Выбрать главу

Zesde boek

I. De Toren van Cirith Ungol

Sam stond moeizaam van de grond op. Hij vroeg zich heel even af waar hij was, maar toen kwamen alle ellende en wanhoop weer terug. Hij bevond zich in de diepe duisternis buiten de benedenpoort van de vesting van de orks: de koperkleurige deuren waren dicht. Hij moest verdoofd zijn neergevallen toen hij zich ertegenaan had gegooid; maar hij wist niet hoelang hij daar gelegen had. Toen had hij in vuur en vlam gestaan, wanhopig en woedend; nu huiverde hij van de koude. Hij kroop naar de deuren en drukte zijn oren ertegenaan. Heel ver daarbinnen kon hij vaag de stemmen van orks horen schreeuwen, maar weldra hielden ze op of werden onhoorbaar, en alles werd stil. Zijn hoofd deed pijn en zijn ogen zagen spookachtige lichtjes in de duisternis, maar hij deed zijn best zich te vermannen en na te denken. Het was in ieder geval duidelijk dat er geen kans op was dat hij door die poort de orkvesting binnen zou komen; hij zou daar dagen kunnen wachten voor zij openging, en hij kon niet wachten: tijd was ontzettend kostbaar. Hij twijfelde er niet langer aan wat zijn plicht was: hij moest zijn meester redden of bij die poging omkomen. ‘Omkomen is ’t waarschijnlijkste, en zal in elk geval heel wat gemakkelijker zijn,’ zei hij somber bij zichzelf, toen hij Prik in de schede stak en de koperen deuren de rug toekeerde. Tastend liep hij langzaam in het donker door de tunnel terug, want hij durfde het elfenlicht niet te gebruiken; en terwijl hij voortliep probeerde hij de gebeurtenissen sinds hij en Frodo de Wegkruising hadden verlaten in hun verband te zien. Hij vroeg zich af hoe laat het was. Ergens tussen de ene dag en de volgende, veronderstelde hij; maar zelfs van de dagen was hij de tel kwijtgeraakt. Hij was in een land van duisternis waar de dagen van de wereld vergeten schenen, en waar allen die het binnengingen ook vergeten waren. ‘Ik vraag me af of ze ooit aan ons denken,’ zei hij, ‘en wat er daar met hen gebeurt.’ Hij wuifde vaag met de hand door de lucht, maar in werkelijkheid ging hij nu naar het zuiden toen hij terugkwam bij Shelobs tunnel, niet naar het westen. In het westen, in de buitenwereld, liep het naar de middag van de veertiende dag van maart in de Gouwtelling, en op dat ogenblik voerde Aragorn de Zwarte Vloot van Pelargir aan, en Merijn reed met de Rohirrim door het Steenwagendal, terwijl in Minas Tirith vlammen oplaaiden en Pepijn de waanzin in de ogen van Denethor zag toenemen. Maar te midden van al hun zorgen en angst moesten de vrienden telkens weer aan Frodo en Sam denken. Zij waren niet vergeten. Maar ze waren ver buiten het bereik van hulp, en geen gedachte kon Sam Gewissies, zoon van Hamfast, nog bijstand bieden. Hij was volkomen alleen.

Hij kwam eindelijk terug bij de stenen deur van de orkgang en omdat hij nog steeds geen grendel of slot kon ontdekken waarmee zij was afgesloten, klom hij er net als de vorige keer overheen, en liet zich zacht op de grond vallen. Toen ging hij stilletjes verder naar de uitgang van Shelobs tunnel, waar de flarden van haar grote web nog steeds wapperden en zwaaiden in de koude luchtstromingen. Want zij schenen Sam koud toe na de stinkende duisternis erachter; maar hun koelte maakte dat hij herleefde. Hij kroop voorzichtig naar buiten. Alles was onheilspellend stil. Het licht was weinig sterker dan dat van de schemering aan het eind van een donkere dag. De enorme dampen die in Mordor opstegen en naar het westen stroomden, kwamen laag overdrijven, een grote opeenstapeling van wolken en rook die nu van onderen door een dofrode gloed werd verlicht. Sam keek omhoog naar de orktoren en plotseling staarden uit de smalle ramen lichtjes naar buiten, als kleine rode ogen. Hij vroeg zich af of ze een of ander teken waren. Zijn vrees voor de orks, die hij even in zijn woede en wanhoop was vergeten, keerde direct weer terug. Voor zover hij kon zien, kon hij slechts één ding doen: hij moest verdergaan en proberen de hoofdingang van de afschuwelijke toren te vinden; maar zijn knieën waren slap en hij merkte dat hij beefde. Toen hij zijn ogen van de toren en de hoorns van de Kloof voor hem afwendde, dwong hij zijn onwillige voeten hem te gehoorzamen, en langzaam, een en al oor, tuurde hij in de dichte schaduwen van de rotsen naast de weg, en liep terug langs de plaats waar Frodo was gevallen en waar de stank van Shelob nog hing, en toen verder en omhoog tot hij weer in hetzelfde ravijn stond waar hij de Ring had omgedaan en Shagrats compagnie langs had zien trekken. Daar hield hij halt en ging zitten. Op dat ogenblik kon hij zichzelf niet verder opjagen. Hij voelde dat wanneer hij eenmaal over de top van de pas zou gaan en echt een stap benedenwaarts in het land Mordor zou zetten, die stap ook onherroepelijk zou zijn. Hij zou nooit terug kunnen gaan. Zonder een duidelijke bedoeling haalde hij de Ring tevoorschijn en deed hem weer aan zijn vinger. Meteen voelde hij de grote last van zijn gewicht, en voelde opnieuw, maar nog sterker en dwingender dan ooit, de boosaardigheid van het Oog van Mordor; dat zocht en probeerde door de schaduwen die het voor zijn eigen verdediging had opgetrokken, maar die het nu in zijn onrust en twijfel hinderden te dringen. Evenals eerst, merkte Sam dat zijn gehoor scherper was geworden, maar dat voor zijn ogen de dingen van deze wereld ijl en vaag schenen. De rotsachtige wanden van het pad waren onduidelijk, alsof hij ze door een nevel zag, maar toch hoorde hij in de verte het gereutel van Shelob in haar ellende; en rauw en helder, en heel dichtbij scheen het, hoorde hij kreten en het gekletter van metaal. Hij sprong overeind en drukte zich tegen de muur naast de weg. Hij was blij dat hij de Ring had, want hier was weer een orkcompagnie op mars. Of dat dacht hij aanvankelijk. Toen besefte hij plotseling dat het niet zo was; zijn gehoor had hem misleid: de orkkreten kwamen uit de toren, waarvan de bovenste hoorn nu recht boven hem was, aan de linkerkant van de Kloof. Sam huiverde en probeerde zich te dwingen om verder te gaan. Er was ongetwijfeld iets duivels aan de hand. Misschien had de wreedheid van de orks hen, ondanks alle bevelen, overmeesterd en waren zij Frodo aan het martelen, of hem zelfs woest in stukken aan het hakken. Hij luisterde; en terwijl hij dat deed, kreeg hij een sprankje hoop. Er was geen twijfel mogelijk: er werd in de toren gevochten, de orks moesten met elkaar slaags zijn geraakt, Shagrat en Gorbag waren aan het vechten. Al was de hoop die zijn vermoeden hem bracht, flauw, het was toch genoeg om hem te doen handelen. Misschien was er een kleine kans. Zijn liefde voor Frodo kreeg de overhand en zijn gevaar vergetend riep hij uit: ‘Ik kom eraan, meneer Frodo!’ Hij rende naar de top van het stijgende pad en eroverheen. Meteen beschreef de weg een bocht naar links en liep steil naar beneden. Sam was Mordor binnengegaan.

