Terwijl hij stond te kijken begreep Sam ineens, bijna met een schok, dat deze vesting niet gebouwd was om vijanden uit Mordor te houden, maar om hen erin te houden. Het was feitelijk een van de werken van Gondor uit het verre verleden, een oostelijke buitenpost van de verdedigingswerken van Ithilien, gemaakt toen de mensen van Westernisse na het Laatste Bondgenootschap de wacht hielden over het boze land van Sauron, waar zijn schepselen nog op de loer lagen. Maar evenals met Narchost en Carchost, de Torens van de Tanden, was hier de waakzaamheid ook verslapt en verraad had de Toren in handen van de Heer van de Ringgeesten doen vallen, en nu was hij al vele jaren lang door kwaadaardige wezens bezet. Sinds zijn terugkeer naar Mordor had Sauron er nuttig gebruik van gemaakt, want hij had weinig dienaren maar vele angstige slaven, en nog altijd was als vanouds het voornaamste doel ervan om ontsnapping uit Mordor onmogelijk te maken. Hoewel, als een vijand zo roekeloos was te proberen dat land in het geheim binnen te dringen, dan was het ook een laatste, nooit slapende bescherming tegen alles wat aan de waakzaamheid van Morgul of Shelob zou kunnen ontsnappen. Sam zag maar al te duidelijk hoe hopeloos het voor hem zou zijn om onder die veelogige muren naar beneden te sluipen en de zwaarbewaakte poort door te gaan. En ook al slaagde hij daarin, dan zou hij niet ver kunnen komen op de bewaakte weg daarachter: zelfs de zwarte schaduwen, die diep lagen waar de rode gloed niet reikte, zouden hem niet lang aan de in het duister ziende ogen van de orks onttrekken. Maar hoe wanhopig als die weg ook mocht zijn, zijn taak was nu veel erger: niet om de poort te vermijden en te ontsnappen, maar deze door te gaan, alleen.
Zijn gedachten gingen naar de Ring, maar dat gaf geen troost, alleen angst en gevaar. Zodra hij in het zicht van de Doemberg was gekomen, die ver weg brandde, werd hij zich ervan bewust dat zijn last veranderde. Toen hij dicht bij de grote ovens kwam, waar hij in de afgrond van de tijd was gevormd en gesmeed, nam de macht van de Ring toe, en hij werd meedogenlozer, ontembaar behalve door een machtige wil. Terwijl Sam daar stond, ook al had hij de Ring niet aan zijn vinger maar hing die aan zijn ketting om zijn hals, voelde hij zich vergroot, alsof hij in een enorme verwrongen schaduw van zichzelf was gekleed, een enorme onheilspellende dreiging, die bij de muren van Mordor tot staan was gekomen. Hij voelde dat hij van nu af aan slechts twee keuzen had: de Ring te verduren hoewel deze hem zou kwellen, of hem op te eisen en de Macht uit te dagen die in zijn donkere vesting achter de vallei der schimmen woonde. De Ring verlokte hem reeds, aan zijn wil en rede knagend. Wilde fantasieën kwamen in zijn hoofd op; en hij zag Sam Gewissies, de Sterke, de Held van de Era, met vlammend zwaard over het verduisterde land schrijden, en legers verzamelden zich op zijn roep terwijl hij op weg was om de Barad-dûr omver te werpen. En toen dreven alle wolken weg en de witte zon scheen, en op zijn bevel werd het dal van Gorgoroth een tuin van bloemen en bomen en bracht vruchten voort. Hij hoefde de Ring alleen maar aan zijn vinger te doen en die voor zich op te eisen; dan kon dit alles werkelijkheid worden. In dat uur van beproeving was het de liefde voor zijn meester die hem het meest hielp standvastig te blijven; maar ook leefde diep in hem nog onoverwonnen zijn gewone hobbitverstand: hij wist in de grond van zijn hart dat hij niet groot genoeg was om een dergelijke last te dragen, ook al waren dergelijke visioenen niet alleen maar bedrog om hem te verraden. Eén tuintje van een vrije tuinman was al wat hij nodig had en hem toekwam; niet een tuin die was uitgegroeid tot een rijk; en zijn eigen handen om te gebruiken, en niet de handen van anderen om te bevelen. ‘En in ieder geval zijn al deze visioenen maar een truc,’ zei hij bij zichzelf. ‘Hij zou mij zien en bang maken voor ik ook maar een schreeuw kon geven. Hij zou me heel gauw in de gaten krijgen als ik de Ring nu aandeed, in Mordor. Nou, het enige dat ik kan zeggen is dat de dingen er even hopeloos uitzien als vorst in het voorjaar. Net nu het werkelijk nuttig zou zijn om onzichtbaar te zijn, kan ik de Ring niet gebruiken! En als ik ooit verder kom, wordt het niets dan een last en een blok aan het been. Dus wat moet ik doen?’ In werkelijkheid twijfelde hij helemaal niet. Hij wist dat hij omlaag naar de poort moest gaan en niet langer dralen. Met een schouderophalen, alsof hij de schaduw van zich wilde afschudden en de fantomen doen verdwijnen, begon hij langzaam af te dalen. Met iedere stap scheen hij kleiner te worden. Hij was nog niet ver gegaan voor hij weer was ingekrompen tot een kleine, bange hobbit. Hij liep nu langs de muren van de Toren zelf, en de kreten en geluiden van strijd kon hij zonder hulp met zijn oren horen. Op dit ogenblik scheen het lawaai van het plein achter de buitenmuur te komen.
