Выбрать главу

Pepijn bleef achter. ‘Heb je ooit iemand als hij meegemaakt?’ zei hij. ‘Behalve Gandalf, natuurlijk. Ik heb zo’n idee dat ze familie van elkaar zijn. Mijn waarde ezel, je knapzak ligt naast je bed, en je had hem op je rug toen ik je tegenkwam. Hij heeft h et natuurlijk de hele tijd in de gaten gehad. En in ieder geval heb ik zelf ook nog van dat spul. Vooruit nu! Het is Langebroekblad. Stop je pijp terwijl ik vlug ga kijken of ik wat te eten kan vinden. En laten we dan een tijdje ons gemak ervan nemen. Lieve hemel. Wij Toeken en Brandebokken, wij kunnen niet lang boven onze stand leven.’

‘Nee,’ zei Merijn. ‘Ik kan het niet. Nog niet, in ieder geval. Maar we kunnen ze nu tenminste zien en hun eer bewijzen, Pepijn. Het is het beste om eerst datgene lief te hebben waarvoor je geschikt bent, veronderstel ik: je moet ergens beginnen en ergens geworteld zijn, en de aarde van de Gouw is diep. Maar toch zijn er nog diepere of hogere dingen; en geen gabber zou zijn tuintje, in wat hij vrede noemt, kunnen verzorgen als zij er niet waren, of hij van hun bestaan af weet of niet. Ik ben blij dat ik iets van hen af weet. Maar ik weet niet waarom ik zo praat. Waar is dat blad? En haal mijn pijp uit mijn knapzak, als-ie tenminste niet gebroken is.’

Aragorn en Gandalf gingen nu naar de Hoofdoppasser van de Huizen van Genezing, en zij gaven hem de raad om Faramir en Éowyn daar nog vele dagen te laten en met zorg te verplegen.

‘Vrouwe Éowyn,’ zei Aragorn, ‘zal spoedig willen opstaan en vertrekken, maar ze mag dat niet doen, als u er haar tenminste van kunt weerhouden, tot er minstens tien dagen verlopen zijn.’

‘Wat Faramir betreft,’ zei Gandalf, ‘hij moet spoedig op de hoogte worden gesteld van de dood van zijn vader. Maar het hele verhaal van de waanzin van Denethor moet hem niet eerder worden verteld voordat hij helemaal is genezen en plichten heeft waar te nemen. Zorg ervoor dat Beregond en de perian, die aanwezig waren, nog niet over deze dingen met hem spreken.’

‘En de andere perian, Meriadoc, die aan mijn hoede is toevertrouwd, wat moet er met hem gebeuren?’ vroeg de Oppasser.

‘Hij zal waarschijnlijk in staat zijn morgen op te staan, voor een korte tijd,’ zei Aragorn. ‘Laat hem dat doen als hij wil. Hij mag wat rondlopen onder de hoede van zijn vrienden.’

‘Het is een merkwaardig ras,’ zei de Hoofdoppasser, het hoofd schuddend. ‘Heel taai van aard, zou ik denken.’

Bij de deuren van de Huizen waren al velen samengestroomd om Aragorn te zien, en zij volgden hem; en toen hij ten slotte had gegeten, kwamen er mensen en smeekten of hij hun verwanten of vrienden wilde genezen die in gevaar verkeerden of waren gekwetst of gewond, of die onder de Zwarte Schaduw lagen. En Aragorn stond op en ging naar buiten, en hij liet de zonen van Elrond komen, en samen waren zij druk doende tot diep in de nacht. En het nieuws ging door de Stad: ‘De Koning is werkelijk teruggekeerd!’ En zij noemden hem Elfensteen, vanwege de groene steen die hij droeg, en zo werd de naam waarvan bij zijn geboorte was voorspeld dat hij die zou dragen, door zijn eigen volk voor hem gekozen.

En toen hij niet meer kon doen, sloeg hij zijn mantel om zich heen en glipte de Stad uit, ging naar zijn tent vlak voor de dageraad en sliep een tijdje. En in de ochtend wapperde de banier van Dol Amroth, een wit schip als een zwaan op blauw water, van de Toren, en de mensen keken omhoog en vroegen zich af of de komst van de Koning alleen maar een droom was geweest.

