Выбрать главу

‘Gandalf, Gandalf!’ riep Pepijn en Schaduwvacht bleef staan.

‘Wat doe jij hier?’ vroeg Gandalf. ‘Is het niet een wet van deze Stad dat zij die het zwart en zilver dragen in de Citadel moeten blijven, tenzij hun Heer hun permissie geeft?’

‘Dat heeft hij gedaan,’ zei Pepijn. ‘Hij heeft me weggestuurd. Maar ik ben bang. Er staat daar misschien iets vreselijks te gebeuren. De Heer is waanzinnig, denk ik. Ik vrees dat hij zichzelf zal doden, en Faramir ook. Kun je niet iets doen?’

Gandalf keek door de gapende Poort, en op de velden hoorde hij al het aangroeiende geluid van strijd. Hij balde zijn vuist. ‘Ik moet gaan,’ zei hij. ‘De Zwarte Ruiter is in de buurt en hij zal verderf over ons brengen. Ik heb geen tijd.’

‘Maar Faramir!’ riep Pepijn uit. ‘Hij is niet dood, en ze zullen hem levend verbranden als iemand hen niet tegenhoudt!’

‘Hem levend verbranden?’ vroeg Gandalf. ‘Wat is dat voor verhaal? Vlug!’

‘Denethor is naar de Huizen van de Doden gegaan,’ zei Pepijn, ‘en hij heeft Faramir meegenomen, en hij zegt dat wij ze allemaal moeten verbranden, en hij wil niet wachten, en ze moeten een brandstapel maken en hem erop verbranden, en Faramir ook. En hij heeft mensen erop uitgestuurd om hout en olie te halen. En ik heb het aan Beregond verteld, maar ik ben bang dat hij zijn post niet durft te verlaten: hij staat op wacht. En wat kan hij dan nog uitrichten?’ Zo gooide Pepijn zijn verhaal eruit, terwijl hij zijn armen uitstrekte en Gandalfs knieën met bevende handen beroerde. ‘Kun jij Faramir niet redden?’

‘Misschien wel,’ zei Gandalf, ‘maar als ik het doe, dan zullen anderen sterven, vrees ik. Welnu, ik moet gaan, aangezien geen andere hulp hem kan bereiken. Maar hier zullen ellende en verdriet van komen. Zelfs in het hart van onze vesting heeft de Vijand de macht om ons te treffen: want het is zijn wil die aan het werk is.’

Toen hij zijn besluit eenmaal genomen had, handelde hij snel; en nadat hij Pepijn had opgepakt en voor zich had neergezet, wendde hij Schaduwvacht met een woord. Zij reden kletterend de hellende straten van Minas Tirith door, terwijl het oorlogsrumoer achter hen opsteeg. Overal rezen mannen uit hun wanhoop en angst op, pakten hun wapenen en riepen tegen elkaar: ‘Rohan is gekomen!’ Aanvoerders schreeuwden, compagnieën verzamelden zich en velen marcheerden al naar de Poort.

Zij kwamen Prins Imrahil tegen en hij riep hun toe: ‘Waar ga je nu heen, Mithrandir? De Rohirrim vechten op de velden van Gondor! Wij moeten alle kracht verzamelen die wij kunnen vinden.’

‘U zult iedere man nodig hebben, en meer,’ zei Gandalf. ‘Haast u. Ik kom wanneer ik kan. Maar ik heb een boodschap voor Heer Denethor die niet kan wachten. Voer het bevel in afwezigheid van de Heer!’

Zij gingen verder en toen zij klommen en de citadel naderden, voelden zij de wind in hun gezicht waaien, en zagen de schittering van de ochtend in de verte, een licht dat sterker werd aan de zuidelijke hemel. Maar het bracht hun weinig hoop, want ze wisten niet welk kwaad vóór hen lag, en vreesden dat zij te laat zouden komen. ‘De duisternis gaat voorbij,’ zei Gandalf, ‘maar drukt nog zwaar op deze Stad.’

Bij de poort van de Citadel troffen zij geen schildwacht aan. ‘Dan is Beregond weggegaan,’ zei Pepijn, hoopvoller. Zij draaiden zich om en spoedden zich langs de weg naar de Gesloten Deur. Die stond wijd open en de portier lag ervoor. Hij was gedood en zijn Sleutel was van hem afgenomen.

‘Werk van de Vijand!’ zei Gandalf. ‘Hij houdt van dit soort daden: vriend in oorlog met vriend; trouw verdeeld in verwarring van harten.’ Nu steeg hij af en vroeg Schaduwvacht naar zijn stal terug te keren. ‘Want, mijn vriend,’ zei hij, ‘jij en ik hadden langgeleden naar de velden moeten rijden, maar andere zaken houden mij op. Maar kom vlug als ik roep.’

