Выбрать главу

‘Kijk!’ riep hij uit. ‘Meeuwen! Ze vliegen ver landinwaarts. Een wonder zijn ze voor mij en ze verontrusten mijn hart. Nooit in mijn hele leven had ik ze gezien totdat wij bij Pelargir kwamen, en daar hoorde ik ze krijsen in de lucht toen wij naar de slag van de schepen reden. Toen bleef ik staan en vergat de oorlog in Middenaarde; want hun klagende stemmen spraken mij van de Zee. De zee! Helaas! Ik heb die nog niet gezien. Maar diep in de harten van mijn gehele geslacht sluimert het verlangen naar de zee, dat gevaarlijk is om op te wekken. Ach, die meeuwen! Nooit zal ik meer rust vinden onder beuk of onder olm.’

‘Zeg dat niet,’ riep Gimli uit. ‘Er zijn nog talloze dingen in Midden-aarde te zien, en grote werken te verrichten. Maar als heel het elfenvolk naar de Havens trekt, zal het een saaiere wereld zijn voor hen die gedoemd zijn achter te blijven.’

‘Saai en droevig, jazeker,’ zei Merijn. ‘Je moet niet naar de Havens gaan, Legolas. Er zullen altijd lieden zijn, groot of klein, en zelfs een paar wijze dwergen, zoals Gimli, die je nodig hebben. Tenminste dat hoop ik. Hoewel ik op de een of andere manier voel dat het ergste van deze oorlog nog moet komen. O, ik wou maar dat hij helemaal en voorgoed over was.’

‘Wees niet zo somber!’ riep Pepijn uit. ‘De zon schijnt en wij zijn hier minstens een dag of twee bij elkaar. Ik wil meer over jullie allemaal horen. Kom, Gimli! Jij en Legolas hebben vanmorgen al twaalf keer gewag gemaakt van je vreemde reis met Stapper. Maar jullie hebben mij er niets van verteld.’

‘De zon moge hier dan schijnen,’ zei Gimli, ‘maar er zijn herinneringen aan die weg die ik niet uit de duisternis wil oproepen. Als ik geweten had wat mij te wachten stond, denk ik dat ik om geen vriendschap ter wereld de Paden der Doden zou hebben betreden.’

‘De Paden der Doden?’ vroeg Pepijn. ‘Ik heb er Aragorn over horen spreken en mij afgevraagd wat dat kon zijn. Wil je ons er niet meer over vertellen?’

‘Niet graag,’ zei Gimli. ‘Want op die weg ben ik beschaamd gemaakt; ik, Gimli, Glóins zoon, die zich taaier dan de mensen meende en geharder onder de aarde dan welke elf ook. Maar geen van beide heb ik bewezen; en ik werd alleen door de wilskracht van Aragorn op de weg gehouden.’

‘En ook door je liefde voor hem,’ zei Legolas. ‘Want allen die hem hebben leren kennen, houden op hun eigen manier van hem, zelfs de koele maagd van de Rohirrim. Het was vroeg op de ochtend van de dag voor jij daar aankwam, Merijn, dat wij Dunharg verlieten, en een zo grote angst lag over iedereen, dat niemand ons vertrek wilde zien, behalve Vrouwe Éowyn, die nu gewond hierbeneden in het Huis ligt. Er was verdriet bij dat afscheid en het smartte mij om het te zien.’

‘Helaas, ik had alleen met mijzelf te doen,’ zei Gimli. ‘Nee, ik wil niet over die reis spreken.’ Hij zweeg, maar Pepijn en Merijn waren zo verlangend naar nieuws, dat Legolas ten slotte zei: ‘Ik zal je genoeg vertellen om je gerust te stellen; want ik heb de afschuw niet gevoeld en heb de schimmen van mensen niet gevreesd, omdat ik hen machteloos en broos vond.’ Toen vertelde hij vlug van de spookachtige weg onder de Bergen en de donkere steen bij Erech, en de lange rit vandaar, tweehonderdnegenenzeventig mijl, naar Pelargir aan de Anduin. ‘Vier dagen en nachten, en nog een deel van de vijfde reden wij van de Zwarte Steen,’ zei hij. ‘En zie, in de duisternis van Mordor nam mijn hoop toe, want in die duisternis scheen het Schimmenleger sterker en afschuwelijker te worden om te zien. Ik zag sommigen rijden, anderen lopen, maar allen bewogen zich met dezelfde snelheid voort. Zij zwegen, maar er was een glans in hun ogen. In de hooglanden van Lamedon haalden zij onze paarden in en reden om ons heen en zouden ons gepasseerd zijn, als Aragorn het hun niet verboden had. Op zijn bevel lieten zij zich weer terugvallen. Zelfs de schimmen van mensen gehoorzamen aan zijn wil, dacht ik. Zij kunnen hem nog van nut zijn! Een dag reden wij in het licht, maar toen kwam de dag zonder dageraad, en nog altijd reden wij verder, en wij staken de Ciril en de Ringelo over; en op de derde dag kwamen wij bij Linhir boven de monding van de Gilrain. En daar vochten mensen van Lamedon met woeste lieden uit Umbar en Harad, die de rivier op waren komen varen, om de voorden. Maar zowel verdedigers als vijanden staakten de strijd en vluchtten toen wij eraan kwamen, roepende dat de Koning van de Doden hen op de hielen zat. Alleen Angbor, de Heer van Lamedon, had de moed op ons te wachten, en Aragorn verzocht hem zijn lieden te verzamelen en hem te volgen, als zij durfden, wanneer het Grijze Leger voorbij was getrokken. “Bij Pelargir zal de Erfgenaam van Isildur u nodig hebben,” zei hij. Zo staken wij de Gilrain over, terwijl wij de bondgenoten van Mordor in verwarring voor ons uit dreven; toen rustten wij enige tijd. Maar weldra stond Aragorn op en zei: “Zie! Minas Tirith wordt aangevallen. Ik vrees dat het zal vallen voor wij het te hulp kunnen komen.” Daarom stegen wij voor de nacht om was weer op en reden verder met alle snelheid die onze paarden op de vlakten van Lebennin konden opbrengen.’ Legolas zweeg en zuchtte, en terwijl hij zijn ogen naar het zuiden richtte, begon hij zacht te zingen:

Zilver vloeien de stromen van Celos naar Erui In de groene velden van Lebennin! Hoog groeit het gras daar. In de wind van de Zee Wiegen de witte leliën mee, En de gouden klokjes van mallos en alfirin wiegen Op de groene velden van Lebennin In de wind van de Zee!

‘Groen zijn die velden in de liederen van mijn volk, maar toen waren zij donker, grijze woestenijen in de zwartheid voor ons. En over het wijde land, onachtzaam het gras en de bloemen vertrappend, joegen wij onze vijanden een dag en een nacht na, totdat w ij aan het bittere einde ten slotte bij de Grote Rivier kwamen. Toen meende ik in mijn hart dat wij dicht bij de zee kwamen, want wijd was het water in de duisternis, en talloze zeevogels krijsten op zijn stranden. Ach, het krijsen van de meeuwen! Heeft niet de Vrouwe mij gezegd voor hen op te passen? En nu kan ik ze niet vergeten.’

‘Wat mij betreft, ik heb geen aandacht aan ze geschonken,’ zei Gimli, ‘want toen ontbrandde de slag in ernst. Daar bij Pelargir lag het grootste deel van de vloot van Umbar, vijftig grote schepen en talloze kleinere. Velen van hen die wij achtervolgden hadden de havens voor ons bereikt, en hun angst met zich meegebracht; en enkele van de schepen waren uitgevaren en trachtten via de Rivier te ontkomen of de andere oever te bereiken; en vele van de kleinere vaartuigen stonden in brand. Maar de Haradrim, die nu naar de rand van het water werden gedreven, wendden zich om slag te leveren en waren fel in hun wanhoop; maar zij lachten toen zij ons zagen, want zij waren nog altijd een groot leger. Maar Aragorn bleef staan en riep met luider stemme: “Kom nu! Bij de Zwarte Steen roep ik u!” En plotseling kwam het Schimmenleger dat was achtergebleven aanstormen als een grijze vloed, en vaagde alles wat voor hen was weg. Flauwe kreten hoorde ik en zacht hoorngeschal, en een gemompel als van ontelbare verre stemmen: het was als de echo van een of andere vergeten veldslag in de Zwarte Jaren langgeleden. Fletse zwaarden werden getrokken, maar ik weet niet of het staal ervan nog scherp was, want de Doden hadden geen ander wapen nodig dan angst. Niets kon hen weerstaan. Zij gingen naar elk schip dat gemeerd lag, en toen trokken zij over het water naar de schepen die voor anker lagen, en alle zeelieden werden aangegrepen door een waanzinnige angst en sprongen overboord, behalve de slaven die aan hun roeiriemen geketend waren. Roekeloos reden wij te midden van onze vluchtende vijanden, hen als bladeren voor ons uit drijvend, tot wij bij de oever kwamen. En toen zond Aragorn een van de Dúnedain naar elk van de grote schepen die waren overgebleven, en zij stelden de gevangenen aan boord gerust en vroegen hun hun vrees te vergeten en vrij te zijn. Voor die donkere dag ten einde liep, was er niemand van de Vijand over om ons te weerstaan; allen waren verdronken, of op de vlucht naar het zuiden in de hoop hun eigen landen te voet te bereiken. Vreemd en wonderbaarlijk vond ik het dat de plannen van Mordor door zulke geesten van vrees en duisternis omvergeworpen konden worden. De vijand was met zijn eigen wapens overwonnen!’