De dag daarna, de derde sinds zij uit Minas Tirith waren vertrokken, begon het leger zijn mars naar het noorden langs de weg. Het was ongeveer honderd mijl via die weg van de Wegkruising naar de Morannon, en wat hun zou kunnen overkomen voor zij zover kwamen wist niemand. Zij gingen openlijk maar voorzichtig verder, met bereden verkenners voor hen op de weg en anderen te voet aan weerszijden, vooral op de oostelijke flank; want daar waren dichte bosjes en een woest landschap van rotsachtige ravijnen en spleten, waarachter de lange, grimmige hellingen van de Ephel Dúath opstegen. Het weer van de wereld bleef mooi en de wind woei nog steeds uit het westen, maar niets kon de schaduwen en de sombere nevels die om de Schaduwbergen hingen, verdrijven; en achter hen stegen af en toe grote rookwolken op die in de bovenwinden bleven hangen. Nu en dan liet Gandalf de trompetten steken en dan riepen de herauten uit: ‘De Heren van Gondor zijn gekomen! Laat iedereen dit land verlaten of zich overgeven!’ Maar Imrahil zei: ‘Zeg niet de Heren van Gondor. Zeg Koning Elessar. Want zo is het, ook al heeft hij nog niet op zijn troon gezeten; en het zal de Vijand meer te denken geven als de herauten die naam gebruiken.’ En daarna kondigden de herauten drie keer per dag de komst van Koning Elessar aan. Maar niemand reageerde op de uitdaging. Niettemin, hoewel zij ogenschijnlijk vredig marcheerden, waren de harten van allen in het leger, van de hoogsten tot de laagsten, benard, en met iedere mijl die zij naar het noorden gingen, begon het voorgevoel van kwaad zwaarder op hen te drukken. Het was tegen het einde van de tweede dag van hun mars van de Wegkruising dat zij voor het eerst tot de strijd werden uitgedaagd. Want een sterk leger van orks en Oosterlingen probeerde hun voorste compagnieën uit een hinderlaag aan te vallen en dat was op precies dezelfde plaats waar Faramir de mensen van Harad had aangevallen, en de weg liep in een diepe inham door een uitloper van de oostelijke heuvels. Maar de Aanvoerders van het Westen waren tijdig door hun verkenners gewaarschuwd: bekwame lieden van de Henneth Annûn, aangevoerd door Mablung; en zo vielen de belagers zelf in een hinderlaag. Want ruiters reden in een wijde boog naar het westen en kwamen uit op de flank en in de rug van de Vijand, en zij werden vernietigd of oostwaarts de heuvels ingejaagd. Maar de overwinning gaf de aanvoerders weinig nieuwe moed. ‘Het is maar een schijngevecht,’ zei Aragorn, ‘en het voornaamste doel ervan was eerder, denk ik, om ons verder weg te lokken op een valse veronderstelling dat onze vijand zwak was, dan om ons veel schade te berokkenen.’ En van die avond af kwamen de Nazgûl en volgden iedere beweging van het leger. Zij vlogen nog altijd hoog en buiten het zicht van iedereen behalve Legolas, maar toch kon men hun aanwezigheid als een verdieping van de schaduw en een verduistering van de zon voelen; en hoewel de Ringgeesten nog niet laag op hun vijanden neer doken en zich stilhielden – zij uitten geen enkele kreet – kon men de angst voor hen niet afschudden.