Zij gingen de Deur door en liepen verder de steile, slingerende weg af. Het licht werd sterker, en de hoge zuilen en gebeeldhouwde figuren naast de weg trokken langzaam voorbij als grijze geesten.

Plotseling werd de stilte verbroken, en zij hoorden beneden zich kreten en het gekletter van zwaarden: geluiden als op de gewijde plaatsen niet waren gehoord sinds de Stad was gebouwd. Ten slotte bereikten zij Rath Dínen en haastten zich naar het Huis van de Stadhouders dat in de schemering onder de grote koepel opdoemde.

‘Hou op! Hou op!’ riep Gandalf, terwijl hij naar voren sprong naar de stenen trap voor de deur. ‘Stop met die waanzin.’

Want daar waren de dienaren van Denethor met zwaarden en fakkels in de handen; maar alleen in het portiek op de bovenste trede stond Beregond, gekleed in het zwart en zilver van de Garde; en hij verdedigde de deur tegen hen. Twee waren al door zijn zwaard gevallen, de gewijde plaats met hun bloed bevlekkend, en de anderen vervloekten hem en noemden hem een vogelvrije en verrader van zijn meester.

Op hetzelfde ogenblik dat Pepijn en Gandalf naar voren snelden, hoorden zij binnen in het huis van de doden de stem van Denethor roepen: ‘Vlug. Vlug! Doe wat ik bevolen heb. Dood deze renegaat! Of moet ik het zelf doen?’ Vervolgens werd de deur, die Beregond met zijn linkerhand dichthield, opengewrikt en daar achter hem stond de Heer van de Stad, groot en woest; een vlammend licht scheen in zijn ogen en hij had een getrokken zwaard in de hand. Maar Gandalf sprong de trappen op, en de mannen deinsden voor hem terug en bedekten de ogen, want zijn komst was als de komst van een wit licht op een donkere plaats, en hij kwam met grote toorn. Hij hief zijn hand op, en tegelijkertijd vloog het zwaard van Denethor omhoog, schoot uit zijn hand en kletterde achter hem in de schaduwen van het huis neer; en Denethor stapte achteruit voor Gandalf als iemand die verbijsterd is.

‘Wat is dit, mijn heer?’ vroeg de tovenaar. ‘De woningen van de doden zijn geen plaatsen voor levenden en waarom vechten mannen hier op de gewijde plaatsen als er genoeg oorlog voor de Poort is? Of is onze Vijand zelfs naar Rath Dínen gekomen?’

‘Sinds wanneer is de Heer van Gondor u verantwoording schuldig?’ vroeg Denethor. ‘Of mag ik mijn eigen dienaren niet bevelen?’

‘Dat mag u,’ zei Gandalf. ‘Maar anderen mogen uw wil trotseren wanneer die op waanzin en kwaad is gericht. Waar is uw zoon Faramir?’

‘Hij ligt binnen,’ zei Denethor, ‘brandend, al brandend. Ze hebben een vuur in zijn vlees ontstoken. Maar weldra zal alles verbrand zijn. Het Westen heeft gefaald. Het zal allemaal in een groot vuur opgaan, en aan alles zal een einde komen. As! As en rook, weggewaaid op de wind!’

Toen Gandalf de waanzin zag waarmee hij werd geconfronteerd vreesde hij dat hij al een euvele daad had begaan, en hij drong naar voren met Beregond en Pepijn achter zich aan, terwijl Denethor terugweek tot hij naast de tafel binnen stond. Maar daar zagen zij Faramir, nog ijlend in zijn koorts, op de tafel liggen. Hout was eronder en hoog eromheen opgestapeld, en alles was overgoten met olie, zelfs de kleren van Faramir en de lakens; maar de brandstof was nog niet ontstoken. Toen openbaarde Gandalf de kracht die in hem verborgen lag, terwijl het licht van zijn macht onder zijn grijze mantel verborgen was. Hij sprong op de takkenbossen en terwijl hij de zieke man als een veer optilde, sprong hij er weer af en droeg hem naar de deur. Maar ondertussen kreunde Faramir en riep zijn vader in zijn droom.

Denethor schrok op als iemand die uit een trance ontwaakt en de vlam doofde in zijn ogen, en hij begon te huilen en zei: ‘Neem mijn zoon niet van mij weg! Hij roept om mij.’

‘Hij roept,’ zei Gandalf, ‘maar u kunt nog niet bij hem komen. Want hij moet genezing vinden op de drempel van de dood, en misschien zal hij die niet vinden. Terwijl het uw plicht is om naar de strijd van uw Stad te gaan, waar de dood u misschien wacht. In uw hart weet u dat.’