Выбрать главу

Ik bezit misschien de macht haar lichaam te genezen en haar uit het donkere dal terug te roepen. Maar wat haar te wachten zal staan wanneer zij wakker wordt: hoop, of vergetelheid, of wanhoop, weet ik niet. En als wanhoop haar deel wordt, zal zij sterven, tenzij er andere genezing komt die ik niet kan brengen. Wee! Want haar daden hebben haar een plaats bezorgd te midden van de befaamde koninginnen.’

Toen boog Aragorn zich voorover en keek in haar gezicht, en het was werkelijk wit als een lelie, koud als vorst en hard als gebeeldhouwde steen. Maar hij boog zich voorover en kuste haar op het voorhoofd en riep haar zachtjes, met de woorden:

‘Éowyn, Éomunds dochter, word wakker. Want uw Vijand is niet meer.’

Zij verroerde zich niet, maar begon nu weer diep adem te halen, zodat haar borst op en neer bewoog onder het witte linnen van het laken. Opnieuw wreef Aragorn twee athelas-bladeren fijn en gooide ze in stomend water; en hij bette haar voorhoofd ermee en haar rechterarm, die koud en gevoelloos op het laken lag.

Toen, ofwel dat Aragorn werkelijk een vergeten macht van Westernisse bezat, of dat het slechts zijn woorden over de Vrouwe Éowyn waren die op haar inwerkten, scheen het hun die erbij stonden toe dat er, toen de zoete invloed van het kruid zich in de kamer verspreidde, een scherpe wind door het venster woei, die geen geur had, maar een volmaakt frisse, zuivere, jonge wind was, alsof hij nog nooit door enig levend wezen was ingeademd, en volkomen maagdelijk van de sneeuwbergen hoog onder de koepel van sterren kwam, of van kusten van zilver ver weg, gezuiverd door zeeën van schuim.

‘Ontwaak, Éowyn, Vrouwe van Rohan!’ zei Aragorn weer en hij nam haar rechterhand in de zijne en voelde dat die warm was door het leven dat erin terugkwam. ‘Ontwaak! De schaduw is weg en alle duisternis is schoongewassen!’ Toen legde hij haar hand in die van Éomer en trad terug. ‘Roep haar,’ zei hij, terwijl hij zacht het vertrek uitliep.

‘Éowyn, Éowyn!’ riep Éomer, onder zijn tranen. En zij opende de ogen en zei: ‘Éomer! Welk een vreugde is dit? Want men zei dat je gesneuveld was. Nee, maar dat waren alleen maar de donkere stemmen in mijn droom. Hoelang heb ik gedroomd?’

‘Niet lang, mijn zuster,’ zei Éomer. ‘Maar denk er niet meer aan!’

‘Ik voel me eigenaardig moe,’ zei ze. ‘Ik moet wat rusten. Maar zeg mij, hoe is het met de Heer van de Mark? Helaas, vertel mij niet dat het een droom was; want ik weet dat het niet zo is. Hij is dood, zoals hij zelf voorzag.’

‘Hij is dood,’ zei Éomer, ‘maar hij heeft mij gevraagd Éowyn vaarwel te zeggen, die hem dierbaarder was dan een dochter. Hij ligt nu met grote eer in de Citadel van Gondor.’

‘Dit is vreselijk,’ zei ze. ‘Maar toch is het beter dan wat ik had durven hopen in de donkere dagen, toen het scheen dat de eer van het Huis van Eorl nog dieper was gezonken dan de hut van een schaapherder. En hoe is het met de schildknaap van de koning, de halfling? Éomer, je moet hem tot ridder van de Riddermark slaan, want hij is dapper!’

‘Hij ligt vlakbij in dit Huis, en ik zal naar hem toe gaan,’ zei Gandalf. ‘Éomer zal hier enige tijd blijven. Maar spreek nog niet over oorlog of leed, totdat je helemaal genezen bent. Het is een grote vreugde je weer op weg naar gezondheid en hoop te zien, zo’n dappere vrouw!’

‘Naar gezondheid?’ zei Éowyn. ‘Misschien. Tenminste zolang er een zadel van een of andere gesneuvelde Ruiter is dat ik kan innemen, en er daden te verrichten zijn. Maar hoop? Ik weet het niet.’

Gandalf en Pepijn gingen naar de kamer van Merijn, en daar zagen ze Aragorn bij het bed staan. ‘Arme ouwe Merijn!’ riep Pepijn uit, en hij snelde naar het bed, want het scheen hem toe dat zijn vriend er slechter uitzag, want zijn gezicht was grauw, alsof een zwaarte van jarenlang verdriet op hem drukte; en plotseling werd Pepijn door de angst aangegrepen dat Merijn dood zou gaan.

