Maar Gandalfs gezicht stond ernstig en droevig, en nadat hij Beregond en Pepijn had verzocht Faramir de Huizen van Genezing binnen te dragen, beklom hij de muren in de nabijheid en stond daar als een gebeeldhouwde witte figuur in de nieuwe zon en keek naar buiten. En met het gezicht dat hem gegeven was, zag hij al wat er was voorgevallen; en toen Éomer uit de voorste gelederen van zijn veldslag reed en naast hen stond die op het veld lagen, zuchtte hij, sloeg zijn mantel weer om zich heen en verliet de muren. En Beregond en Pepijn zagen hem in gedachten verzonken voor de deur van de Huizen staan toen zij naar buiten kwamen.
Zij keken hem aan, en hij zweeg een tijdje. Ten slotte sprak hij. ‘Vrienden,’ zei hij, ‘en alle mensen van deze stad en van de westelijke landen! Er zijn zeer verdrietige en befaamde dingen gebeurd. Zullen wij wenen of blij zijn? Boven alle hoop is de Aanvoerder van onze vijanden vernietigd, en jullie hebben de echo van zijn laatste wanhoop gehoord. Maar hij is niet heengegaan zonder smart en bittere verliezen te veroorzaken. En die zou ik misschien hebben kunnen verhinderen als Denethor niet krankzinnig was geworden. Zo groot is het bereik van de Vijand geworden. Helaas! Ik zie nu pas hoe zijn wil in staat was om tot in het hart van de Stad zelf door te dringen.
Hoewel de Stadhouders meenden dat het een geheim was dat alleen zij bewaarden, heb ik langgeleden vermoed dat hier in de Witte Toren ten minste één van de Zeven Stenen bewaard was gebleven. In de dagen van zijn wijsheid was Denethor niet van plan hem te gebruiken, of Sauron uit te dagen, omdat hij de grenzen van zijn eigen kracht kende. Maar zijn wijsheid schoot tekort en ik vrees dat, toen het gevaar dat zijn rijk bedreigde toenam, hij in de Steen heeft gekeken en werd misleid; meer dan eens, vermoed ik, sinds Boromir heenging. Hij was te groot om zich aan de wil van de Zwarte Macht te onderwerpen, maar niettemin zag hij alleen die dingen die de Zwarte Vorst hem toestond te zien. De kennis die hij verkreeg, was ongetwijfeld vaak van nut voor hem; maar het visioen van de grote macht van Mordor dat hij te zien kreeg, voedde de wanhoop van zijn hart tot het zijn geest te gronde richtte.’
‘Nu begrijp ik wat mij zo vreemd voorkwam,’ zei Pepijn, huiverend om zijn herinneringen toen hij sprak. ‘De Heer ging weg uit de kamer waarin Faramir lag, en pas toen hij terugkeerde, meende ik voor het eerst dat hij was veranderd, oud en gebroken.’
‘Het was op hetzelfde uur dat Faramir naar de Toren werd gebracht, dat velen van ons een vreemd licht in de bovenste kamer zagen,’ zei Beregond. ‘Maar wij hebben dit licht eerder gezien, en lange tijd liep het gerucht in de Stad dat de Heer soms in gedachten met zijn Vijand streed.’
‘Helaas, dan heb ik het goed geraden,’ zei Gandalf. ‘Zo drong de wil van Sauron Minas Tirith binnen; en daardoor ben ik hier opgehouden. En hier zal ik nog moeten blijven, want ik zal weldra anderen hebben voor wie ik verantwoordelijk ben, niet alleen Faramir.
Nu moet ik naar beneden gaan om hen die komen te begroeten. Ik heb iets gezien op het veld dat mijn hart zeer benauwt, en groter verdriet kan nog over ons komen. Kom met mij mee, Pepijn! Maar jij, Beregond, moet naar de citadel teruggaan en het hoofd van de Garde vertellen wat er gebeurd is. Het zal zijn plicht zijn, vrees ik, om je uit de Garde te ontslaan, maar zeg hem dat je, als ik hem raad mag geven, naar de Huizen van Genezing moet worden gestuurd, als bewaker en dienaar van je kapitein, en om aan zijn zijde te zijn wanneer hij wakker wordt – zo dat ooit zal gebeuren. Want door jou werd hij van het vuur gered. Ga nu. Ik zal spoedig terugkomen.’
