‘Zo kort maar?’ vroeg Frodo. ‘Het lijkt wel weken. Je moet me er alles van vertellen, als we de kans krijgen. Ik werd door iets getroffen, niet? En ik viel in duisternis en gruwelijke dromen, en werd wakker en merkte dat wakker worden nog erger was. Overal om mij heen waren orks. Ik denk dat ze even tevoren een afschuwelijke brandende drank door mijn keel hadden gegoten. Mijn hoofd werd helder, maar ik had pijn en was moe. Ze namen alles van me af; en toen kwamen er twee grote bruten ze en ondervroegen me tot ik dacht dat ik gek zou worden, en stonden over me heen gebogen, zich te verlustigen en hun dolken te betasten. Ik zal hun klauwen en ogen nooit vergeten.’
‘Niet als u over ze blijft praten, meneer Frodo,’ zei Sam. ‘En als we ze niet meer willen zien – hoe vlugger we ervandoor gaan, hoe beter. Kunt u lopen?’
‘Ja, ik kan lopen,’ zei Frodo terwijl hij langzaam opstond. ‘Ik ben niet gewond, Sam. Alleen voel ik me erg moe, en ik heb hier pijn.’ Hij legde zijn hand op zijn nek boven de linkerschouder. Hij stond op en het kwam Sam voor alsof hij in vlammen gekleed was; zijn naakte huid was scharlakenrood in het licht van de lamp aan de zoldering. Twee keer liep hij over de vloer heen en weer. ‘Dat is beter!’ zei hij, terwijl hij weer een beetje moed kreeg. ‘Als ik me durfde te bewegen toen ik alleen was, kwam een van de wachten eraan. Totdat het gegil en het vechten begonnen. De twee grote bruten: zij maakten ruzie, denk ik. Om mij en mijn bezittingen. Ik lag hier in doodsangst. En toen werd alles doodstil, en dat was nog erger.’
‘Ja, waarschijnlijk maakten ze ruzie,’ zei Sam. ‘Er moeten een paar honderd van die vuige schepsels hier zijn geweest. Een nogal zware opgave voor Sam Gewissies, zou u kunnen zeggen. Maar zij hebben elkaar allemaal afgemaakt. Dat is een geluk, maar het duurt te lang om er een lied op te maken voordat we hier weg zijn. Wat moeten we nu doen? U kunt niet poedelnaakt in het Zwarte Land rondlopen, meneer Frodo.’
‘Ze hebben alles van me afgenomen, Sam,’ zei Frodo. ‘Alles wat ik had. Begrijp je. Alles.’ Hij kromp weer met gebogen hoofd op de vloer ineen, alsof zijn eigen woorden hem de volle omvang van de ramp deden beseffen, en wanhoop hem overmeesterde. ‘De queeste is mislukt, Sam. Zelfs al komen we hier uit, we kunnen toch niet ontsnappen. Alleen elfen kunnen ontsnappen. Ver weg, weg uit Midden-aarde, ver over de zee. Als die tenminste breed genoeg is om de Schaduw tegen te houden.’
‘Nee, niet alles, meneer Frodo. En hij is niet mislukt, nog niet. Ik heb hem genomen, meneer Frodo, met uw permissie. En ik heb hem veilig bewaard. Hij hangt nu om mijn nek en het is een vreselijk zware last, dat moet ik zeggen.’ Sam zocht frommelend naar de Ring en de ketting. ‘Maar ik veronderstel dat u hem terug moet nemen.’ Nu het zover was, had Sam niet veel zin om de Ring terug te geven en er zijn meester weer mee te belasten. ‘Heb jij hem?’ bracht Frodo met moeite uit. ‘Heb jij hem daar? Sam, je bent geweldig!’ Toen ineens veranderde de toon van zijn stem. ‘Geef hem aan mij!’ riep hij uit, terwijl hij opstond en een bevende hand uitstak. ‘Geef hem onmiddellijk aan mij. Je mag hem niet hebben!’
‘Goed, meneer Frodo,’ zei Sam, nogal onthutst. ‘Hier is-ie!’ Langzaam haalde hij de Ring tevoorschijn en liet de ketting over zijn hoofd glijden. ‘Maar u bent nu in het land Mordor, meneer; en als u buiten komt zult u de Vuurberg en zo zien. U zult merken dat de Ring nu heel gevaarlijk is, en heel zwaar om te dragen. Als het een te moeilijke opgave is, zou ik u misschien kunnen helpen.’
‘Nee, nee!’ riep Frodo uit, terwijl hij de Ring en de ketting uit Sams handen griste. ‘Nee, dat zul je niet, dief.’ Hij hijgde en staarde Sam aan met ogen die wijd open stonden van angst en vijandschap. Toen plotseling, terwijl hij de Ring in een gebalde vuist klemde, stond hij als verstomd. Een mist scheen voor zijn ogen op te trekken en hij veegde met de hand over zijn pijnlijke voorhoofd. Het afschuwelijke visioen had hem zo echt toegeschenen, half verdoofd als hij nog was door zijn wond en de angst. Sam was voor zijn ogen in een ork veranderd, die met wellust naar zijn schat keek en hem streelde, een smerig schepseltje met begerige ogen en een kwijlende mond. Maar nu was het visioen voorbij. Daar knielde Sam voor hem neer, zijn gezicht verwrongen van pijn alsof hij in het hart was gestoken; tranen kwamen uit zijn ogen. ‘O Sam!’ riep Frodo. ‘Wat heb ik gezegd? Wat heb ik gedaan? Vergeef me! Na alles wat je hebt gedaan. Het is de gruwelijke macht van de Ring. Ik wou dat hij nooit, nooit, nooit was gevonden. Maar let niet op mij, Sam. Ik moet de last tot het einde toe dragen. Dat kan niet worden veranderd. Jij kunt niet tussen mij en dit noodlot komen.’
‘Dat is dik in orde, meneer Frodo,’ zei Sam, terwijl hij met zijn mouw langs zijn ogen veegde. ‘Ik begrijp het. Maar ik kan toch nog helpen, nietwaar? Ik moet u hier nog uit zien te krijgen. Onmiddellijk, begrijpt u. Maar eerst moet u kleren hebben en een uitrusting, en daarna wat eten. De kleren zijn het gemakkelijkst. Aangezien we in Mordor zijn, kunnen we ons het beste op z’n Mordors kleden; en hoe dan ook, er is niet veel keus. U zult met orkspullen genoegen moeten nemen, meneer Frodo, vrees ik. En ik ook. Als we samen gaan, is het ’t beste om er eender uit te zien. Doe dit maar eens om u heen!’ Sam gespte zijn grijze mantel los en sloeg die om Frodo’s schouders. Toen liet hij zijn pak van de rug glijden en legde het op de grond. Hij haalde Prik uit de schede. Er was nauwelijks een schittering op het staal te zien. ‘Dat vergat ik bijna, meneer Frodo,’ zei hij. ‘Nee, ze hebben niet alles ingepikt. U hebt mij Prik geleend, weet u nog wel, en het flesje van de Vrouwe. Ik heb ze allebei nog. Maar leen ze mij nog wat langer, meneer Frodo. Ik moet gaan kijken wat ik kan vinden. Blijft u maar hier. Loop een beetje rond en strek uw benen. Ik ben zo terug. Ik zal niet ver hoeven te gaan.’
‘Wees voorzichtig, Sam,’ zei Frodo. ‘En wees vlug! Misschien zijn er nog orks in leven, die in een hinderlaag liggen.’
‘Ik moet het erop wagen,’ zei Sam. Hij liep naar het luik en liet zich de ladder afglijden. Even later kwam zijn hoofd weer tevoorschijn. Hij gooide een lang mes op de grond.
‘Hier is iets dat van nut zou kunnen zijn,’ zei hij. ‘Hij is dood, degene die u met de zweep sloeg. Zijn nek gebroken, schijnt het, in zijn haast. Trekt u nu de ladder op, als u kunt, meneer Frodo, en laat hem niet neer tot u mij het wachtwoord hoort roep en. Elbereth zal ik roepen. Wat de elfen zeggen. Geen enkele ork zou dat zeggen.’
Frodo bleef een tijdje zitten en huiverde, terwijl er afschuwelijke angsten door zijn hoofd spookten. Toen stond hij op, trok de grijze elfenmantel om zich heen, en om zijn geest bezig te houden, begon hij te ijsberen, turend en glurend in iedere hoek van zijn gevangenis. Het duurde niet erg lang, hoewel zijn angst het minstens een uur deed schijnen, voor hij Sams stem beneden zachtjes hoorde roepen: Elbereth, Elbereth! Frodo liet de lichte ladder zakken. Sam kwam naar boven, puffend, een zwaar pak op het hoofd torsend. Hij liet het met een bons vallen. ‘Vlug nu, meneer Frodo,’ zei hij. ‘Ik heb behoorlijk moeten zoeken om iets te vinden dat klein genoeg is voor onze soort. We zullen ons ermee moeten behelpen. Maar we moeten ons haasten. Ik ben niets levends tegengekomen en ik heb niets gezien, maar ik ben niet gerust. Ik denk dat deze plaats in de gaten wordt gehouden. Ik kan het niet uitleggen, maar eh, ik heb het gevoel alsof een van die smerige vliegende Ruiters in de buurt was, in de zwartheid waar hij onzichtbaar is.’ Hij opende het pak. Frodo keek met afschuw naar de inhoud, maar er zat niets anders op: hij moest de spullen aantrekken, of naakt lopen. Er was een lange harige broek van een smerig soort beestenvel, en een tuniek van vuil leer. Hij trok ze aan. Over de tuniek ging een jas van sterke maliën, kort voor een volwassen ork, maar te lang voor Frodo en zwaar. Daaromheen gespte hij een riem waaraan een korte schede hing met een breed steekzwaard. Sam had verscheidene orkhelmen meegebracht. Eén ervan paste Frodo precies, een zwarte kepie met ijzeren rand en ijzeren lussen, bedekt met leer waarop het boze oog in rood boven de snavelachtige neusbeschermer was geschilderd. ‘De Morgulspullen, Gorbags uitrusting, pasten beter en waren beter gemaakt,’ zei Sam, ‘maar het zou niet goed zijn, denk ik, om zijn aandenkens naar Mordor te brengen, niet na deze kwestie hier. Welnu, u bent klaar, meneer Frodo. Een volmaakte kleine ork, als ik zo vrij mag wezen – dat zou u tenminste zijn als we uw gezicht met een masker konden bedekken, u langere armen konden geven en u kromme benen zou hebben. Dit zal enkele van de dingen die u verraden bedekken.’ Hij wierp een grote zwarte mantel om Frodo’s schouders. ‘Nu bent u klaar! U kunt onderweg een schild oppikken.’