Выбрать главу

En een van de wachten antwoordde: ‘De Stadhouder van Gondor is in de Huizen van Genezing.’

Maar Éomer vroeg: ‘Waar is Vrouwe Éowyn, mijn zuster; want zij behoort toch naast de Koning te liggen en met niet minder eer. Waar hebben zij haar opgebaard?’

En Imrahil zei: ‘Maar Vrouwe Éowyn leefde nog toen zij haar hierheen droegen. Wist u dat niet?’

Toen keerde onverwachte hoop zo plotseling in Éomers hart terug, en daarmee de hernieuwde pijn van zorg en vrees, dat hij niets meer zei, maar zich omdraaide en snel de zaal uit liep, en de Prins volgde hem. En toen zij naar buiten kwamen was de avond gevallen en stonden er vele sterren aan de hemel. En daar kwam Gandalf te voet en hij werd vergezeld door iemand met een grijze mantel. Zij ontmoetten elkaar voor de deuren van de Huizen van Genezing.

En zij groetten Gandalf en zeiden: ‘Wij zoeken de Stadhouder, men zegt dat hij in dit huis is. Is er iets met hem gebeurd? En Vrouwe Éowyn, waar is zij?’

En Gandalf antwoordde: ‘Zij ligt hier binnen en is niet dood, maar is wel de dood nabij. Maar Heer Faramir werd door een kwade pijl verwond, zoals u gehoord hebt, en hij is nu de Stadhouder, want Denethor is heengegaan, en zijn huis is in de as gelegd.’ En zij werden vervuld van verdriet en verbazing om wat zij hoorden.

Maar Imrahil zei: ‘Zo is de overwinning van haar blijheid beroofd, en zij is bitter gekocht als zowel Gondor als Rohan op één dag hun heerser heeft verloren. Éomer regeert over de Rohirrim. Wie zal de Stad ondertussen besturen? Zullen wij Heer Aragorn nu niet laten komen?’

En de man in de mantel sprak en zei: ‘Hij is gekomen.’ En zij zagen toen hij in het licht van de lantaarn bij de deur trad dat het Aragorn was, gehuld in de grijze mantel van Lórien over zijn maliënkolder en geen ander teken dragend dan de groene steen van Galadriel. ‘Ik ben gekomen omdat Gandalf mij dit vraagt,’ zei hij. ‘Maar op het ogenblik ben ik slechts de Aanvoerder van de Dúnedain van Arnor; en de Heer van Dol Amroth zal de stad besturen tot Faramir ontwaakt. Maar mijn raad luidt dat Gandalf ons allen in de volgende dagen en ook in onze betrekkingen met de Vijand moet leiden.’ En daar stemden zij mee in.

Toen zei Gandalf: ‘Laat ons niet bij de deur blijven staan, want de tijd dringt. Laat ons naar binnen gaan! Want alleen in de komst van Aragorn ligt nog enige hoop voor de zieken die in het Huis liggen. Aldus sprak Ioreth, de wijze vrouw van Gondor: “De handen van de koning zijn de handen van een genezer, en daaraan zal men de rechtmatige koning herkennen.” ’

Toen ging Aragorn als eerste naar binnen en de anderen volgden. En daar bij de deur stonden twee schildwachten in het uniform van de citadel, de ene groot, maar de andere nauwelijks groter dan een jongen; en toen hij hem zag riep hij luid van verbazing en vreugde uit: ‘Stapper! Wat geweldig! Weet je, ik vermoedde al dat jij het was op de zwarte schepen. Maar zij riepen allemaal kapers en wilden niet naar mij luisteren. Hoe heb je het klaargespeeld?’

Aragorn lachte en nam de hobbit bij de hand. ‘Een blij weerzien, voorwaar,’ zei hij. ‘Maar er is nog geen tijd voor reisverhalen.’

Maar Imrahil zei tegen Éomer: ‘Spreken wij zo tot onze koningen? Maar misschien zal hij zijn kroon onder een andere naam dragen!’

En Aragorn, die hem hoorde, draaide zich om en zei: ‘Waarlijk, want in de hoge taal van weleer ben ik Elessar, de Elfensteen, en Envinyatar, de Vernieuwer,’ en van zijn borst nam hij de groene steen die hij daar droeg. ‘Maar Stapper zal de naam van mijn huis zijn als dat ooit gevestigd wordt. In de hoge taal zal het niet zo slecht klinken, en Telcontar zal ik heten, en alle erfgenamen die ik zal verwekken.’

Met deze woorden gingen zij het Huis binnen en toen zij naar de kamers gingen waar de zieken werden verpleegd, vertelde Gandalf van de daden van Éowyn en Meriadoc. ‘Want,’ zei hij, ‘lang heb ik bij hen gestaan, en eerst spraken zij veel in hun dromen, alvorens in de dodelijke duisternis te verzinken. En ook is het mij gegeven om vele dingen die ver verwijderd zijn te zien.’

