‘Het is niet altijd een ongeluk om over het hoofd te worden gezien,’ zei Merijn. ‘Ik ben zonet over het hoofd gezien door – nee, nee, ik kan er niet over spreken. Help me, Pepijn! Alles wordt weer donker, en mijn arm is zo koud.’
‘Leun op mij, Merijn, jongen,’ zei Pepijn. ‘Kom nu! Voetje voor voetje. Het is niet ver.’
‘Ga je mij begraven?’ vroeg Merijn.
‘Nee, wat dacht je!’ zei Pepijn, die zijn best deed om opgewekt te klinken, hoewel zijn hart door angst en medelijden werd gekweld. ‘Nee, we gaan naar de Huizen van Genezing.’
Zij gingen het steegje uit dat tussen hoge huizen en de buitenmuur van de vierde cirkel liep, en kwamen weer in de hoofdstraat die omhoogliep naar de citadel. Stap voor stap gingen zij, terwijl Merijn slingerde en mompelde als iemand die slaapt.
Ik zal hem daar nooit krijgen, dacht Pepijn. Is er niemand om me te helpen? Ik kan hem niet hier laten. Maar op datzelfde ogenblik kwam tot zijn verbazing een jongen van achteren aanhollen, en toen hij passeerde, herkende hij Bergil, Beregonds zoon.
‘Hallo, Bergil,’ riep hij. ‘Waar ga jij heen? Blij je weer te zien, en je leeft nog!’
‘Ik doe boodschappen voor de Genezers,’ zei Bergil. ‘Ik kan niet blijven.’
‘Dat hoeft niet,’ zei Pepijn. ‘Maar vertel ze daarboven dat ik een zieke hobbit bij me heb, een perian, weet je, die van het slagveld is gekomen. Ik denk niet dat hij zo ver kan lopen. Als Mithrandir daar is, zal hij blij zijn het te horen.’ Bergil rende verder.
Ik kan beter hier wachten, dacht Pepijn. Daarom liet hij Merijn langzaam op het trottoir zakken op een plek met zonlicht, en ging naast hem zitten, terwijl hij Merijns hoofd in zijn schoot legde. Hij betastte zacht zijn lichaam en ledematen, en nam de handen van zijn vriend in de zijne. De rechterhand voelde ijskoud aan.
Het duurde niet lang voor Gandalf hen zelf kwam zoeken. Hij boog zich over Merijn en streelde zijn voorhoofd; toen tilde hij hem voorzichtig op. ‘Hij had met ere deze stad moeten zijn binnengedragen,’ zei hij. ‘Hij heeft mijn vertrouwen dubbel en dwars terugbetaald; want als Elrond mij mijn zin niet had gegeven, zou geen van jullie op weg zijn gegaan; en dan zouden de rampen van deze dag nog veel erger zijn geweest.’ Hij zuchtte. ‘Maar toch heb ik nog een andere taak te vervullen, terwijl de slag nog steeds onbeslist is.’
Zo werden Faramir en Éowyn en Meriadoc ten slotte in bedden in de Huizen van Genezing gelegd; en daar werden zij goed verzorgd. Want hoewel alle kennis in deze nadagen niet meer de volledigheid van vroeger bezat, waren de genezers van Gondor nog altijd wijs en bedreven in het helen van wonden en letsels, en al die kwalen waar sterfelijke mensen ten oosten van de zee onderhevig aan waren. Behalve alleen ouderdom. Daarvoor hadden zij geen geneesmiddel gevonden; en voorwaar, hun levensspanne was nu afgenomen tot weinig meer dan die van andere mensen, en degenen onder hen die nog krachtig genoeg waren om het verhaal van honderd jaar te doen waren weinig in getal, behalve in enkele geslachten van zuiverder bloed. Maar nu schoten hun kunst en wetenschap tekort; want velen leden aan een ziekte waarvoor geen genezing bestond, en zij noemden die de Zwarte Schaduw, want zij kwam van de Nazgûl. En zij die erdoor waren aangetast, verzonken langzaam in een steeds dieper wordende droom, vervielen dan in stilte en een doodse kou, en stierven zo. En het scheen de verzorgers van de zieken toe dat deze ziekte zwaar lag over de halfling en op de Vrouwe van Rohan. Maar toch, terwijl de morgen verliep, spraken zij, af en toe in hun dromen mompelend, en de wakers luisterden naar alles wat zij zeiden, in de hoop misschien iets te vernemen dat hen in staat zou stellen hun kwetsuren te begrijpen. Maar weldra begonnen zij in de duisternis te verzinken, en toen de zon naar het westen neigde, viel er een grijze schaduw over hun gezichten.
