Выбрать главу

‘Die zullen niet komen, of in elk geval niet voor jij dood bent,’ antwoordde Snaga gemelijk. ‘Ik heb je al twee keer gezegd dat Gorbags zwijn het eerst bij de poort was, en dat geen van ons is ontsnapt. Lagduf en Muzgash zijn erdoor gerend, maar ze werden doodgeschoten. Ik heb het uit een raam gezien, zeg ik je. En zij waren de laatsten.’

‘Dan moet jij gaan. Ik moet hier in elk geval blijven. Maar ik ben gewond. Moge die smerige opstandeling Gorbag in de Zwarte Mijnen omkomen.’ Shagrats stem raffelde een reeks smerige namen en vervloekingen af. ‘Ik heb hem meer gegeven dan ik kreeg, maar hij stak z’n mes in me, de smeerlap, voordat ik hem worgde. Je moet gaan, of ik zal je opvreten. We moeten nieuws aan Lugbúrz sturen, anders komen we allebei in de Zwarte Mijnen terecht. Ja, jij ook. Je zult niet ontsnappen door hier te zitten mokken.’

‘Ik ga die trap niet nog eens af,’ gromde Snaga, ‘of je aanvoerder bent of niet. Nooit. Blijf met je handen van je mes af, of ik zal een pijl in je ingewanden schieten. Je zult niet veel langer aanvoerder zijn wanneer Zij van al deze dingen horen. Ik heb voor de Toren tegen die stinkende Morgulratten gevochten, maar jullie twee fijne aanvoerders hebben er een mooie rotzooi van gemaakt door om de buit te vechten.’

‘Zo is het wel genoeg geweest, ja,’ snauwde Shagrat. ‘Ik had mijn orders. Gorbag is ermee begonnen toen hij probeerde dat mooie hemd te stelen.’

‘En jij hebt hem nijdig gemaakt door zo uit de hoogte en belangrijk te doen. En hij had in elk geval meer gezond verstand dan jij. Hij heeft je meer dan eens gezegd dat de gevaarlijkste van deze spionnen nog los rondliep, maar jij wou niet luisteren. En je wilt nu niet luisteren. Gorbag had gelijk, zeg ik je. Er loopt een grote strijder rond, een van die woesthandige elfen of een van die smerige tarks. Hij komt hier, zeg ik je. Je hebt de bel gehoord. Hij is langs de Wachters gekomen en dat is tarks-werk. Hij is op de trap. En ik ga niet naar beneden voor hij eraf is. Al was je een Nazgûl, dan zou ik het nog niet doen.’

