Выбрать главу

En hierop zette het leger zich in beweging. Maar de Rohirrim zongen niet meer. Dood riepen zij als één man, luid en verschrikkelijk, en steeds sneller, als een groot getij, woedde de slag rondom hun gesneuvelde koning en trok voorbij, naar het zuiden daverend.

En nog altijd stond Merijn de hobbit daar door zijn tranen te knipperen, en niemand sprak tegen hem of scheen enige aandacht aan hem te schenken. Hij veegde zijn tranen af, en bukte zich om het groene schild op te rapen dat Éowyn hem gegeven had, en hij hing het op zijn rug. Toen zocht hij zijn zwaard, dat hij had laten vallen; want terwijl hij zijn klap had uitgedeeld, was zijn arm gevoelloos geworden, en nu kon hij alleen zijn linkerhand gebruiken. En zie, daar lag zijn wapen, maar het staal rookte als een droge tak die in het vuur was gegooid; en terwijl hij ernaar keek, kronkelde en verschrompelde het en was verteerd.

Zo verdween het zwaard van de Grafheuvels, het werkstuk van Westernisse. Maar blij zou hij zijn geweest het lot ervan te kennen die het langgeleden moeizaam in het Noordelijk koninkrijk had gewrocht, toen de Dúnedain jong waren, en de voornaamste van hun vijanden het gevreesde rijk van Angmar en zijn tovenaar-koning was. Geen ander staal, ook niet als machtiger handen het hadden gevoerd, zou de vijand een zo bittere wonde hebben toegebracht, het levende vlees klievend en de betovering verbrekend die zijn onzichtbare pezen aan zijn wil deed gehoorzamen.

Mannen tilden de koning nu op en, nadat zij mantels op speerstokken hadden gelegd, droegen zij hem naar de Stad; en anderen tilden Éowyn voorzichtig op en droegen haar achter hem aan. Maar de mannen van de hofhouding van de koning konden zij nog niet van het slagveld dragen, want zeven ridders van de koning waren daar gesneuveld en Déorwine, hun aanvoerder, was er een van. Dus legden zij hen terzijde van hun vijanden en het woeste beest en zetten speren om hen heen. En later, toen alles voorbij was, kwamen de mannen terug en maakten daar een vuur, en verbrandden het karkas van het beest, maar voor Sneeuwmaan groeven zij een graf en plaatsten er een steen op waarop in de taal van Gondor en de Mark stond gebeiteld:

Trouwe dienaar, toch zijn Meesters verderf, Lichtvoets veulen, snelle Sneeuwmaan.

Groen en lang groeide het gras op Sneeuwmaans terp, maar de grond op de plaats waar het ondier werd verbrand bleef altijd kaal en zwart.

Nu liep Merijn langzaam en droevig naast de dragers, en hij schonk geen aandacht meer aan de slag. Hij was moe en had overal pijn, en zijn ledematen beefden alsof hij koorts had. Een zware regen kwam vanuit zee, en het scheen dat alle dingen om Théoden en Éowyn weenden, de vuren in de Stad met grijze tranen blussend. Door een mist zag hij weldra de voorhoede van de mannen van Gondor naderen. Imrahil, de Prins van Dol Amroth, reed voorop en hield vlak voor hen zijn paard in.

‘Welke last dragen jullie daar, mannen van Rohan?’ vroeg hij.

‘Koning Théoden,’ antwoordden zij. ‘Hij is dood. Maar Koning Éomer rijdt nu in de slag: hij daar met de witte pluim in de wind.’

Toen steeg de prins van zijn paard, en knielde bij de baar om eer te bewijzen aan de koning en zijn grote aanval; en hij huilde. En toen hij opstond keek hij neer op Éowyn en verbaasde zich. ‘Maar dit is toch een vrouw?’ zei hij. ‘Zijn zelfs de vrouwen van de Rohirrim ten strijde getrokken in onze nood?’

‘Nee, één slechts,’ antwoordden zij. ‘Het is Vrouwe Éowyn, de zuster van Éomer; en wij wisten tot op dit uur niets van haar aanwezigheid af, en betreuren dat ten zeerste.’

Toen de prins haar schoonheid zag, ook al was haar gezicht bleek en koud, raakte hij haar hand aan toen hij zich verder vooroverboog om haar beter te kunnen zien. ‘Mannen van Rohan,’ riep hij uit. ‘Hebben jullie geen heelmeesters bij je? Zij is gewond, dodelijk misschien, maar ik denk dat zij nog leeft.’ En hij hield de glanzend gepolijste voorarmscheen die hij aan de arm droeg voor haar koude lippen en zie, deze werd door een dunne mist, bijna onzichtbaar, beslagen.