Sam was ongeveer halverwege het pad toen er twee orks uit de donkere poort naar de rode gloed kwamen rennen. Zij kwamen niet op hem af. Zij snelden naar de hoofdweg, maar al rennende struikelden zij en vielen op de grond en bleven liggen. Sam had geen pijlen gezien, maar vermoedde dat de orks door anderen op de kantelen of in de schaduw van de poort waren neergeschoten. Hij ging verder en bleef dicht bij de muur aan zijn linkerzijde. Een blik omhoog had hem getoond dat er geen kans op was hem te beklimmen. Het metselwerk steeg tot een hoogte van negen meter, zonder een spleet of richel, naar uitstekende lagen zoals omgekeerde treden. De poort was de enige mogelijkheid. Hij kroop verder en onderwijl vroeg hij zich af hoeveel orks er bij Shagrat in de Toren woonden, en hoeveel Gorbag er had en waar ze ruzie over maakten, als dat hetgene was wat er aan de hand was. Shagrats compagnie had ongeveer veertig man sterk geleken en die van Gorbag bijna twee keer zo groot; maar natuurlijk had Gorbags patrouille maar een deel van zijn garnizoen uitgemaakt. Het was bijna zeker dat zij over Frodo en de buit aan het twisten waren. Een seconde bleef Sam staan, want plotseling scheen alles hem duidelijk, alsof hij het met zijn eigen ogen had gezien. Het mithril-buis! Natuurlijk, Frodo droeg het, en zij zouden het vinden. En naar wat Sam gehoord had, zou Gorbag het inpikken. De orders van de Zwarte Toren waren op het ogenblik Frodo’s enige bescherming, maar als die werden genegeerd, zou Frodo ieder ogenblik gedood kunnen worden. ‘Schiet op, jij lamlendige luilak!’ riep Sam tegen zichzelf. ‘Nu erop af!’ Hij trok Prik en rende naar de openstaande poort. Maar net toen hij onder de grote boog door wilde gaan, voelde hij een schok, alsof hij een web, als dat van Shelob, in was gerend, alleen onzichtbaar. Hij kon geen obstakel zien, maar iets dat sterker was dan zijn wil versperde de weg. Hij keek om zich heen, en toen zag hij in de schaduw van de poort de Twee Wachters. Zij waren als grote figuren die op tronen zaten. Elk had drie aan elkaar vastzittende lichamen en drie hoofden die naar buiten, naar binnen en naar de doorgang van de poort keken. De hoofden hadden de trekken van roofvogels en op hun grote knieën lagen klauwachtige handen. Zij schenen uit enorme steenblokken gehakt te zijn, onbeweeglijk, maar toch huisde er bewustzijn in hen: een of andere afschuwelijke geest van boze waakzaamheid woonde erin. Zij herkenden een vijand. Zichtbaar of onzichtbaar, niemand kon onopgemerkt binnenkomen. Zij zouden zijn binnendringen of ontsnapping verijdelen. Terwijl hij zijn wil verhardde, snelde Sam opnieuw naar voren, maar kwam met een ruk tot stilstand, alsof hij een slag op zijn borst en hoofd had gekregen. Toen, bijzonder roekeloos, omdat hij niets anders wist te bedenken, aan een plotselinge ingeving gehoorzamend, haalde hij langzaam het flesje van Galadriel tevoorschijn en hield het omhoog. Het witte licht ervan werd snel helderder en de schaduwen onder de donkere boog vervlogen. De monsterlijke Wachters zaten daar koud en stil, in heel hun afzichtelijke gedaante onthuld. Een ogenblik zag Sam een glinstering in de zwarte stenen in hun ogen, waarvan de boosaardigheid hem achteruit deed deinzen; maar langzaam voelde hij hun wil wankelen en in angst verkeren. Hij sprong langs hen heen, maar terwijl hij dat deed en het flesje weer tussen zijn kleren verborg, werd hij zich ervan bewust, even duidelijk alsof een barrière weer achter hem was opgeworpen, dat hun waakzaamheid hernieuwd was. En uit die kwaadaardige koppen kwam een hoge schrille kreet die tussen de hem omringende muren weerkaatste. Van ver boven, als een signaal in antwoord, klepte een rauwe bel een keer.