Zo verliepen de tijd en de reis zonder hoop. Op de vierde dag van de Wegkruising, en de zesde van Minas Tirith, kwamen zij ten slotte aan het einde van de landen der levenden, en begonnen de troosteloosheid binnen te trekken die voor de poorten van de pas van Cirith Gorgor lag; en zij konden de moerassen zien en de woestijn die zich naar het noorden en westen naar de Emyn Muil uitstrekte. Zo verlaten waren die plaatsen en zo intens de verschrikking die erover lag, dat sommige soldaten van het leger alle moed verloren en niet verder naar het noorden konden lopen of rijden. Aragorn keek naar hen en er was eerder medelijden in zijn ogen dan toorn; want dit waren jonge mannen uit Rohan, uit de verre Westfold, of boeren uit Lossarnach, en voor hen was Mordor van hun jeugd af een boze naam geweest, maar toch onwerkelijk, een legende die geen rol speelde in hun eenvoudige leven; en nu liepen zij als mensen in een afschuwelijke droom die werkelijkheid was geworden, en zij begrepen deze oorlog niet en ook niet waarom het lot hen naar een dergelijke toestand moest voeren. ‘Ga!’ zei Aragorn. ‘Maar verlies niet alle eer, en sla niet op de vlucht! En er is een taak die jullie zouden kunnen beproeven zodat je niet helemaal beschaamd wordt. Ga naar het zuidwesten tot je bij Cair Andros komt, en als dat nog steeds in handen van vijanden is, zoals ik vermoed, herover het dan als je kunt; en houd het tot het laatste toe bezet ter verdediging van Gondor en Rohan!’ Daarop overwonnen sommigen, beschaamd door zijn genade, hun angst en gingen verder; en de anderen vatten nieuwe moed toen ze van een manmoedige daad hoorden die binnen hun vermogen lag waarop ze zich konden richten, en vertrokken. En zo kwam het dat de Aanvoerders van het Westen met minder dan zesduizend man eindelijk de Zwarte Poort en de macht van Gondor kwamen uitdagen, aangezien er al vele manschappen bij de Wegkruising waren achtergelaten.
Zij kwamen langzaam vooruit en verwachtten ieder uur een of ander antwoord op hun uitdaging en zij sloten de gelederen, want het zou alleen maar verspilling van manschappen zijn om verkenners of kleine troepen van het hoofdleger vooruit te sturen. Bij het vallen van de nacht op de vijfde dag van de mars van het Morguldal sloegen zij hun laatste kamp op, en omringden het met vuren van het dode hout en de hei die zij konden vinden. Zij brachten de nachtelijke uren wakend door en ze waren zich bewust van vele half geziene dingen die om hen heen liepen en slopen, en zij hoorden het gehuil van wolven. De wind was gaan liggen en de lucht scheen stil.
Zij konden weinig zien, want hoewel het onbewolkt was en de wassende maan vier nachten oud was, stegen rook en dampen uit de aarde op en de witte sikkel was in nevelflarden van Mordor gehuld. Het werd koud. Toen de ochtend aanbrak stak de wind ook weer op, maar nu kwam hij uit het noorden en wakkerde weldra aan tot een stevige bries. Alle nachtlopers waren verdwenen en het land scheen verlaten. In het noorden, tussen de walgelijke kuilen, lagen de eerste grote hopen en heuvels van sintels en gebroken rotsen en uiteengereten aarde, het braaksel van het madenvolk van Mordor; maar in het zuiden doemde nu de grote vestingmuur van Cirith Gorgor op, met de Zwarte Poort in het midden en de twee Torens van de Tanden hoog en donker aan weerszijden. Want op hun laatste mars waren de Aanvoerders van de oude weg afgegaan toen die naar het oosten boog om het gevaar van de dreigende heuvels te vermijden, en zo naderden zij nu de Morannon vanuit het noordwesten, net zoals Frodo had gedaan.
De twee enorme ijzeren deuren van de Zwarte Poort onder de dreigende boog waren hermetisch gesloten. Op de vestingmuren was niets te zien. Alles was stil, maar waakzaam. Zij waren aan het laatste eind van hun dwaasheid gekomen, en stonden verloren en verkleumd in het grijze licht van de vroege dag voor torens en muren die hun leger niet met hoop kon aanvallen, zelfs niet als het krachtiger oorlogswerktuigen had meegebracht, en de Vijand niet meer manschappen had dan nodig waren om de poort en de muur alleen te bewaken. Toch wisten zij dat alle heuvels en rotsen rond de Morannon vol zaten met verborgen vijanden, en de schimmige engte daarachter was doorboord en doorgraven door krioelend gebroed van boze dingen. En terwijl zij daar stonden, zagen zij alle Nazgûl bij elkaar, als roofvogels boven de Torens van de Tanden zwermend, en zij wisten dat zij werden gadegeslagen. Maar