‘Dus dat is het, hè?’ riep Shagrat. ‘Je doet dit wel en je doet dat niet? En als hij komt, dan smeer jij ’m zeker en laat mij achter? Nee, dat zal niet gebeuren. Ik zal eerst wat rode madenholen in je buik maken.’ Uit de deur van het torentje kwam de kleinere ork gerend. Hij werd achternagezeten door Shagrat, een grote ork met lange armen, die, terwijl hij voorovergebogen rende, tot op de grond hingen. Maar één arm hing slap neer en scheen te bloeden; in de andere hield hij een groot zwart pak vastgeklemd. In het rode schijnsel zag Sam, die zich gedrukt hield achter de deur van de trap, een glimp van zijn kwaadaardige gezicht toen hij voorbijkwam; het was als door verscheurende klauwen opengehaald en met bloed besmeurd; kwijl droop van de vooruitstekende slagtanden; de mond grauwde als van een beest. Voor zover Sam kon zien joeg Shagrat Snaga het dak rond, totdat de kleinere ork, hem ontwijkend en zich bukkend, met een kreet in het torentje terugsnelde en verdween. Toen bleef Shagrat staan. Uit de oostelijke deur kon Sam hem nu hijgend bij de rand zien staan, terwijl zijn linkerklauw zich zwak samentrok en weer ontspande. Hij legde het pak op de grond en haalde met zijn rechterklauw een lang rood mes tevoorschijn en spoog erop. Hij liep naar de borstwering, boog zich voorover en keek naar de buitenhof in de diepte. Hij riep twee keer, maar er kwam geen antwoord. Plotseling, terwijl Shagrat zich over de rand heen boog, zijn rug naar de top van het dak gekeerd, zag Sam tot zijn verbazing dat een van de op de grond uitgespreide lichamen bewoog. Hij kroop. Hij stak een klauw uit en greep het bundeltje. Hij kwam wankelend overeind. In zijn andere hand hield hij een speer met een brede punt en een korte gebroken schacht. Deze was opgeheven voor een felle stoot. Maar op hetzelfde ogenblik ontsnapte een gesis aan zijn tanden, een geluid van pijn of haat. Vlug als een slang stapte Shagrat opzij, draaide zich met een ruk om en joeg zijn mes in de keel van zijn vijand. ‘Nou heb ik je, Gorbag,’ riep hij uit. ‘Nog niet helemaal dood, hè? Welnu, ik zal mijn karwei meteen afmaken.’ Hij sprong op het gevallen lichaam en stampte en trapte erop in zijn woede, terwijl hij zich nu en dan bukte om er met zijn mes op in te hakken. Toen hij eindelijk bevredigd was, gooide hij het hoofd in de nek en slaakte een afgrijselijke gorgelende overwinningskreet. Toen likte hij zijn mes af, klemde het tussen zijn tanden, nam het pak op en hinkte naar de dichtstbijzijnde deur van de trap. Sam had geen tijd om na te denken. Hij had de andere deur uit kunnen glippen, maar nauwelijks zonder te worden gezien; en hij had niet lang verstoppertje met deze afzichtelijke ork kunnen spelen. Hij deed wat vermoedelijk het beste was dat hij had kunnen doen. Hij sprong met een schreeuw op Shagrat af. Hij had de Ring niet langer vast, maar hij was er weclass="underline" een verborgen macht, een afschrikwekkende dreiging voor de slaven van Mordor; en hij had Prik in zijn hand, en het licht ervan trof de ogen van de ork als het geschitter van wrede sterren in de verschrikkelijke elfenlanden, waarvan de droom een ijzige droom voor al zijn soortgenoten was. En Shagrat kon niet tegelijkertijd vechten en zijn schat vasthouden. Hij bleef grommend staan, zijn slagtanden ontblotend. Toen sprong hij nog eens, op de manier van orks, opzij en toen Sam naar hem toe sprong, gebruikte hij het zware pak als schild en als wapen, en sloeg zijn vijand er hard mee in het gezicht. Sam wankelde en voor hij zich kon herstellen sprong Shagrat langs hem heen, de trap af. Sam rende vloekend achter hem aan, maar hij kwam niet ver. Weldra moest hij weer aan Frodo denken, en hij herinnerde zich dat de andere ork naar het torentje terug was gegaan. Weer werd hij met een afschuwelijke keuze geconfronteerd, maar hij had geen tijd om erover na te denken. Als Shagrat ontsnapte, zou hij gauw hulp krijgen en terugkomen. Maar als Sam hem achternaging, zou de andere ork daarboven weleens iets vreselijks kunnen doen. En in ieder geval zou Sam Shagrat kunnen missen of door hem worden gedood. Hij draaide zich vlug om en rende weer de trap op. ‘Weer verkeerd, verwacht ik,’ verzuchtte hij. ‘Maar ik moet eerst helemaal naar boven gaan, wat er later ook gebeurt.’ Beneden sprong Shagrat de trappen af, de binnenplaats over en de poort door, terwijl hij zijn kostbare last vastklemde. Als Sam hem had kunnen zien en weten welk leed zijn ontsnapping zou brengen, zou hij misschien zijn bezwijmd. Maar nu richtte hij heel zijn aandacht op het laatste stadium van zijn speurtocht. Hij ging voorzichtig naar de deur van het torentje en ging naar binnen. Daarachter lag niets dan duisternis. Maar weldra zagen zijn starende ogen rechts van hem een flauw licht. Het kwam door een opening die naar een andere trap leidde, donker en smal; deze bleek zich langs de binnenkant van de ronde buitenmuur omhoog te wentelen. Ergens omhoog flikkerde een fakkel. Sam begon voorzichtig te klimmen. Hij kwam bij de sputterende toorts die boven een deur aan zijn linkerkant was bevestigd tegenover een smal venster dat op het westen uitkeek: een van de rode ogen die hij en Frodo beneden bij de ingang van de tunnel hadden gezien. Sam ging vlug de deur door en spoedde zich naar de tweede verdieping, vrezend elk ogenblik te worden aangevallen en worgende vingers van achteren naar zijn keel te voelen grijpen. Vervolgens kwam hij bij een raam op het oosten en nog een toorts boven de deur naar een gang die dwars door het torentje liep. De deur stond open; op het schijnsel van de toorts en de rode gloed die van buiten door het smalle raam kwam gefilterd na was de gang donker. Maar hier hield de trap op en steeg niet verder. Sam kroop de gang in. Aan weerskanten was een lage deur: beide waren dicht en vergrendeld. Er klonk geen enkel geluid. ‘Een dood punt,’ mompelde Sam, ‘en dat na die hele klim! Dit kan niet de top van de toren zijn. Maar wat kan ik nu uitrichten?’ Hij rende terug naar de lagere verdieping en probeerde de deur. Er was geen beweging in te krijgen. Hij rende weer naar boven en het zweet begon langs zijn gezicht te lopen. Hij voelde dat zelfs minuten kostbaar waren, maar ze ontsnapten een voor een; en hij kon niets doen. Hij bekommerde zich niet langer om Shagrat of Snaga of enige andere ork die ooit was uitgebroed. Hij verlangde alleen maar naar zijn meester; om heel even zijn gezicht te zien of zijn hand aan te raken. Ten slotte ging hij, moe en verslagen, op een trede onder de overloop zitten en legde het hoofd in de handen. Het was stil, afschuwelijk stil. De toorts, die al laag brandde toen hij was aangekomen, doofde sputterend uit; en hij voelde de duisternis als een vloedgolf over zich heen spoelen. En toen begon Sam tot zijn eigen verbazing daar, aan het vergeefse einde van zijn lange reis en zijn verdriet, bewogen door een onbegrepen gedachte in zijn hart, zacht te zingen. Zijn stem klonk iel en trillend in de koude donkere toren: de stem van een eenzame, vermoeide hobbit die geen luisterende ork ook maar bij vergissing zou kunnen houden voor het klare lied van een elfenheer. Hij mompelde oude kinderwijsjes uit de Gouw, en fragmenten van meneer Bilbo’s rijmen die hem te binnen schoten als vluchtige flitsen van het land waar hij woonde. Maar toen plotseling voelde hij een nieuwe kracht in zich opkomen, en zijn stem schalde, terwijl hijzelf de woorden verzon die bij het eenvoudige wijsje hoorden.