Aragorn ging eerst naar Faramir en toen naar Vrouwe Éowyn en ten slotte naar Merijn. Toen hij naar de gezichten van de zieken had gekeken en hun kwetsuren had gezien, zuchtte hij. ‘Hier moet ik alle kracht en kundigheid aanwenden die mij gegeven zijn,’ zei hij. ‘Ik wou dat Elrond hier was, want hij is de oudste van heel ons geslacht en bezit een grotere macht.’

En Éomer, die zag dat hij verdrietig en moe was, zei: ‘Maar eerst moet u rusten, en in ieder geval iets eten.’

Maar Aragorn antwoordde: ‘Nee, voor deze drie, maar vooral voor Faramir, is er weinig tijd meer. De grootste spoed is vereist.’ Toen riep hij Ioreth en hij zei: ‘Hebt u hier in dit Huis een voorraad van de geneeskrachtige kruiden?’

‘Ja, heer,’ antwoordde zij, ‘maar niet genoeg, denk ik, voor allen die ze nodig hebben. Maar ik weet werkelijk niet waar wij er meer kunnen vinden, want alles is in de war in deze vreselijke tijd, deels door het vuur en de branden en deels doordat er zo weinig loopjongens zijn, en alle wegen zijn geblokkeerd. Ik weet niet meer hoeveel dagen het wel geleden is sinds er een wagen van Lossarnach naar de markt is gekomen! Maar wij doen ons best in dit Huis met wat wij hebben, zoals U Edele zeker wel zult weten.’

‘Daar zal ik over oordelen als ik het zie,’ zei Aragorn. ‘Er is nog iets waar we gebrek aan hebben: tijd om te praten. Hebt u athelas?’

‘Ik weet het niet zeker, heer,’ antwoordde zij, ‘in ieder geval niet onder die naam. Ik zal het aan de kruidenmeester gaan vragen; hij kent alle oude namen.’

‘Het wordt ook wel koningsfoelie genoemd,’ zei Aragorn, ‘en misschien kent u het onder die naam, want zo noemen de landlieden het in deze nadagen.’

‘O dat!’ zei Ioreth. ‘Nu, als U Edele het meteen zo had genoemd, had ik het u kunnen zeggen. Nee, we hebben er niets van, dat weet ik. Hemeltje, ik heb nooit geweten dat het grote geneeskracht bezat; en ik heb vaak tegen mijn zusters gezegd als we het in het bos zagen staan: “koningsfoelie,” zei ik, “het is een vreemde naam en ik vraag me af waarom het zo genoemd wordt, want als ik koning was, zou ik vrolijker planten in mijn tuin willen hebben.” Maar het ruikt zoet wanneer het wordt verpulverd, nietwaar? Als zoet het juiste woord is: gezond is misschien beter.’

‘Voorwaar gezond,’ zei Aragorn. ‘En nu, vrouw, als u Heer Faramir liefhebt, loop dan zo rap als uw tong en haal koningsfoelie, als er een blad in de Stad is.’

‘En zo niet,’ zei Gandalf, ‘zal ik naar Lossarnach rijden met Ioreth achter mij aan, en zij zal mij naar de bossen brengen, maar niet naar haar zusters. En Schaduwvacht zal haar laten zien wat haast betekent.’

Toen Ioreth weg was, vroeg Aragorn de andere vrouwen om water warm te maken. Toen nam hij Faramirs hand in de zijne en legde de andere op het voorhoofd van de zieke man. Het was klam van het zweet; maar Faramir verroerde zich niet en gaf geen enkel teken, en scheen nauwelijks adem te halen.

‘Hij is bijna dood,’ zei Aragorn, zich tot Gandalf wendend. ‘Maar dit komt niet door de wond. Kijk, die geneest! Als hij door een of andere pijl van de Nazgûl was getroffen, zoals jij dacht, zou hij diezelfde avond zijn gestorven. Deze wond is toegebracht door de pijl van een Zuiderling, vermoed ik. Wie heeft hem uitgetrokken? Is hij bewaard?’

‘Ik heb hem uitgetrokken,’ zei Imrahil, ‘en de wond gestelpt. Maar de pijl heb ik niet bewaard, want er was veel te doen. Het was, zover ik mij herinner, precies zo’n pijl als de Zuiderlingen gebruiken. Maar ik meende dat hij van de Schimmen boven afkomstig was, want anders waren zijn koorts en ziekte onbegrijpelijk; de wond is immers niet diep of gevaarlijk. Wat vindt u van deze zaak?’

‘Uitputting, verdriet om de zwaarmoedigheid van zijn vader, een wond en bovendien nog de Zwarte Adem,’ zei Aragorn. ‘Hij is een man met een sterke wil, want hij was al dicht onder de Schaduw gekomen voor hij naar de slag bij de buitenste muren reed. De duisternis moet hem langzaam hebben overvallen, al terwijl hij vocht en probeerde zijn buitenpost te behouden. Ik wilde dat ik hier eerder had kunnen zijn!’