Выбрать главу

‘Hij zal niet meer wakker worden,’ zei Denethor. ‘Vechten is vergeefs. Waarom zouden wij langer willen leven? Waarom zouden wij niet zij aan zij de dood in gaan?’

‘U hebt niet de bevoegdheid, Stadhouder van Gondor, om het uur van uw dood te bevelen,’ antwoordde Gandalf. ‘En alleen de heidense koningen onder de overheersing van de Zwarte Macht deden dat, de hand aan zichzelf slaand uit trots en wanhoop, hun verwanten vermoordend om hun eigen dood te verlichten.’ Toen ging hij de deur door en nam Faramir met zich mee uit het dodenhuis en legde hem op de baar waarop hij was gebracht, die nu in het portaal was neergezet. Denethor volgde hem en bleef bevend staan, terwijl hij met verlangen naar het gezicht van zijn zoon keek. En terwijl allen stil en roerloos stonden en naar de Heer in zijn verdriet keken, weifelde hij een ogenblik.

‘Kom!’ zei Gandalf. ‘Men heeft ons nodig. U kunt nog veel doen.’

Toen lachte Denethor plotseling. Hij stond weer groot en fier en terwijl hij vlug naar de tafel terugliep, pakte hij het kussen waarop zijn hoofd had gelegen. Toen hij bij de deuropening kwam, trok hij het doek opzij en zie, in zijn handen had hij een palantír. En toen hij die omhooghield, scheen het hun die toekeken toe dat binnen in de bol een licht begon te gloeien, zodat het magere gezicht van de Heer als door een rood vuur werd verlicht, en het scheen uit harde steen gehouwen te zijn, scherp met zwarte schaduwen, nobel, trots en verschrikkelijk. Zijn ogen schitterden.

‘Trots en wanhoop!’ riep hij uit. ‘Dacht je dat de ogen van de Witte Toren blind waren? Nee, ik heb meer gezien dan jij weet, Grijze Dwaas. Want jouw hoop komt slechts uit onwetendheid voort. Ga dan en doe je best om te genezen! Ga dan en vecht! IJdelh eid. Een korte tijd zul je misschien triomferen op het veld, een dag. Maar tegen de Macht die nu opstaat, is geen overwinning mogelijk. Naar deze Stad is tot nu toe alleen de eerste vinger van zijn hand uitgestrekt. Het hele Oosten is in beroering. En zelfs nu bedriegt de wind van je hoop je, en voert een vloot met zwarte zeilen de Anduin op. Het Westen heeft gefaald. Het is tijd voor allen die geen slaven willen zijn om heen te gaan.’

‘Een dergelijke raad zal de overwinning van de Vijand ongetwijfeld waarmaken,’ zei Gandalf.

‘Blijf dan hopen!’ riep Denethor lachend. ‘Ken ik je niet, Mithrandir? Jij hoopt in mijn plaats te regeren, om achter iedere troon te staan, in het noorden, zuiden of westen. Ik heb je gedachten en listen door. Weet ik niet dat jij deze halfling hier hebt bevolen om te zwijgen? Dat je hem hierheen hebt gebracht om mij in mijn eigen vertrek te bespioneren? Maar toch, in onze gesprekken ben ik alle namen en het doel van al je metgezellen te weten gekomen. Zo! Met de linkerhand wilde je mij een tijdje als schild tegen Mordor gebruiken, en met de rechter deze Doler uit het Noorden hierheen brengen om mij te verdringen.

Maar ik zeg je, Mithrandir, ik weiger jouw werktuig te zijn. Ik ben Stadhouder van het Huis van Anárion. Ik zal niet aftreden om de aftandse kamerheer van een omhooggevallen arrivist te zijn. Zelfs al werd mij zijn aanspraak bewezen, hij stamt toch maar van de Tak van Isildur af. Ik zal niet buigen voor zo iemand, de laatste van een haveloos huis, langgeleden van adeldom en waardigheid beroofd.’

‘Wat zou u dan willen,’ vroeg Gandalf, ‘als u uw zin zou kunnen krijgen?’

‘Ik zou willen dat de dingen waren zoals ze mijn hele leven zijn geweest,’ antwoordde Denethor, ‘en in de tijd van mijn voorvaderen: om in vrede Heer van deze Stad te zijn, en mijn zetel na mij te doen overgaan op een zoon, die zijn eigen meester zou zijn en geen tovenaarsleerling. Maar als het lot mij dit ontzegt, wil ik helemaal niets hebben: noch een minder leven, noch gehalveerde liefde of geringere eer.’

‘Het lijkt mij niet dat een Stadhouder die trouw zijn taak overdraagt, minder geliefd of minder geëerd zou zijn,’ zei Gandalf. ‘En in ieder geval zult u uw zoon zijn keus niet ontnemen, terwijl zijn dood nog onzeker is.’

Bij deze woorden schoten Denethors ogen opnieuw vuur, en terwijl hij de Steen onder zijn arm nam, pakte hij een dolk en liep naar de baar. Maar Beregond sprong naar voren en ging voor Faramir staan.