Gandalf ging van de een naar de ander, vol zorg, en alles wat de wakers hadden gehoord werd aan hem overgebracht. En zo ging de dag voorbij, terwijl de grote slag buiten verder woedde met wisselende hoop en vreemde tijdingen; en nog steeds wachtte Gandalf en ging niet weg; tot de rode zonsondergang de hele hemel ten slotte kleurde, en het licht door de vensters op de gezichten van de zieken viel. Toen scheen het hun die erbij stonden toe dat in het avondrood de gezichten lichtelijk bloosden, alsof er beterschap intrad, maar het was slechts een bespotting van hun hoop.
Toen begon een oude vrouw, Ioreth, de oudste van de vrouwen die in dat huis dienden, te huilen toen zij het gezicht van Faramir zag, want alle mensen hielden van hem. En zij zei: ‘Wee, als hij zou sterven. Ik wou dat er koningen in Gondor waren, zoals er eens waren. Want in de oude kennis wordt gezegd: De handen van de koning zijn de handen van een genezer. En daaraan zal men de rechtmatige koning herkennen.’
En Gandalf, die erbij stond, zei: ‘De mensen zullen zich je woorden mogelijk nog lang herinneren, Ioreth! Want zij bevatten hoop. Misschien is er inderdaad een koning naar Gondor teruggekeerd; of heb je de vreemde berichten niet gehoord, die de Stad hebben bereikt?’
‘Ik heb het te druk gehad met een en ander om op al het geroep en geschreeuw te letten,’ antwoordde zij. ‘Het enige dat ik hoop is dat die moordende duivels niet naar dit Huis komen en de zieken verontrusten.’
Toen ging Gandalf haastig naar buiten en het vuur in de hemel doofde al en de smeulende heuvels vervaagden terwijl de asgrauwe avond over de velden viel.
Toen de zon onderging naderden Aragorn en Éomer en Imrahil de Stad met hun aanvoerders en ridders; en toen zij voor de Poort kwamen zei Aragorn: ‘Zie, de zon gaat in een grote gloed onder! Het is een teken van het einde en de val van vele dingen, en een v erandering in de loop van de wereld. Maar deze Stad en dit rijk hebben vele jaren lang onder het regime van de Stadhouders geleefd, en ik vrees dat er, als ik haar ongevraagd binnenga, twijfel en twist zullen ontstaan, en dat mag niet gebeuren zolang deze oorlog duurt. Ik zal niet naar binnen gaan of aanspraken maken, totdat het duidelijk is of wij zullen overwinnen, of Mordor. Laat de mannen mijn tenten op het veld opslaan, en ik zal hier de verwelkoming door de Heer van de Stad afwachten.’
Maar Éomer zei: ‘U hebt de vlag van de Koningen al gehesen en de deviezen van Elendils huis laten zien. Zult u gedogen dat die worden betwist?’
‘Nee,’ zei Aragorn. ‘Maar ik acht de tijd nog niet rijp; en ik voel niets voor strijd, behalve met onze Vijand en zijn dienaren.’
En Prins Imrahil zei: ‘U spreekt wijze woorden, heer, als iemand die een verwant van Heer Denethor is, u in deze raad mag geven. Hij is eigenzinnig en trots, maar oud; en zijn stemming is vreemd geweest sinds zijn zoon werd gewond. Maar toch zou ik niet willen dat u als een bedelaar voor de deur bleef staan.’
‘Geen bedelaar,’ zei Aragorn. ‘Zeg liever, een aanvoerder van de Dolers, die niet gewend zijn aan steden en huizen van steen.’ En hij beval dat zijn banier moest worden opgevouwen; en hij deed de Ster van het Noordelijk Koninkrijk af en gaf die aan de zonen van Elrond in bewaring.
Toen verlieten Prins Imrahil en Éomer van Rohan hem en trokken door de Stad en het tumult van de mensen, en klommen naar de citadel; en zij kwamen bij de Torenzaal en zochten de Stadhouder. Maar zij troffen zijn zetel leeg aan, en voor de verhoging lag Théoden, Koning van de Mark, op een praalbed; en twaalf toortsen stonden eromheen en twaalf wachten, ridders van Rohan en Gondor. En de gordijnen van het bed waren groen en wit, maar over de koning was de grote gouden doek tot aan zijn borst gelegd, en daarop lag zijn ontblote zwaard, en aan zijn voeten zijn schild. Het licht van de toortsen bescheen zijn witte haar als zon in de stuifnevel van een fontein, maar zijn gezicht was mooi en jong, behalve dat er een vredige trek over lag die niet van de jeugd was; en het leek alsof hij sliep.
Toen zij een tijdje zwijgend naast de koning hadden gestaan, zei Imrahiclass="underline" ‘Waar is de Stadhouder? En waar is Mithrandir?’