‘Wees maar niet bang,’ zei Aragorn. ‘Ik ben op tijd gekomen en heb hem teruggeroepen. Hij is nu moe en heeft verdriet, want hij heeft eenzelfde letsel opgelopen als Vrouwe Éowyn toen hij het aandurfde om dat dodelijke wezen te verwonden. Maar deze kwalen kunnen worden genezen, zo sterk en vrolijk is zijn geest. Zijn verdriet zal hij niet vergeten; maar het zal zijn hart niet versomberen; het zal hem wijsheid bijbrengen.’

Toen legde Aragorn zijn handen op Merijns hoofd en terwijl hij zijn hand zachtjes door de bruine krullen streek, raakte hij de oogleden aan, en noemde hem bij zijn naam. En toen de geurigheid van de athelas zich door de kamer verspreidde, als de geur van boomgaarden en van heide in de zonneschijn vol bijen, werd Merijn plotseling wakker en hij zei: ‘Ik heb honger. Hoe laat is het?’

‘De tijd voor het avondeten is al voorbij,’ zei Pepijn, ‘hoewel ik denk dat ik je wel iets zou kunnen brengen, als men het goedvindt.’

‘Dat zou ik denken,’ zei Gandalf. ‘En al wat deze Ruiter van Rohan verder nog wil hebben, als het te vinden is in Minas Tirith, waar zijn naam wordt geëerd.’

‘Goed!’ zei Merijn. ‘Dan zou ik eerst avondeten willen hebben en daarna een pijp.’ Hierop betrok zijn gezicht. ‘Nee, geen pijp. Ik denk niet dat ik weer zal roken.’

‘Waarom niet?’ vroeg Pepijn.

‘Welnu,’ zei Merijn langzaam. ‘Hij is dood. Het heeft het allemaal weer in mijn herinnering teruggebracht. Hij zei dat het hem speet dat hij nooit een kans had gehad om met mij over kruidkunde te spreken. Bijna het laatste dat hij heeft gezegd. Ik zal nooit meer kunnen roken zonder aan hem te denken en aan die dag, Pepijn, toen hij in Isengard aankwam en zo beleefd was.’

‘Rook dan, en denk aan hem!’ zei Aragorn. ‘Want hij was een goedmoedig mens, en een grote koning en deed zijn beloften gestand; en hij is uit de schaduwen verrezen naar een laatste mooie morgen. Hoewel je hem slechts kort gediend hebt, kan het niet anders dan een blije, eervolle herinnering zijn tot het einde van je dagen.’

Merijn glimlachte. ‘Goed dan,’ zei hij. ‘Als Stapper het benodigde wil verschaffen, zal ik roken en nadenken. Ik had nog wat van Sarumans beste tabak in mijn knapzak, maar ik weet niet wat er in de slag van geworden is.’

‘Meester Meriadoc,’ zei Aragorn, ‘als je denkt dat ik te vuur en te zwaard door de bergen en het rijk van Gondor ben getrokken om kruiden bij een achteloze soldaat te brengen die zijn uitrusting weggooit, heb je het mis. Als je knapzak niet gevonden is, dan moet je de kruidenmeester van dit Huis roepen. En hij zal je zeggen dat hij niet wist dat het kruid dat je wilt hebben enige geneeskracht bezit, maar dat het door de gewone mensen westmanskruid wordt genoemd en galenas door de edelen, en andere namen heeft in nog geleerdere talen, en nadat hij er nog een paar halfvergeten oude rijmpjes die hij niet begrijpt aan zal hebben toegevoegd, zal hij je spijtig zeggen dat er niets van in het Huis is, en hij zal weggaan en je over de geschiedenis van talen laten nadenken. En dat moet ik nu ook doen. Want ik heb niet in een bed als dit geslapen sinds ik uit Dunharg ben weggereden, en ook niet gegeten sinds het donker voor de dageraad.’

Merijn pakte zijn hand en kuste die. ‘Het spijt me vreselijk,’ zei hij. ‘Ga meteen! Van die avond in Breeg af zijn we je alleen maar tot last geweest. Maar het ligt in de aard van mijn volk om lichtzinnige woorden te gebruiken bij dergelijke gelegenheden en minder te zeggen dan we bedoelen. We zijn bang om te veel te zeggen. Wij kunnen de juiste woorden niet vinden wanneer een grap misplaatst is.’

‘Ik weet dat heel goed, anders zou ik niet op dezelfde manier met jullie omgaan,’ zei Aragorn. ‘Moge de Gouw eeuwig en onverdord voortleven!’ En nadat hij Merijn had gekust, ging hij weg, en Gandalf ging met hem mee.