‘Zo!’ riep Denethor uit. ‘Je had de liefde van mijn zoon al half gestolen. Nu ontsteel je mij ook de harten van mijn ridders, zodat zij mij mijn zoon ten slotte helemaal ontnemen. Maar hierin zul je in ieder geval mijn wil niet trotseren: om mijn eigen einde te bepalen. Kom hier!’ riep hij tot zijn dienaren. ‘Kom, als jullie niet allemaal afvalligen zijn!’ Daarop kwamen er twee de trappen op naar hem toe rennen. Snel griste hij een van hen de fakkel uit de hand en sprong het huis weer binnen. Voordat G andalf het hem kon verhinderen, gooide hij de brandende fakkel tussen de brandstof en deze begon meteen te knetteren en vlammen laaiden op.

Toen sprong Denethor op de tafel, en terwijl hij daar stond, door rook en vuur omkranst, nam hij de staf van zijn stadhouderschap die aan zijn voeten lag en brak die op zijn knie. Nadat hij de stukken in het vuur had geworpen, maakte hij een buiging en ging op de tafel liggen, terwijl hij de palantír met beide handen tegen zijn borst klemde. En van die dag af zei men, dat als iemand in die Steen keek, hij, tenzij hij de grote wilskracht bezat om het op een ander doel te richten, slechts twee oude handen zag die in de vlammen verschrompelden.

Gandalf wendde het gezicht met smart en afschuw af en sloot de deur. Een tijdlang bleef hij in gedachten zwijgend op de drempel staan, terwijl zij die buiten waren het hongerige gebrul van het vuur daarbinnen hoorden. En toen slaakte Denethor een luide kreet, en sprak daarna niet meer en werd nooit meer door sterfelijke mensen gezien.

‘Aldus gaat Denethor, zoon van Ecthelion, heen,’ zei Gandalf. Toen wendde hij zich tot Beregond en de dienaren van de Heer die daar verbijsterd stonden. ‘En zo eindigen ook de dagen van het Gondor zoals u het hebt gekend; ten goede of ten kwade, zij zijn ten einde. Slechte daden zijn hier bedreven; maar laat nu alle vijandschap tussen u varen, want die was aangestookt door de Vijand en bewerkstelligt wat hij wil. U bent verstrikt geraakt in een web van tegenstrijdige plichten dat u niet geweven hebt. Maar bedenkt, gij dienaren van de Heer, in uw blindelingse gehoorzaamheid, dat als Beregond geen verraad had gepleegd, Faramir, de Kapitein van de Witte Toren, nu ook zou zijn verbrand.

Draagt uw kameraden die zijn gevallen weg van deze plaats van rampspoed. En wij zullen Faramir, Stadhouder van Gondor, naar een plaats brengen waar hij in vrede kan slapen of sterven, zo dat zijn lot is.’

Toen namen Gandalf en Beregond de draagbaar op en droegen hem naar de Huizen van Genezing, terwijl Pepijn met gebogen hoofd achter hen liep. Maar de dienaren van de Heer stonden als geslagen mannen naar het huis van de doden te kijken; en op hetzelfde ogenblik dat Gandalf aan het einde van de Rath Dínen kwam, was er een groot tumult. Toen zij omkeken, zagen zij het dak van het huis scheuren en rook opstijgen; en toen stortte het met gekletter en geraas in een zee van vuur; maar nog altijd dansten en flakkerden de vlammen onverminderd tussen de ruïnes. Toen vluchtten de dienaren in ontzetting en volgden Gandalf.

Zo kwamen zij terug bij de Deur van de Stadhouder, en Beregond keek smartelijk naar de portier. ‘Deze daad zal ik altijd betreuren,’ zei hij, ‘maar ik had een waanzinnige haast en hij wilde niet luisteren, maar bedreigde mij met zijn zwaard.’ Hij nam de sleutel die hij van de gedode man had afgenomen, deed de deur dicht en op slot. ‘Deze behoort nu aan Heer Faramir te worden gegeven,’ zei hij.

‘De Prins van Dol Amroth voert in afwezigheid van de Heer het bevel,’ zei Gandalf, ‘maar aangezien hij niet hier is, moet ik dit doen. Ik verzoek je de sleutel te houden en te bewaken totdat de Stad weer op orde is gebracht!’

Nu kwamen zij ten slotte bij de hoge kringen van de Stad en in het licht van de morgen gingen zij verder naar de Huizen van Genezing; dit waren mooie huizen, bestemd voor de verzorging van hen die ernstig ziek waren, maar nu waren zij in gereedheid gebracht voor het verzorgen van mannen die in de slag waren gewond of stervende waren. Zij stonden niet ver van de Citadelpoort, in de zesde kring, dicht bij de zuidelijke muur, en eromheen lagen een tuin en een grasveld met bomen, de enige plaats van dien aard in de Stad. Daar woonden de weinige vrouwen die in Minas Tirith hadden mogen blijven, omdat zij bedreven waren in de geneeskunst of in dienst stonden van de genezers. Maar terwijl Gandalf en zijn metgezellen de draagbaar naar de hoofdingang van de Huizen droegen, hoorden zij een luide kreet die opsteeg van het veld voor de Poort en, nadat zij hoog en doordringend naar de hemel was opgestegen, in de wind verstierf. Zo afgrijselijk was die kreet, dat allen een ogenblik stilstonden, maar toen zij voorbij was, werden hun harten plotseling in zo’n hoopvolle verwachting opgeheven als zij sinds de duisternis uit het oosten was gekomen niet hadden gekend; en het scheen hun toe dat het licht helder werd en de zon door de wolken brak.