‘Inderdaad heel vreemd,’ zei Legolas. ‘Op dat uur keek ik naar Aragorn en dacht wat een grote, angstaanjagende Heer hij met zijn wilskracht had kunnen worden als hij de Ring zelf had genomen. Niet voor niets vreest Mordor hem. Maar nobeler is zijn geest dan het begrip van Sauron: want is hij niet een van de kinderen van Lúthien? Nooit zal dat geslacht uitsterven, ook al vermeerderen zich de jaren zonder tal.’
‘Dergelijke voorspellingen liggen buiten de gezichtskring van de dwergen,’ hernam Gimli. ‘Maar inderdaad was Aragorn machtig die dag. Zie, hij had de hele zwarte vloot in handen en hij koos het grootste schip voor zichzelf en ging aan boord. Toen liet hij een groot geschal van trompetten aanheffen, die op de vijand waren veroverd, en het Schimmenleger trok zich terug naar de kust. Daar stonden zij zwijgend, nauwelijks zichtbaar, met uitzondering van een rode gloed in hun ogen, die het felle licht van de brandende schepen weerkaatsten. En Aragorn sprak met luider stemme tegen de Dode Mannen en riep uit: “Hoor nu de woorden van de erfgenaam van Isildur! Uw eed is vervuld. Ga terug en verstoor de dalen nimmermeer! Vertrek en vind rust!” Daarop ging de Koning van de Doden voor zijn leger staan en brak zijn speer en wierp die op de grond. Toen maakte hij een diepe buiging en keerde zich om; en snel trok het hele grijze leger weg en verdween als een mist die uiteengedreven wordt door een plotselinge wind; en het scheen mij toe dat ik uit een droom ontwaakte. Die nacht rustten wij terwijl anderen werkten. Want vele gevangenen werden vrijgelaten en vele slaven bevrijd: lieden uit Gondor die in razzia’s gevangen waren genomen; en weldra was er ook een grote groep mannen uit Lebennin en de Ethir, en Angbor van Lamedon kwam aanrijden met alle ruiters die hij kon verzamelen. Nu de angst voor de Doden was weggevallen, kwamen zij ons te hulp en om de Erfgenaam van Isildur te zien, want het gerucht van die naam had zich als een vuur in het donker verspreid. En dat is bijna het einde van ons verhaal. Want gedurende die avond en nacht werden vele schepen in gereedheid gebracht en bemand; en in de morgen voer de vloot uit. Langgeleden schijnt het nu, maar toch was het slechts de ochtend van de dag van eergisteren, de zesde sinds wij uit Dunharg wegreden. Maar toch werd Aragorn gedreven door de angst dat er niet genoeg tijd zou zijn. “Het is honderdzesentwintig mijl van Pelargir naar de landingsplaatsen bij de Harlond,” zei hij. “Toch moeten wij morgen de Harlond bereiken, of jammerlijk falen.” De riemen werden nu bediend door vrije mensen, en manmoedig spanden zij zich in; toch voeren wij langzaam de Grote Rivier op, want wij zwoegden tegen de stroom op, en hoewel die in het zuiden niet snel is, hadden wij geen hulp van de wind. Bezwaard zou mijn gemoed geweest zijn, niettegenstaande onze overwinning bij de havens, als Legolas niet plotseling had gelachen. “Omhoog met je baard, zoon van Durin!” zei hij. “Want aldus luidt het gezegde: Als de hoop verloren is, is de redding vaak nabij.” Maar welke hoop hij van verre zag, wist ik niet. Toen de nacht kwam scheen die de duisternis alleen maar dieper te maken, en onze harten waren ongerust, want ver in het noorden zagen wij een rode gloed onder de wolken hangen en Aragorn zei: “Minas Tirith staat in brand.” Maar om middernacht leefde onze hoop weer op. Zeevaarders van de Ethir, die naar het zuiden staarden, zeiden dat er een verandering op til was met een straffe wind van de zee. Lang voor de dag aanbrak, hesen de schepen met masten de zeilen, en onze snelheid nam toe, tot de dageraad het schuim voor de boeg wit maakte. En zo gebeurde het, zoals jullie weten, dat wij opdoken in het derde uur van de ochtend met een sterke wind en de zon ontsluierd, en wij de grote standaard voor de strijd ontplooiden. Het was een grote dag en een groots uur, wat er daarna ook moge gebeuren.’
‘Wat er ook moge volgen, de waarde van grote daden wordt er niet door verminderd,’ zei Legolas. ‘Een grote daad was de rit over de Paden der Doden, en groot zal zij blijven, al is er niemand in Gondor meer over om haar in de tijden die komen te bezingen.’
‘En dat zou best kunnen gebeuren,’ zei Gimli. ‘Want de gezichten van Aragorn en Gandalf staan ernstig. Ik vraag mij af welke besluiten zij nu nemen in de tenten daarbeneden. Wat mij betreft wou ik, evenals Merijn, dat met onze overwinning de oorlog nu geëindigd was. Maar wat er nog te doen is, ik hoop er een aandeel in te hebben, voor de eer van de lieden van de Eenzame Berg.’