Hij deed de Ring af, wellicht bewogen door een diep voorgevoel van gevaar, hoewel hij zelf alleen maar dacht dat hij duidelijker wilde zien. ‘Het is ’t beste om het ergste onder ogen te zien,’ mompelde hij. ‘’t Heeft geen zin om in mist rond te darren!’ H ard, wreed en bitter was het land dat hij zag. Voor zijn voeten stortte de hoogste rug van de Ephel Dúath zich steil langs grote rotswanden in een donkere laagte; aan de andere kant ervan steeg weer een wand op, veel lager, de rand stomp en gekarteld met spleten als kaken die zich scherp tegen het rode licht daarachter aftekenden: het was de grimmige Morgai, de binnenste kring van de omheiningen van het land. Ver daarachter, maar bijna recht vooruit, over een breed meer van duisternis, bespikkeld met kleine vuren, was een grote laaiende gloed; en daaruit stegen enorme zuilen kringelende rook op, donkerrood bij de wortels, maar zwart op de plek waar het overging in het golvende hemeldak dat het gehele vervloekte land overhuifde. Sam keek naar de Orodruin, de Vuurberg. Af en toe werden de ovens in de diepte onder de asgrijze kegel heet en spuwden met een enorme deining en convulsie rivieren van gesmolten rots uit de afgronden van zijn ingewanden op. Sommige stroomden vlammend door grote kanalen naar de Barad-dûr, andere liepen slingerend omlaag naar de rotsachtige vlakte, tot ze afkoelden en als verwrongen dronken gedaanten neerlagen, uitgebraakt door de gekwelde aarde. Het was in zo’n uur van barensweeën, dat Sam de Doemberg zag, en het licht ervan, afgesneden door het hoge scherm van de Ephel Dúath voor het oog van hen die het pad uit het westen bestegen, scheen nu tegen de steile rotswanden aan, zodat zij met bloed doordrenkt leken. Sam stond verbijsterd in dat afgrijselijke licht, want nu, toen hij naar links keek, kon hij de Toren van Cirith Ungol in heel zijn macht zien. De hoorn die hij van de andere kant had opgemerkt, was alleen maar het bovenste torentje. De oostelijke kant ervan rees met drie grote verdiepingen op van een richel in de bergwand heel ver beneden; de achterkant was naar een grote rotswand erachter toe gekeerd, vanwaar hij uitstak in puntige bastions, boven elkaar, kleiner wordend naarmate zij hoger stegen, met steile wanden van kunstig metselwerk, die op het noordoosten en zuidoosten uitkeken. Rondom de laagste verdieping, tweehonderd voet lager dan Sam nu stond, was een gekanteelde muur die een klein plein omsloot. De poort ervan, op het zuidoosten, kwam uit op een brede weg, waarvan de buitenste kant langs de rand van een afgrond liep tot hij naar het zuiden draaide, en slingerend in de duisternis naar beneden liep en uitkwam op de weg die over de Morgulpas liep. Vandaar ging hij verder door een gekartelde spleet in de Morgai naar het dal van Gorgoroth en vandaar naar de Barad-dûr. De smalle bovenweg waarop Sam stond, liep via trappen en een steil pad recht naar beneden, naar de hoofdweg onder de dreigende muren vlak bij de Torenpoort.