Выбрать главу

Dit was toen het einde van de beraadslaging van de grote heren: dat zij op de tweede ochtend na die dag erop uit zouden trekken met zevenduizend man als die te vinden waren; en het grootste deel van deze strijdmacht zou te voet gaan vanwege de boze landen waar zij door zouden trekken. Aragorn zou er tweeduizend zien te vinden van degenen die hij in het zuiden had verzameld; maar Imrahil zou er drieëneenhalfduizend vinden en Éomer vijfhonderd Rohirrim, die geen paarden hadden, maar zelf gereed waren voor de oorlog, en hijzelf zou vijfhonderd van zijn beste Ruiters te Paard aanvoeren; en er zou nog een compagnie van vijfhonderd paarden komen die door de Dúnedain en de ridders van Dol Amroth zouden worden bereden: al met al zesduizend te voet en duizend te paard. Maar de hoofdmacht van de Rohirrim die geen paarden meer hadden, maar wel in staat waren om te vechten, ongeveer drieduizend onder bevel van Elfhelm, moest de Westerweg tegen de vijand verdedigen die in Anórien was. En meteen werden snelle ruiters erop uitgestuurd om al het nieuws te verzamelen dat zij in het noorden konden vinden, en ten oosten van Osgiliath en de weg naar Minas Morgul. En toen zij hun hele strijdmacht hadden opgeteld en zich hadden beraden over de reizen die zij zouden maken en de wegen die zij zouden kiezen, barstte Imrahil plotseling in een luid gelach uit. ‘Zeker,’ riep hij uit, ‘is dit de grootste grap in de hele geschiedenis van Gondor: dat wij uitrijden met zevenduizend man, nauwelijks evenveel als de voorhoede van zijn leger in de dagen van zijn macht, om de bergen en de onneembare poort van het Zwarte Land aan te vallen. Zo zou een kind een in maliën geklede ridder bedreigen met een boog van touw en groene wilg! Als de Zwarte Vorst zoveel weet als u zegt, Mithrandir, zal hij dan niet eerder glimlachen dan vrezen, en ons met zijn pink verpletteren als een horzel die hem probeert te steken?’

‘Nee, hij zal proberen die horzel te vangen om hem de angel uit te trekken,’ zei Gandalf. ‘En er zijn namen onder ons die meer waard zijn dan duizend in maliën geklede ridders. Nee, hij zal niet lachen.’

‘Wij evenmin,’ zei Aragorn. ‘Als dit een grap is, dan is zij te bitter om erom lachen. Nee, het is de laatste zet in een groot gevaarlijk spel.’ Toen trok hij Andúril en hield het zwaard fonkelend in de zon omhoog. ‘Je zult niet weer in de schede worden gestoken voordat de laatste slag is gestreden,’ zei hij.

X. De Zwarte Poort gaat open

Twee dagen later was het leger van het Westen op de Pelennor verzameld. Het leger orks en Oosterlingen was uit Anórien teruggekeerd, maar, geteisterd en uiteengeslagen door de Rohirrim, waren zij verstrooid en zonder veel slag te leveren naar Cair Andros gevlucht; nu deze dreiging was vernietigd en nieuwe strijdkrachten uit het zuiden arriveerden, was de Stad zo goed mogelijk bemand. Verkenners berichtten dat er helemaal tot aan de Kruiswegen van de Gevallen Koning geen vijanden op de wegen in het oosten meer waren. Alles was nu klaar voor de laatste slag. Legolas en Gimli zouden weer samen rijden in het gezelschap van Aragorn en Gandalf, die met de Dúnedain en de zonen van Elrond in de voorhoede reden. Merijn zou echter tot zijn schande niet met hen meegaan. ‘Je bent niet fit genoeg voor een dergelijke reis,’ zei Aragorn. ‘Maar schaam je niet. Als je niets meer doet in deze oorlog, heb je toch al grote eer behaald. Peregrijn zal meegaan en het volk van de Gouw vertegenwoordigen; en benijd hem zijn kans op gevaar niet, want al heeft hij het zo goed gedaan als zijn lot het hem toestond, hij moet jouw daad nog evenaren. Maar in werkelijkheid verkeren wij nu allen in hetzelfde gevaar. Hoewel het ons lot kan zijn om aan een bitter einde te komen voor de Poort van Mordor, zullen jullie, als dat gebeurt, stand moeten houden, hier, of waar het zwarte getij jullie ook overspoelt. Vaarwel!’ En zo stond Merijn nu moedeloos naar het verzamelen van de legermacht te kijken. Bergil was bij hem en hij was ook terneergeslagen, want zijn vader zou te voet een compagnie van mensen van de Stad aanvoeren: hij kon zich niet eerder bij de Garde voegen voordat zijn zaak was berecht. Met diezelfde compagnie zou ook Pepijn meegaan, als soldaat van Gondor. Merijn kon hem daarginds zien, een kleine maar fiere gestalte te midden van de grote mannen van Minas Tirith.