‘En ik voor de lieden van het Grote Woud,’ zei Legolas, ‘en voor de liefde van de Heer van de Witte Boom.’ Toen zwegen de metgezellen, maar een tijdje bleven zij daarna op die hoge plaats zitten, elk bezig met zijn eigen gedachten, terwijl de Aanvoerders beraadslaagden.
Toen Prins Imrahil afscheid had genomen van Legolas en Gimli liet hij Éomer onmiddellijk komen en hij ging met hem mee de Stad uit, en zij kwamen bij de tenten van Aragorn, die op het veld niet ver van de plaats waar Koning Théoden was gesneuveld waren opgezet. En daar beraadslaagden zij samen met Gandalf en Aragorn en de zonen van Elrond. ‘Mijne Heren,’ zei Gandalf, ‘luister naar de woorden die de Stadhouder van Gondor sprak voor hij stierf: U moogt een dag op de velden van de Pelennor triomferen, maar op de Macht die nu is opgestaan is geen overwinning mogelijk. Ik vraag u niet te wanhopen, zoals hij, maar over de waarheid van deze woorden na te denken. De Kijkstenen liegen niet en zelfs de Heer van Barad-dûr kan ze daar niet toe dwingen. Misschien kan hij door zijn wil bepalen welke dingen zwakkere geesten mogen zien, of maken dat zij de betekenis van wat zij zien verkeerd uitleggen. Niettemin is het niet aan twijfel onderhevig dat, toen Denethor grote strijdkrachten in Mordor tegen zich zag opgesteld en er nog meer zag verzamelen, hij de werkelijkheid zag. Onze sterkte is nauwelijks toereikend geweest om de eerste grote aanval af te slaan. De volgende zal nog heviger zijn. Deze oorlog is dus zonder uiteindelijke hoop, zoals Denethor zag. Een overwinning kan niet met de wapenen worden bevochten, of u nu hier blijft om beleg na beleg te doorstaan, of uitrukt om aan de andere zijde van de Rivier te worden overrompeld. U hebt alleen een keuze tussen kwaden; en voorzichtigheid zou u aanraden om de plaatsen die u in handen hebt, te versterken en daar de aanval af te wachten; want zo zal de tijd voor uw einde een weinig worden verlengd.’
‘Dus u wilt dat wij ons op Minas Tirith of Dol Amroth terugtrekken, of op Dunharg, en daar als kinderen op zandkastelen blijven zitten terwijl het tij opkomt?’ vroeg Imrahil. ‘Dat zou geen nieuwe raad zijn,’ zei Gandalf. ‘Hebt u dit en weinig meer niet in alle dagen van Denethor gedaan? Maar nee! Ik zei dat dit voorzichtig zou zijn. Ik raad geen voorzichtigheid aan. Ik zei dat een overwinning niet met wapens kon worden bevochten. Ik hoop nog op victorie, maar niet door wapens. Want bij al deze politiek komt de Ring van Macht, de grondslag van de Barad-dûr en de hoop van Sauron. Wat dit voorwerp aangaat, mijne heren, u weet nu allemaal genoeg om onze benarde positie en die van Sauron te begrijpen. Als hij hem herkrijgt, is al uw dapperheid tevergeefs, en zijn overwinning zal snel en volledig zijn; zo volledig, dat niemand het einde ervan kan voorzien zolang deze wereld bestaat. Als hij vernietigd wordt, dan zal hij vallen en zijn val zal zo diep zijn, dat niemand zich kan indenken dat hij ooit weer zal opstaan. Want hij zal het grootste deel van de kracht die hij aan zijn begin heeft meegekregen, verliezen, en alles dat met die macht gemaakt of begonnen werd, zal afbrokkelen, en hij zal voor altijd geschonden zijn en alleen maar een boosaardige geest worden die zichzelf in de schaduwen opvreet, maar niet meer kan groeien of gestalte aannemen. En zo zal de wereld van een groot kwaad worden verlost. Er zijn andere kwade dingen, die nog kunnen komen, want Sauron is zelf alleen maar een dienaar of afgezant. Het is echter niet aan ons om alle stromingen van de wereld te beheersen, maar om te doen wat in ons vermogen ligt voor de redding van de jaren waarin wij leven, het kwaad in de velden die wij kennen uitroeiend, zodat zij die na ons komen een schone aarde hebben om te bewerken. Welk weer zij zullen hebben, is niet aan ons om te bevelen. Sauron nu weet dit alles, en hij weet dat dit waardevolle voorwerp dat hij heeft verloren, weer gevonden is; maar hij weet niet waar het is, althans dat hopen wij. En daarom verkeert hij nu in hevige twijfel. Want als wij dit voorwerp hebben gevonden, zijn er enkelen onder ons die sterk genoeg zijn om het te gebruiken. Dat weet hij ook. Want heb ik het niet bij het rechte einde, Aragorn, wanneer ik zeg dat jij je in de Steen van Orthanc aan hem hebt laten zien?’