IX. Het laatste overleg

De ochtend brak aan na de dag van de strijd, en het was mooi weer met lichte bewolking en een wind die naar het westen draaide. Legolas en Gimli waren al vroeg buiten, en vroegen verlof om de Stad binnen te gaan, want zij verlangden ernaar Merijn en Pepijn te zien. ‘Het is goed te horen dat zij nog in leven zijn,’ zei Gimli, ‘want zij hebben ons grote moeite gekost op onze mars door Rohan, en ik zou niet graag willen dat al die moeite voor niets was geweest.’ Samen gingen de elf en de dwerg Minas Tirith binnen, en mensen die hen voorbij zagen komen, verbaasden zich erover zulke metgezellen te zien, want Legolas had een voor mensen uitzonderlijk knap uiterlijk, en hij zong met heldere stem een elfenlied terwijl hij in de ochtend liep; Gimli beende naast hem voort, terwijl hij zijn baard streelde en om zich heen keek. ‘Er is hier goed metselwerk,’ zei hij, terwijl hij naar de muren keek, ‘maar er is ook minder goed werk bij, en de straten hadden beter kunnen worden gemaakt. Wanneer Aragorn zijn bezit aanvaardt, zal ik hem de diensten van de metselaars van de Berg aanbieden, en wij zullen hier een stad van maken om trots op te zijn.’

‘Ze hebben meer tuinen nodig,’ zei Legolas. ‘De huizen zijn doods en er is hier te weinig dat groeit en blij is. Als Aragorn in het bezit van zijn eigendom komt, zal het volk van het Woud hem vogels brengen die zingen en bomen die niet sterven.’

Ten slotte kwamen ze bij Prins Imrahil, en Legolas keek hem aan en maakte een diepe buiging; want hij zag dat hier werkelijk iemand was die elfenbloed in de aderen had. ‘Heil, heer!’ zei hij. ‘Het is langgeleden sinds het volk van Nimrodel de boslanden van Lórien verliet, maar toch kan men nog zien dat niet allen uit Amroths haven westwaarts over het water zijn gevaren.’

‘Zo wordt in de geschiedenis van mijn land gezegd,’ zei de Prins, ‘maar toch heeft niemand ooit een van de schone lieden daar in ontelbare jaren gezien. En het verbaast mij er hier één te zien te midden van verdriet en oorlog. Wat zoekt u?’

‘Ik ben een van de Negen Metgezellen die met Mithrandir uit Imladris zijn vertrokken,’ zei Legolas, ‘en samen met deze dwerg, mijn vriend, ben ik met Heer Aragorn meegekomen. Maar nu willen wij graag onze vrienden Meriadoc en Peregrijn opzoeken, die, naar men ons verteld heeft, aan uw hoede zijn toevertrouwd.’

‘U zult hen in de Huizen van Genezing vinden, en ik zal u erheen brengen,’ zei Imrahil. ‘Het zal voldoende zijn als u iemand meestuurt om ons de weg te wijzen, heer,’ zei Legolas. ‘Want Aragorn zendt u deze boodschap. Hij wil de Stad op dit tijdstip niet weer binnenkomen. Maar de aanvoerders moeten onmiddellijk beraadslagen, en hij verzoekt u en Éomer van Rohan zo spoedig mogelijk naar zijn tenten te komen. Mithrandir is daar al.’

‘Wij zullen komen,’ zei Imrahil en zij scheidden met hoffelijke woorden. ‘Schoon is deze Heer en een groot aanvoerder van mensen,’ zei Legolas. ‘Als Gondor in deze dagen van verval nog van deze mensen heeft, dan moet zijn glorie in de dagen van zijn bloei wel heel groot zijn geweest.’

‘En ongetwijfeld is het goede metselwerk het oudste, en is het bij de eerste bouw vervaardigd,’ zei Gimli. ‘Het is altijd zo met de dingen die mensen beginnen; er is vorst in het voorjaar of meeldauw in de zomer, en zij houden hun belofte niet.’

‘Maar zelden zijn zij zonder zaad,’ zei Legolas. ‘En dat ligt soms in het stof te rotten en ontkiemt weer op onverwachte tijdstippen en plaatsen. De daden van mensen zullen ons overleven, Gimli.’

‘En toch uiteindelijk op niets anders dan gemiste kansen uitlopen, vermoed ik,’ zei de dwerg. ‘Daarop kennen de elfen het antwoord niet,’ zei Legolas.

Hierop kwam er een dienaar van de Prins en die bracht hen naar de Huizen van Genezing; en daar troffen zij hun vrienden in de tuin aan en hun weerzien was vrolijk. Een tijdlang liepen en praatten zij, zich korte tijd verheugend in vrede en rust hoog in de winderige kringen van de Stad. Toen Merijn moe begon te worden, gingen zij op de muur zitten met het grasveld van de Huizen van Genezing achter zich; en in de verte, in het zuiden voor hen, schitterde de Anduin in de zon terwijl zij verder stroomde, zelfs buiten het bereik van Legolas’ ogen, in de wijde vlakke velden en groene mist van Lebennin en Zuid-Ithilien. En nu werd Legolas zwijgzaam terwijl de anderen praatten, en hij keek tegen de zon in en zag witte zeevogels de Rivier opkomen.