‘Zo!’ zei de boodschapper. ‘Dus jij bent de woordvoerder, oude grijsbaard? Hebben we niet zo nu en dan van jou en je omzwervingen gehoord, altijd op een veilige afstand complotten smedend en kwaad beramend? Maar deze keer heb je je neus te diep in andermans zaken gestoken, meester Gandalf; en je zult zien wat er met hem gebeurt die zijn dwaze samenzweringen aan de voeten van Sauron de Grote legt. Ik heb een paar voorwerpen die ik jou moest laten zien – jou in het bijzonder, als je het lef zou hebben om te komen.’ Hij gaf een van zijn schildwachten een teken en de man kwam naar voren met een bundeltje dat met zwarte doeken was omwikkeld. De boodschapper haalde die eraf en daar, tot verbazing en ontsteltenis van alle Aanvoerders, hief hij eerst een kort zwaard omhoog zoals Sam had gedragen, en vervolgens een grijze mantel met een elfenbroche, en ten slotte de jas van mithril-maliën die Frodo gedragen had, gewikkeld in zijn versleten kleren. Het werd hun zwart voor de ogen en het scheen hun in een ogenblik van stilte toe dat de wereld stilstond, maar hun harten waren dood en hun laatste hoop was vervlogen. Pepijn, die achter Prins Imrahil stond, stortte zich met een kreet van smart naar voren. ‘Stilte!’ zei Gandalf ernstig, hem terugduwend; maar de boodschapper lachte luid.
‘Dus je hebt nog een van die kaboutertjes bij je!’ riep hij uit. ‘Wat voor nut ze voor je hebben weet ik niet, maar om ze als spionnen naar Mordor te sturen gaat zelfs je gewone dwaasheid te boven. Toch dank ik hem, want het is duidelijk dat de schelm die souvenirs in elk geval eerder heeft gezien, en het zou vergeefs zijn als je het nu ontkende.’
‘Ik wil het helemaal niet ontkennen,’ zei Gandalf. ‘Zeker, ik ken ze alle en hun hele geschiedenis, en ondanks je minachting, smerige Mond van Sauron, kun jij dat niet zeggen. Maar waarom breng je ze hier?’
‘Dwergmantel, elfenmantel, zwaard van het vervallen Westen en spion uit het kleine rattenland de Gouw – nee, zwijg! Wij weten het maar al te goed – dit zijn de tekenen van een samenzwering. Welnu, misschien was hij die ze droeg een schepsel wiens verlies jullie niet zou berouwen, maar misschien ook niet: misschien iemand die jullie lief is. Als dat zo is, beraad je dan snel met het weinige verstand dat jullie rest. Want Sauron houdt niet van spionnen, en wat zijn lot zal zijn hangt nu van jullie keuze af.’ Niemand antwoordde hem, maar hij zag hun gezichten, grauw van angst, en hij zag de afschuw in hun ogen, en hij lachte weer, want het scheen hem toe dat zijn gesar zijn uitwerking niet had gemist. ‘Goed, goed!’ zei hij. ‘Hij was jullie dierbaar, zie ik. Of anders was zijn missie er een die jullie niet graag zouden zien mislukken. Zij is mislukt. En nu zal hij de langzame kwelling van jaren ondergaan, zo lang en zo traag als onze kunsten in de Grote Toren kunnen bewerkstelligen, en nooit meer worden vrijgelaten tenzij misschien wanneer hij veranderd en gebroken is, zodat hij naar jullie toe kan gaan en jullie kunnen zien wat jullie hebben gedaan. Dit zal zeker gebeuren – tenzij jullie de voorwaarden van mijn Heer aanvaarden.’
‘Noem die voorwaarden,’ zei Gandalf kalm, maar zij die naast hem stonden zagen de pijn op zijn gezicht, en hij scheen nu een oude, verschrompelde man, gebroken, ten slotte verslagen. Zij twijfelden er niet aan dat hij ze zou aanvaarden. ‘Dit zijn de voorwaarden,’ zei de boodschapper, en hij glimlachte toen hij ze een voor een aankeek. ‘Het gepeupel van Gondor en zijn misleide bondgenoten moeten zich onmiddellijk achter de Anduin terugtrekken na eerst te hebben gezworen dat zij Sauron nooit meer met de wapenen zullen aanvallen, openlijk of in het geheim. Alle landen ten oosten van de Anduin zullen voor altijd aan Sauron, en aan hem alleen toebehoren. Het land ten westen van de Anduin tot aan de Nevelbergen en de Kloof van Rohan zullen schatplichtig zijn aan Mordor, en de mensen daar zullen geen wapens dragen, maar het zal hun zijn toegestaan hun eigen zaken te behartigen. Maar zij zullen meehelpen om Isengard te herbouwen dat zij moedwillig hebben vernietigd, en dat zal van Sauron zijn, en daar zal zijn plaatsvervanger wonen, niet Saruman, maar een die zijn vertrouwen meer waard is.’ Terwijl zij in de ogen van de Boodschapper keken, lazen zij zijn gedachten. Hij zou die plaatsvervanger zijn, en alles wat van het westen overbleef onder zijn heerschappij brengen: hij zou hun tiran zijn en zij zijn slaven. Maar Gandalf zei: ‘Dit is veel gevraagd voor de uitlevering van een dienaar: dat uw Meester datgene in ruil zou ontvangen waar hij anders menige oorlog voor moet voeren. Of heeft het slagveld van Gondor zijn hoop op een oorlog vernietigd, zodat hij aan het marchanderen slaat? En als wij deze gevangene werkelijk zo hoog schatten, welke zekerheid hebben wij dan dat Sauron, de Verachtelijke Meester van het Verraad, zijn belofte zal houden? Waar is die gevangene? Laat hem tevoorschijn komen en aan ons worden uitgeleverd, dan zullen we deze eisen in overweging nemen.’ Toen scheen het Gandalf toe – gespannen, hem in de gaten houdend als een man die aan het schermen is met een dodelijke vijand – dat de Boodschapper één ogenblik in de war was, maar meteen lachte hij weer. ‘Wees niet zo onbeschaamd met de Mond van Sauron te redetwisten!’ riep hij uit. ‘U wilt zekerheid! Sauron geeft die niet. Als u zijn clementie begeert, moet u eerst doen wat hij vraagt. Dit zijn zijn voorwaarden. U kunt ze al dan niet aanvaarden!’