Daarop kwam de kruidenmeester binnen. ‘U Edele heeft om koningsfoelie gevraagd, zoals de plattelandsbewoners het noemen,’ zei hij, ‘of athelas in de voorname taal, of zoals zij het noemen die een weinig Valinoreaans kennen...’
‘Dat ken ik,’ zei Aragorn, ‘en het kan mij niet schelen of je asëa aranion of koningsfoelie zegt, zolang je het maar hebt.’
‘Neem me niet kwalijk, heer,’ zei de man. ‘Ik zie dat u een geleerde bent, niet alleen maar een aanvoerder in de oorlog. Maar, helaas, heer, wij hebben dit middel niet in de Huizen van Genezing, waar alleen de ernstig gewonden of zieken worden verpleegd. Want voor zover wij weten bezit het geen geneeskracht, behalve misschien om een bedorven lucht, of een voorbijgaande loomte te verdrijven. Tenzij u, natuurlijk, aandacht schenkt aan de rijmen van vroeger die de vrouwen zoals onze brave Ioreth nog aanhalen zonder ze te begrijpen.
Het is maar rijmelarij, vrees ik, verhaspeld in het geheugen van oude vrouwen. De betekenis ervan laat ik aan uw oordeel over, zo er een is. Maar oude lieden gebruiken nog een aftreksel van het kruid tegen hoofdpijnen.’
‘Ga dan in naam van de koning en zoek een of andere oude man met minder kennis en meer wijsheid die er wat van in huis heeft!’ riep Gandalf uit.
Nu knielde Aragorn naast Faramir neer en legde een hand op diens voorhoofd. En zij die toekeken, voelden dat er een grote worsteling plaatsgreep. Want Aragorns gezicht werd grijs van vermoeienis; en af en toe riep hij de naam van Faramir, maar iedere keer zachter meenden zij, alsof Aragon zelf van hen verwijderd was en ver weg in een donker dal liep, en riep naar iemand die verdwaald was.
Eindelijk kwam Bergil naar binnen snellen, en hij bracht zes bladeren in een doek mee. ‘Het is koningsfoelie, Heer,’ zei hij, ‘maar niet vers, vrees ik. Het moet minstens twee weken geleden zijn geplukt. Ik hoop dat het dienst kan doen, Heer.’ En toen hij naar Faramir keek barstte hij in tranen uit.
Maar Aragorn glimlachte. ‘Het zal volstaan,’ zei hij. ‘Het ergste is nu voorbij. Blijf en wees getroost!’ Toen nam hij twee bladeren, legde deze op zijn handen en ademde erop, en toen wreef hij ze fijn, en meteen vervulde een levende frisheid het vertr ek, alsof de lucht zelf wakker werd en tintelde, sprankelend van vreugde. En toen wierp hij de bladeren in de kommen dampend water die hem werden gebracht, en onmiddellijk voelden alle harten zich opgelucht. Want de geurigheid die iedereen opsnoof, was als een herinnering aan bedauwde ochtenden met onbeschaduwde zonneschijn in een of ander land waarvan de mooie wereld in het voorjaar slechts een vluchtige herinnering is. Maar Aragorn stond op als iemand die verfrist is, en er lag een glimlach in zijn ogen toen hij een kom voor Faramirs dromende gezicht hield.
‘Allemachtig! Wie zou het hebben geloofd?’ zei Ioreth tegen een vrouw die naast haar stond. ‘Het kruid is beter dan ik dacht. Het doet me denken aan de rozen van Imloth Melui toen ik nog een meisje was, en geen koning zou om beter kunnen vragen.’
Plotseling bewoog Faramir zich, en hij opende zijn ogen, en hij keek naar Aragorn die zich over hem heen boog; en een licht van herkenning en liefde ontvonkte in zijn ogen, en hij sprak zacht. ‘Mijn heer, u hebt me geroepen. Ik kom. Wat beveelt de koning?’
‘Verwijl niet langer in de schaduwen, maar word wakker!’ zei Aragorn. ‘U bent moe. Rust een poos en eet wat, en wees gereed wanneer ik terugkom.’
‘Dat zal ik doen, heer!’ zei Faramir. ‘Want wie zou werkloos willen blijven liggen, nu de koning is teruggekeerd?’
‘Vaarwel dan voor korte tijd,’ zei Aragorn. ‘Ik moet naar anderen toe gaan die mij nodig hebben.’ En hij verliet het vertrek met Gandalf en Imrahil; maar Beregond en zijn zoon bleven achter, niet in staat hun blijdschap te bedwingen. Toen hij Gandalf volgde en de deur sloot hoorde Pepijn Ioreth uitroepen: ‘Koning! Heb je dat gehoord? Wat heb ik je gezegd? De handen van een genezer, zei ik.’ En weldra werd het buiten het Huis bekend dat de koning inderdaad onder hen was gekomen, en dat hij na oorlog genezing bracht; en het nieuws ging als een lopend vuurtje door de Stad.