‘Spoed is nu vereist,’ zei hij, en hij stuurde vlug iemand naar de Stad terug om hulp te halen. Maar hijzelf nam, na een diepe buiging voor de gevallenen te hebben gemaakt, afscheid van hen, steeg op en reed naar de strijd.

En nu laaide het gevecht fel op op de velden van de Pelennor, en het wapengeweld klonk luid, met het geschreeuw van mensen en het gehinnik van paarden. Hoorns werden gestoken en trompetten schetterden en de mûmakil trompetterden toen zij naar de oorlog werden geleid. Aan de voet van de zuidelijke muren van de Stad lanceerden de voetknechten van Gondor nu een aanval op de legioenen van Morgul, die daar nog in aanzienlijke sterkte waren verzameld. Maar de ruiters reden oostwaarts, Éomer te hulp: Húrin de Grote, Bewaarder van de Sleutels, en de Heer van Lossarnach en Hirluin van de Groene Heuvels, en de knappe Prins Imrahil door al zijn ridders omringd.

Hun hulp aan de Rohirrim kwam niet te vlug; want het fortuin had zich tegen Éomer gekeerd, en zijn furie had hem parten gespeeld. De grote toorn van zijn aanval had het front van zijn vijanden volkomen omvergeworpen, en zijn Ruiters hadden grote wiggen in de rijen Zuiderlingen gedreven, hun ruiters in verwarring brengend en hun voetknechten te pletter rijdend. Maar waar de mûmakil kwamen, weigerden de paarden te gaan; ze weken terug en zwenkten opzij; en de grote monsters werden niet aangevallen en stonden als verdedigingstorens, en de Haradrim zwermden eromheen. En waar de Rohirrim bij hun bestorming alleen al door een drie keer sterkere strijdmacht van Haradrim werden aangevallen, werd hun zaak spoedig nog erger; want verse strijdkrachten kwamen nu uit Osgiliath het slagveld op stromen. Zij waren daar samengetrokken voor de plundering van de Stad en de schending van Gondor, wachtend op het bevel van hun aanvoerder. Hij was nu vernietigd: maar Gothmog, de gouverneur van Morgul, had hen in het heetst van de strijd geworpen: Oosterlingen met bijlen en Variags uit Khand, Zuiderlingen in het scharlaken, en uit het Verre Harad zwarte mannen als half-trollen met witte ogen en rode tongen. Sommigen kwamen nu achter de Rohirrim aangesneld, anderen reden naar het westen om de strijdkrachten van Gondor af te leiden en te beletten zich bij die van Rohan te voegen.

Maar op hetzelfde ogenblik dat de overwinning Gondor scheen te ontgaan en hun hoop wankelde, werd er een nieuwe roep in de Stad aangeheven, want de ochtend was toen half om en er woei een straffe wind, de regen vlood naar het noorden en de zon scheen. In die heldere lucht zagen de wachters op de muren een nieuw angstwekkend schouwspel, en de laatste hoop ontviel hun. Want de Anduin stroomde vanaf de bocht bij de Harlond zodanig dat men haar van de Stad uit in de lengte enkele mijlen kon overzien, en de verzienden konden elk schip zien dat naderde. En toen zij daarheen keken, slaakten zij een kreet van ontsteltenis, want zwart afgetekend tegen de glinsterende stroom zagen zij een vloot die voor de wind kwam aanzeilen: galeien, en schepen met grote diepgang met vele riemen, en met zwarte zeilen die bolden in de bries.

‘De Kapers van Umbar!’ riep men. ‘De Kapers van Umbar! Kijk! De Kapers van Umbar komen eraan! Dus Belfalas is ingenomen en de Ethir, en Lebennin is gevallen. De Kapers vallen ons aan. Het is de laatste slag van het noodlot!’

En sommigen renden zonder bevel – want er was niemand in de Stad om hen te commanderen – naar de klokken en luidden ze in alarm: en anderen staken de trompetten om de aftocht te blazen. ‘Terug naar de muren!’ riepen ze. ‘Terug naar de muren! Kom terug naar de Stad voor iedereen is overrompeld!’

Maar de wind die de schepen voortjoeg deed hun geroep verloren gaan.

De Rohirrim hadden geen nieuws of alarm nodig. Maar al te goed konden zij zelf de zwarte zeilen zien. Want Éomer stond nu nauwelijks drie mijl van de Harlond, en een grote troep van zijn eerste vijanden bevond zich tussen hem en de haven daar, terwijl nieuwe vijanden van achteren kwamen wervelen die hem van de Prins afsneden. Nu keek hij naar de Rivier, en de hoop stierf in zijn hart, en de wind die hij had gezegend vervloekte hij nu grondig. Maar de legers van Gondor vatten moed, en vervuld van nieuwe begeerte en woede kwamen zij schreeuwend ten aanval gestormd.