Выбрать главу

‘Deze zullen wij aanvaarden!’ zei Gandalf plotseling. Hij sloeg zijn mantel open en een wit licht schitterde ineens als een zwaard op die zwarte plaats. De weerzinwekkende Boodschapper deinsde terug voor zijn opgeheven hand, en Gandalf, die naar voren kwam, pakte hem de voorwerpen af: buis, mantel en zwaard. ‘Die zullen wij als aandenken aan onze vriend nemen,’ riep hij uit. ‘Maar wat je voorwaarden betreft, die verwerpen wij vierkant. Scheer je weg, want je missie is voorbij en je dood is nabij. Wij zijn hier niet gekomen om woorden te verspillen aan onderhandelingen met Sauron, trouweloos en vervloekt; nog minder met een van zijn slaven. Scheer je weg!’ Toen lachte de Boodschapper van Mordor niet meer. Zijn gezicht was vertrokken van verbazing en woede, als dat van een of ander wild beest dat, terwijl het zijn prooi besluipt, met een stok vol prikkels op de snuit wordt geslagen. Woede vervulde hem en zijn mond kwijlde en ongecontroleerde geluiden van nijd kwamen verstikkend door zijn keel. Maar hij keek naar de woedende gezichten van de Aanvoerders en hun dodelijke blikken, en angst overwon zijn woede. Hij slaakte een luide kreet en draaide zich om, sprong op zijn ros en galoppeerde met zijn metgezellen als een bezetene naar Cirith Gorgor terug. Maar terwijl zij vluchtten bliezen zijn soldaten een langgeleden afgesproken signaal; en nog voor zij de poort bereikten zette Sauron zijn val open.

Trommen roffelden en vuren laaiden op. De deuren van de Zwarte Poort zwaaiden wijd open. Daaruit stroomde een groot leger even snel als kolkende wateren wanneer een sluis wordt opgehaald. De Aanvoerders bestegen hun paarden weer en reden terug, en uit het leger van Mordor steeg een honend gejoel op. Stof woei op en verstikte de lucht toen van vlakbij een leger van Oosterlingen opmarcheerde dat in de schaduwen van de Ered Lithui achter de verst verwijderde toren op het signaal had staan wachten. Van de heuvels aan weerskanten van de Morannon stroomden talloze orks. De mannen van het Westen zaten in de val, en weldra zouden zij helemaal om de grijze heuvels waar zij stonden door strijdkrachten tien keer en meer dan tien keer zo sterk als zij in een zee van vijanden worden ingesloten. Sauron had het hem voorgehouden lokaas tussen kaken van staal geklemd. Aragorn had niet veel tijd om zijn strijdkrachten in slagorde op te stellen. Op de ene heuvel stond hij met Gandalf, en daar wapperde, fraai en wanhopig, de banier met de Boom en de Sterren. Op de andere heuvel, vlakbij, stonden de banieren van Rohan en Dol Amroth, het Witte Paard en de Zilveren Zwaan. En om iedere heuvel werd een kring gevormd die hen helemaal insloot, krioelend van speren en zwaarden. Maar vooraan, naar Mordor gericht vanwaar de eerste bittere aanval zou komen, stonden de zonen van Elrond, links met de Dúnedain om hen heen, en rechts Prins Imrahil met de mannen van Dol Amroth, groot en knap, en keurtroepen van de Wachttoren. De wind woei, de trompetten schalden, en de pijlen suisden, maar de zon, die nu naar het Zuiden klom, was gesluierd in de dampen van Mordor, en door een dreigende mist scheen zij, ver weg, alsof het ’t einde van de dag was, of het einde misschien van de hele wereld van licht. En uit de dichter wordende duisternis kwamen de Nazgûl met hun koude stemmen die woorden van dood riepen, en toen werd alle hoop de bodem in geslagen.

Pepijn was door afschuw verpletterd ineengezonken toen hij Gandalf de voorwaarden had horen verwerpen en Frodo zo tot de marteling van de Toren had gedoemd; maar hij had zich beheerst en nu stond hij naast Beregond in het voorste gelid van Gondor met Imrahils manschappen. Want het leek hem het beste om spoedig te sterven en het bittere verhaal van zijn leven te verlaten, nu alles was vernietigd. ‘Ik wou dat Merijn hier was,’ hoorde hij zichzelf zeggen, en snelle gedachten schoten door zijn geest terwijl hij de vijand de aanval zag lanceren. ‘Wel, wel, nu begrijp ik die arme Denethor in ieder geval wat beter. We zouden samen kunnen sterven, Merijn en ik, en aangezien wij toch moeten sterven, waarom niet? Maar nu hij hier niet is, hoop ik dat hij een gemakkelijker einde zal vinden. Maar nu moet ik mijn best doen.’ Hij trok zijn zwaard en keek ernaar, en de verstrengelde rode en gouden figuren en de vloeiende lettertekens van Númenor glinsterden als vuur op het staal. Dit is voor een dergelijk uur gemaakt, dacht hij. Kon ik die smerige Boodschapper er maar mee doden, dan zou ik tenminste bijna quitte staan met die goeie Merijn. Welnu, ik zal wat van dit beestachtig gebroed om zeep helpen voor ik sterf. Ik wou dat ik weer helder zonlicht en groen gras kon zien. En terwijl hij deze dingen dacht, beukte de eerste aanval op hen in. De orks, gehinderd door de poelen die voor de heuvels lagen, bleven staan en schoten hun pijlen op de gelederen van de verdedigers af. Maar dwars door hun rijen kwam, brullend als beesten, een grote compagnie heuveltrollen uit Gorgoroth aangeschreden. Groter en breder dan mensen waren zij, en zij waren slechts gekleed in nauwsluitende maliënkolders van hoornachtige schubben, of misschien was dat hun afzichtelijke huid; maar zij droegen enorme zwarte ronde schilden en zwaaiden zware mokers in hun knoestige handen. Roekeloos sprongen zij in de poelen en waadden erdoor, brullend terwijl zij naderden. Als een storm beukten zij op de rijen van de mannen van Gondor in en sloegen op helm en hoofd en arm en schild, als smeden die op het hete buigende ijzer slaan. Aan Pepijns zijde werd Beregond verdoofd en onder de voet gelopen, en hij viel; en de grote trollenaanvoerder die hem had neergeslagen, boog zich over hem heen en stak een grijpende klauw uit, want deze slechte creaturen beten de kelen door van hen die zij velden. Toen stak Pepijn zijn zwaard omhoog en het versierde lemmet van Westernisse drong door de huid tot diep in de ingewanden van de trol door, en zijn zwarte bloed kwam naar buiten gutsen. Hij viel voorover en stortte neer als een rotsblok en begroef hen die onder hem waren. Zwartheid en stank en een verpletterende pijn overvielen Pepijn en zijn geest zonk weg in een grote duisternis. En zo eindigt het als ik had vermoed, zei zijn gedachte toen zij wegfladderde, en ze lachte eventjes in hem voor ze heenging, alsof ze bijna blij was ten slotte alle twijfel, zorgen en angst af te schudden. En toen, terwijl ze in vergetelheid wegzweefde, hoorde ze stemmen en die schenen in een of andere vergeten wereld boven te roepen: ‘De adelaars komen! De adelaars komen!’ Nog een ogenblik bleef Pepijns gedachte hangen. Bilbo! zei ze. Maar nee! Dat was in zijn verhaal, heel langgeleden. Dit is mijn verhaal en dat is nu uit. Vaarwel! En zijn gedachte vluchtte ver weg en zijn ogen zagen niets meer.