Выбрать главу

‘Maar dat kunnen we niet,’ zei Sam, ‘niet zonder vleugels.’

De oostelijke wanden van de Ephel Dúath waren steil, en vielen in klif en afgrond naar de zwarte sleuf die tussen hen en de binnenste kam in lag. Een eindje voorbij het kruispunt, na nog een steile helling, sprong een stenen brug over de afgrond en voerde de weg naar de rotsachtige hellingen en de dalen van de Morgai. Met een wanhopige sprint snelden Frodo en Sam de brug over; maar zij hadden de overkant nauwelijks bereikt toen zij de achtervolging hoorden beginnen. Achter hen, nu hoog boven de helling van de berg, rees de Toren van Cirith Ungol dreigend op; zijn stenen glansden dof. Plotseling klonk de rauwe bel opnieuw en begon toen ontredderd te kleppen. Hoorns schalden. En nu kwamen er van het einde van de brug kreten ten antwoord. Helemaal beneden in de donkere sleuf, afgesneden van de stervende gloed van de Orodruin, konden Sam en Frodo niet voor zich uitzien, maar zij hoorden het stampen van met ijzer beslagen schoenen al, en op de weg klonk het snelle geklepper van hoeven. ‘Vlug, Sam. Eroverheen!’ riep Frodo uit. Zij klauterden op de lage borstwering van de brug. Gelukkig wachtte hun niet langer een afschuwelijke val in de afgrond, want de hellingen van de Morgai waren al tot het niveau van de weg gestegen; maar het was te donker om de diepte van de val te kunnen raden. ‘Nou, daar gaat-ie dan, meneer Frodo!’ zei Sam. ‘Vaarwel!’ Hij liet zich vallen. Frodo volgde. En terwijl zij vielen hoorden zij het lawaai van Ruiters die over de brug stormden en het gekletter van orkvoeten die erachteraan kwamen rennen. Maar Sam zou hebben gelachen als hij gedurfd had. Half vrezend dat zij hun botten op onzichtbare rotsen zouden breken, belandden de hobbits na een val van hoogstens twaalf voet met een bons en gekraak in het laatste dat zij hadden verwacht: een wirwar van doornachtige bosjes. Sam bleef daar stil liggen terwijl hij aan een geschramde hand zoog. Toen het geluid van hoeven en voeten voorbij was, waagde hij het te fluisteren. ‘Wat een zegen, meneer Frodo, maar ik wist niet asdat er iets groeide in Mordor! Maar als ik het geweten had, dan is dit precies waar ik naar zou hebben uitgekeken. Deze doorns moeten wel dertig centimeter lang zijn, zo te voelen: ze zijn door alles wat ik aan heb heen gedrongen. Ik wou dat ik dat maliënhemd had aangetrokken.’

‘Orkmaliën houden deze doorns niet tegen,’ zei Frodo. ‘Zelfs een leren buis helpt niet.’

Zij hadden grote moeite om uit het bosje te komen. De doorns en struiken waren taai als ijzerdraad en klitten als klauwen. Hun kleren waren gescheurd en aan flarden voor zij zich ten slotte bevrijdden. ