Выбрать главу
Onder de Zon, in ’t westen, thuis, is lente een bloemenwei, de bomen botten, water ruist, de vinken zingen blij. Misschien is het er heldre nacht: aan beuken bloeien daar de elfensterren, witte pracht, tussen hun twijgenhaar.
Hoewel ik aan het eind der reis in duisternis verwijl, weet ik dat boven torens grijs en alle bergen steil de Zon boven de Schaduw schijnt en Sterren ongeteld: ik zeg niet dat de dag nu eindt, zeg Sterren niet vaarwel.

‘Weet ik dat boven torens grijs,’ begon hij opnieuw, en toen hield hij op. Hij dacht dat hij heel zwak een stem had gehoord, die hem antwoordde. Maar nu kon hij niets horen. Ja, hij kon wel iets horen, maar geen stem. Er naderden voetstappen. Nu werd er zacht een deur in de gang boven hem geopend; de scharnieren piepten. Sam hurkte neer en luisterde. De deur sloeg met een doffe bons dicht en toen galmde er een grommende orkstem. ‘Hola! Jij daarboven, kerkerrat! Hou op met dat gepiep of ik zal bij je komen. Hoor je?’ Er kwam geen antwoord. ‘Goed,’ gromde Snaga. ‘Maar ik zal in ieder geval komen kijken om te zien wat je in je schild voert.’

De scharnieren knarsten weer en Sam, die nu over de hoek van de drempel van de overloop keek, zag licht schitteren in een deuropening en de vage gestalte van een ork naar buiten komen. Hij scheen een ladder te dragen. Plotseling daagde het antwoord bij Sam: het bovenste vertrek werd bereikt via een luik in het plafond van de gang. Snaga duwde de ladder omhoog, zette hem stevig neer, beklom hem en verdween. Sam hoorde een grendel terugschuiven. Toen hoorde hij de afschuwelijke stem weer spreken. ‘Hou je koest jij, of ik zal het je betaald zetten! Ik denk dat je niet lang meer in vrede te leven hebt, maar als je de poppen niet meteen aan het dansen wilt hebben, moet je je kop houden. Hier heb je iets om je eraan te herinneren!’ Er klonk een geluid als het knallen van een zweep. Hierop wakkerde de woede in Sams hart plotseling tot een driftbui aan. Hij sprong op, rende en klom als een kat de ladder op. Zijn hoofd dook op in het midden van de vloer van een grote ronde kamer. Een rode lamp hing aan de zoldering; de spleet van het westelijke raam was hoog en donker. Er lag iets op de vloer naast de muur onder het raam, maar daar stond een zwarte figuur overheen gebogen. Deze hief de zweep op, voor de tweede keer, maar de klap viel niet. Met een kreet sprong Sam over de grond, Prik in de hand. De ork draaide zich snel om, maar voor hij een beweging kon maken, hakte Sam de hand met de zweep van zijn arm af. Krijsend van pijn en angst, maar wanhopig stormde de ork met gebogen hoofd op hem af. Sams volgende slag miste zijn doel, en omdat hij zijn evenwicht verloor, viel hij achterover, zich aan de ork vastklampend toen deze over hem struikelde. Voor hij overeind kon krabbelen hoorde hij een kreet en een bons. De ork was in zijn woeste haast over de bovenkant van de ladder gestruikeld en door het open luik gevallen. Sam schonk er geen aandacht aan. Hij rende naar de ineengedoken gestalte op de grond. Het was Frodo.

Hij was naakt en lag als bezwijmd op een hoop vunze vodden; zijn arm was opgestoken om het hoofd te beschermen, en over zijn zij liep een lelijke striem van een zweep. ‘Frodo! Meneer Frodo, beste heer!’ riep Sam, terwijl de tranen hem bijna verblindden. ‘Het is Sam. Ik ben gekomen!’ Hij tilde zijn meester half op en drukte hem aan de borst. Frodo opende zijn ogen. ‘Droom ik nog?’ mompelde hij. ‘Maar de andere dromen waren afschuwelijk.’

‘U droomt helemaal niet, meester,’ zei Sam. ‘Het is echt. Ik ben het. Ik ben gekomen.’

‘Ik kan het nauwelijks geloven,’ zei Frodo, terwijl hij hem stevig vasthield. ‘Er was een ork met een zweep, en toen veranderde hij in Sam! Dus dan droomde ik toch niet toen ik dat zingen beneden hoorde, en ik probeerde te antwoorden. Was jij dat?’

‘Inderdaad, meneer Frodo. Ik had de hoop bijna opgegeven. Ik kon u niet vinden.’

‘Maar nu heb je me gevonden, Sam, beste Sam,’ zei Frodo, en hij ging achterover liggen in Sam s vriendelijke armen en sloot de ogen als een kind dat rust, wanneer de angst voor de nacht door een geliefde stem of hand is verdreven. Sam voelde dat hij zo in een nooit eindigend geluk kon blijven zitten; maar het mocht niet. Het was niet genoeg dat hij zijn meester had gevonden, hij moest hem ook nog proberen te redden. Hij kuste Frodo’s voorhoofd. ‘Kom. Word wakker, meneer Frodo!’ zei hij en hij probeerde zijn stem even opgewekt te doen klinken als toen hij de gordijnen in Balingshoek op een zomermorgen had opengeschoven. Frodo zuchtte en ging overeind zitten. ‘Waar zijn we? Hoe ben ik hier gekomen?’ vroeg hij. ‘Er is geen tijd voor verhalen tot we ergens anders zijn, meneer Frodo,’ zei Sam. ‘Maar u bent nu boven in die Toren die u en ik helemaal beneden bij de tunnel zagen voor de orks u te pakken kregen. Hoe lang dat geleden is weet ik niet. Meer dan een dag, denk ik.’