Hierop draaide hij zich om en ging met Pepijn naar het lager gelegen gedeelte van de Stad. En terwijl zij zich voortspoedden, bracht de wind een grijze regen, en alle vuren doofden, en er steeg een zware rook voor hen op.
VIII. De Huizen van Genezing
Er lag een mist van tranen en vermoeidheid over Merijns ogen toen zij bij de verwoeste Poort van Minas Tirith kwamen. Hij schonk weinig aandacht aan de verwoesting en slachting overal in het rond. Vuur, rook en stank bezwangerden de lucht, want vele werktuigen waren verbrand of in de vuurkuilen geworpen, en ook vele van de gedoden, terwijl er hier en daar karkassen lagen van de grote monsters uit het zuiden, half verbrand of gebroken door steenworpen, of door de ogen geschoten door de dappere boogschutters van Morthond. De striemende regen was een tijdje opgehouden, en de zon straalde aan de hemel; maar het hele onderste gedeelte van de stad was nog in een smeulende stank gehuld.
Mannen waren al aan het werk om een weg door de rommel van de strijd vrij te maken; en nu kwamen van de poort enkelen die draagbaren droegen. Voorzichtig legden zij Éowyn op zachte kussens; maar het lichaam van de koning bedekten zij met een groot doek van goud, en zij droegen fakkels om hem heen en de vlammen, flets in het zonlicht, flakkerden in de wind.
Zo kwamen Théoden en Éowyn naar de Stad van Gondor, en allen die hen zagen, ontblootten hun hoofden en bogen; en zij gingen door de as en rook van de verbrande cirkel omhoog, en gingen verder door de stenen straten. Het scheen Merijn toe dat de klim eeuwen duurde, een zinloze reis in een afschuwelijke droom, die verder en verder ging naar een vaag einde, dat de herinnering niet kan bevatten.
Langzaam flikkerden de lichten van de toortsen voor hem en doofden, en hij liep in een duisternis; en hij dacht: Dit is een tunnel die naar een grafkelder leidt; daar zullen wij eeuwig blijven. Maar plotseling klonk er een levende stem in zijn droom.
‘Wel wel, Merijn! De hemel zij dank dat ik je gevonden heb!’
Hij keek op en de mist voor zijn ogen trok enigszins weg. Daar was Pepijn! Zij stonden tegenover elkaar in een smal verlaten straatje, en op hen na was die leeg. Hij wreef zijn ogen uit.
‘Waar is de koning?’ vroeg hij. ‘En Éowyn?’ Toen wankelde hij en ging op een stoep zitten en begon weer te huilen.
‘Ze zijn de Citadel daarboven binnengegaan,’ zei Pepijn. ‘Ik denk dat je staande in slaap gevallen moet zijn en de verkeerde hoek bent omgegaan. Toen we merkten dat jij niet bij hen was, heeft Gandalf mij erop uitgestuurd om je te zoeken. Arme ouwe Merijn! Wat ben ik blij je weer te zien! Maar je bent uitgeput en ik zal je niet met mijn gepraat lastigvallen. Vertel eens, ben je gewond of bezeerd?’
‘Nee,’ zei Merijn. ‘Nou, nee, ik geloof van niet. Maar ik kan mijn rechterarm niet gebruiken, Pepijn, sinds ik hem heb gestoken. En mijn zwaard is helemaal weggebrand als een stukje hout.’
Pepijns gezicht stond bezorgd. ‘Nou, je kunt het beste maar zo vlug mogelijk met mij meekomen,’ zei hij. ‘Ik wou dat ik je kon dragen. Je bent niet in staat om verder te lopen. Ze hadden je helemaal niet moeten laten lopen, maar je moet het hun maar vergeven. Er zijn zoveel afschuwelijke dingen in de Stad gebeurd, Merijn, dat één arme hobbit die van de slag thuiskomt gemakkelijk over het hoofd wordt gezien.’