nog steeds gaf de Vijand geen teken. Zij hadden geen andere keuze dan hun rol tot het einde toe te spelen. Daarom plaatste Aragorn het leger in de best mogelijke slagorde; het werd opgesteld op twee grote heuvels van gebroken rotsen en aarde die de orks in vele jaren van arbeid hadden opgeworpen. Vóór hen, in de richting van Mordor, lag als een slotgracht een groot moeras van stinkende modder en smerig ruikende poelen. Toen alles in gereedheid was gebracht, reden de Aanvoerders met een grote groep ruiters en de standaard en herauten en trompetters naar de Zwarte Poort. Daar waren Gandalf als eerste heraut, en Aragorn met de zonen van Elrond, en Éomer van Rohan en Imrahil; en Legolas, Gimli en Peregrijn werden gevraagd om ook mee te gaan, zodat alle vijanden van Mordor een getuige zouden hebben. Zij kwamen binnen gehoorsafstand van de Morannon, en ontplooiden de banier en staken de trompetten; en de herauten verhieven zich en zonden hun stemmen over de kantelen van Mordor heen. ‘Kom naar buiten!’ riepen zij. ‘Laat de Heer van het Zwarte Land zich tonen. Het recht zal aan hem worden voltrokken. Want ten onrechte heeft hij de oorlog aan Gondor verklaard en zijn landen afgenomen. Daarom eist de Koning van Gondor dat hij zal boeten voor zijn wandaden, en dan voor altijd zal heengaan. Kom naar buiten!’ Er viel een lange stilte en van de muur en de poort werd geen kreet of geluid als antwoord gehoord. Maar Sauron had zijn plannen al klaar en was van plan eerst wreed met deze muizen te spelen voor hij toesloeg om te doden. Zo kwam het dat op hetzelfde ogenblik dat de Aanvoerders op het punt stonden zich af te wenden, de stilte plotseling werd verbroken. Er klonk een langgerekt geroffel van grote trommen als donder in de bergen, en toen een geschetter van trompetten dat de stenen deed trillen en de oren van de mannen verdoofde. En daarop werd een deur van de Zwarte Poort met een grote dreun opengeworpen, en daaruit kwam een afvaardiging van de Zwarte Toren. Aan het hoofd ervan reed een grote, merkwaardige gestalte gezeten op een zwart paard, zo het een paard was; want het was enorm en afzichtelijk, en de kop was een angstaanjagend masker, meer een doodskop dan een levend hoofd, en in de kassen van de ogen en in de neusgaten brandde een vlam. De ruiter was helemaal in het zwart gekleed en zwart was zijn hoge helm; toch was dit geen Ringgeest, maar een levend mens. Hij was de Luitenant van de Toren van Barad-dûr, en zijn naam is in geen enkel verhaal overgeleverd, want hij was hem zelf vergeten en zei: ‘Ik ben de Mond van Sauron.’ Maar men zegt dat hij een renegaat was, die afstamde van het geslacht van hen die de Zwarte Númenoreanen worden genoemd; want zij vestigden zich in Midden-aarde tijdens de jaren van Saurons heerschappij, en zij vereerden hem omdat zij bekoord waren door boze kennis. En hij trad in dienst van de Zwarte Toren toen die weer in opkomst was, en dankzij zijn listigheid was hij steeds hoger in de gunst van de vorst gestegen; en hij leerde veel toverkunsten, en wist veel af van de bedoelingen van Sauron; en hij was wreder dan welke ork ook. Hij was het die nu naar buiten kwam rijden en hij had slechts een klein gezelschap zwart geharnaste soldaten bij zich, en een enkele banier; zwart, maar met in het rood het Boze Oog erop. Nu bleef hij enkele passen voor de Aanvoerders van het Westen staan en bekeek hen van het hoofd tot de voeten en lachte. ‘Is er iemand in deze troep die het gezag heeft om met mij te onderhandelen?’ vroeg hij. ‘Of met het verstand om mij te begrijpen? Jij in ieder geval niet!’ spotte hij, zich met verachting tot Aragorn wendend. ‘Er is meer voor nodig om koning te worden dan een stukje elfenglas of gepeupel als dit. Allemachtig! Iedere struikrover uit de heuvels kan zo’n troep optrommelen.’ Aragorn antwoordde niet, maar ving de blik van de ander en liet die niet los, en een ogenblik streden zij zo, maar hoewel Aragorn zich niet verroerde of zijn hand aan een wapen sloeg, versaagde de ander al gauw en deinsde terug alsof hij met een slag werd bedreigd. ‘Ik ben een heraut en afgezant, en mag niet worden aangevallen!’ riep hij uit. ‘Waar dergelijke wetten gelden,’ zei Gandalf, ‘is het ook de gewoonte van afgezanten om minder beledigend te zijn. Maar niemand heeft u bedreigd. U hebt niets van ons te vrezen totdat uw boodschap is gedaan. Maar tenzij uw Meester nieuwe wijsheid heeft verworven, zult u met al zijn dienaren in groot gevaar verkeren.’