Ten slotte schalden de trompetten en het leger zette zich in beweging. Troep na troep, compagnie na compagnie, zwenkte om en trok oostwaarts. En lang nadat zij uit het zicht waren verdwenen op de grote weg naar de Straatweg, bleef Merijn daar staan. De laatste schittering van de ochtendzon op speer en helm fonkelde en verdween, maar nog altijd bleef hij met gebogen hoofd en bezwaard hart staan; hij voelde zich zonder vrienden en alleen. Iedereen om wie hij gaf, was weggegaan naar de duisternis die over de verre oostelijke hemel hing; en in zijn hart was weinig hoop overgebleven dat hij een van hen ooit zou weerzien. Alsof die door zijn stemming van wanhoop werd teruggebracht, kwam de pijn in zijn arm terug en hij voelde zich zwak en oud, en het zonlicht scheen zwak. Hij werd door de aanraking van Bergils hand uit zijn overpeinzingen opgeschrikt. ‘Kom, meester Perian!’ zei de jongen. ‘U hebt nog steeds pijn, zie ik. Ik zal u helpen naar de Genezers terug te gaan. Maar vrees niet! Zij zullen terugkomen. De mannen van Minas Tirith zullen nooit worden overwonnen. En nu hebben zij ook Heer Elfensteen en Beregond van de Wacht in hun midden.’

Voor de middag bereikte het leger Osgiliath. Daar waren alle arbeiders en ambachtslieden die gemist konden worden druk bezig. Sommigen versterkten de ponten en pontons die de vijand had gemaakt en gedeeltelijk vernield toen hij vluchtte; sommigen verzamelden voorraden en buit, terwijl anderen aan de oostzijde van de Rivier inderhaast verdedigingswerken opwierpen. De voorhoede trok verder door de ruïnes van Oud Gondor, en de brede Rivier over, en vandaar langs de lange rechte weg, die in de machtige dagen van de fraaie Toren van de Zon naar de hoge Toren van de Maan was aangelegd, die nu Minas Morgul in zijn vervloekte dal was. Vijf mijl voorbij Osgiliath hielden zij halt en beëindigden daarmee hun eerste dagmars. Maar de Ruiters gingen verder en voor de avond viel kwamen zij bij de Wegkruising en de grote kring van bomen, en alles was stil. Zij hadden geen spoor van de vijand gezien; geen kreet of roep was gehoord; geen pijl was uit de rotsen of de bosjes langs de weg komen suizen, maar voortdurend voelden zij, terwijl zij verder trokken, de waakzaamheid van het land toenemen. Boom en steen, spriet en blad luisterden. De duisternis was verdwenen, en ver in het westen lag de gloed van de westelijke zonsondergang over het Dal van de Anduin, en de witte pieken van de bergen bloosden in de blauwe lucht, maar een schaduw en een donkere dreiging hingen somber boven de Ephel Dúath. Toen stelde Aragorn trompetters op bij elk van de vier wegen die naar de kring van bomen liepen, en zij bliezen een enorme fanfare en de herauten riepen luid: ‘De Heren van Gondor zijn teruggekeerd en heel dit land dat hun toebehoort nemen zij terug.’ Het afzichtelijke orkhoofd dat op de gebeeldhouwde romp was gezet, werd eraf gestoten en in stukken gebroken, en het hoofd van de oude Koning werd opgetild en weer op zijn plaats gezet, nog gekroond met witte en gouden bloemen; en mannen waren druk in de weer om het te wassen en alle smerige krabbels die de orks erop hadden gemaakt uit te vegen. Nu hadden sommigen in hun beraadslaging aanbevolen om Minas Morgul het eerste aan te vallen en het, als ze het zouden innemen, volkomen te verwoesten. ‘En misschien,’ had Imrahil gezegd, ‘zal de weg die vandaar naar de pas leidt, een gemakkelijker aanvalsweg tegen de Zwarte Vorst blijken dan zijn noordelijke poort.’ Maar Gandalf had dit sterk ontraden, vanwege het kwaad dat in dat dal dreigde, waar de geesten van levende mensen tot waanzin en afgrijzen geraakten, en ook vanwege het nieuws dat Faramir had meegebracht. Want als de Drager van de Ring die weg inderdaad had geprobeerd, dan moesten zij bovenal de aandacht van het Oog van Mordor niet daarheen trekken. Daarom posteerden zij de volgende dag, toen het hoofdleger eraan kwam, een sterke wacht bij de Wegkruising om enige tegenstand te bieden, als Mordor een strijdmacht over de Morgulpas zou sturen, of meer manschappen uit het zuiden zou laten komen. Voor die wacht kozen zij voornamelijk boogschutters die de wegen van Ithilien kenden en zich in de bossen en op de hellingen rondom het punt waar de wegen elkaar naderden, zouden schuilhouden. Maar Gandalf en Aragorn reden met de voorhoede naar de ingang van het Morguldal en keken neer op de boze stad. Deze was donker en levenloos, want de orks en mindere schepselen van Mordor, die daar hadden gewoond, waren in de strijd omgekomen en de Nazgûl waren op pad. Maar de lucht van het dal was zwanger van angst en vijandschap. Toen braken zij de boze brug af, staken de stinkende velden in brand en gingen weg.