zeggen. Een dreigende stemming kwam over hem. ‘Éowyn, Éowyn!’ riep hij ten slotte. ‘Éowyn, hoe kom jij hier? Welke dwaasheid of duivelskunst is dit? Dood, dood, dood. Dood, neem ons allen!’

Toen, zonder zich te beraden of te wachten op de komst van de mannen uit de Stad, reed hij spoorslags terug naar het front van het grote leger en blies op een hoorn en riep het bevel om aan te vallen. Over het veld schalde zijn heldere stem, die riep: ‘Dood! Rijd! Rijd naar de vernietiging en het einde van de wereld!’