Maar Aragorn kwam bij Éowyn en hij zei: ‘Hier is een dodelijke kwetsuur en een harde klap. De arm die gebroken was, is bekwaam verzorgd, en hij zal op den duur genezen, als zij de kracht bezit om te leven. Het is de schildarm die is verminkt; maar het voo rnaamste kwaad komt door de zwaardarm. Daarin schijnt nu geen leven meer te zijn, hoewel hij niet gebroken is.
Helaas! Want zij stond tegenover een Vijand die de kracht van haar geest of lichaam overtrof. En zij die een wapen tegen een dergelijke vijand opnemen, moeten sterker zijn dan staal, wil de schok zelf hen niet vernietigen. Het was een boos noodlot dat haar op hem deed stuiten. Want zij is een mooi meisje, de mooiste vrouw uit een geslacht van koninginnen. Maar toch weet ik niet hoe ik over haar moet spreken. Toen ik haar voor het eerst zag en merkte dat zij ongelukkig was, scheen het mij toe dat ik een witte bloem zag staan, recht en trots, welgevormd als een lelie, maar toch wist ik dat hij hard was, alsof hij door elfsmeden van staal was vervaardigd. Of was het misschien vrieskou die zijn sap tot ijs had doen stollen en hem zo deed staan, bitterzoet, mooi nog om te zien, maar gewond, om weldra neer te vallen en te sterven? Haar kwaal stamt van ver voor deze dag, nietwaar, Éomer?’
‘Ik verbaas mij erover dat u dat aan mij vraagt, heer,’ antwoordde hij. ‘Want ik beschouw u als vrij van blaam in deze zaak, zoals in al het andere; maar toch wist ik niet dat Éowyn, mijn zuster, door enige vrieskou was aangeraakt voordat zij u voor het eerst zag. Zorgen en angsten had zij, die ze met me deelde in de tijd van Slangtong en de beheksing van de koning; en zij verzorgde de koning met stijgende angst. Maar dat heeft haar niet in deze hachelijke situatie gebracht!’
‘Mijn vriend,’ zei Gandalf, ‘jij had paarden en wapenfeiten en de vrije velden, maar zij, geboren in het lichaam van een vrouw, had een geestkracht en een moed die minstens die van jou evenaarde. Toch was zij gedoemd om een oude man te verzorgen van wie zij als van een vader hield, en hem te zien vervallen in armzalige smadelijke kindsheid; en haar rol scheen haar verachtelijker toe dan die van de staf waarop hij leunde.
Denk je dat Slangtong alleen vergif voor Théodens oren had? Kindse oude man! Wat is het Huis van Eorl anders dan een stal met een rieten dak waar struikrovers in de stank zitten te drinken, en hun kroost op de grond met de honden ligt te rollen? Heb je die woorden niet eerder gehoord? Saruman sprak die, de leermeester van Slangtong. Hoewel ik er niet aan twijfel dat Slangtong thuis hun betekenis in listiger woorden vervatte. Mijn heer, als de liefde van uw zuster voor u, en haar wil die nog op haar plicht was gericht, haar lippen niet hadden weerhouden, zou u dingen als deze eraan hebben kunnen horen ontsnappen. Maar wie weet wat zij tot de duisternis sprak, alleen, tijdens de bittere nachtwaken toen haar hele leven scheen te verschrompelen en de muren van haar prieel zich om haar sloten, een hok om iets wilds in te beteugelen?’
Toen zweeg Éomer en keek naar zijn zuster alsof hij opnieuw nadacht over alle dagen die zij samen hadden beleefd. Maar Aragorn zei: ‘Ik zag ook wat jij zag, Éomer. Weinig andere smarten te midden van de tegenspoeden van deze wereld zijn bitterder of beschamender voor het hart van een man dan de liefde van een zo mooie en dappere vrouw te zien die niet kan worden beantwoord. Verdriet en medelijden hebben mij achtervolgd vanaf het ogenblik dat ik haar wanhopig in Dunharg achterliet en naar de Paden der Doden reed; en geen angst op die weg was zo alom tegenwoordig als de angst voor wat haar zou kunnen overkomen. Maar toch, Éomer, zeg ik je dat zij oprechter van jou houdt dan van mij; want jou bemint en kent zij; maar in mij bemint zij alleen maar een schaduw en een idee: een hoop op glorie en grote daden, en landen ver van de velden van Rohan.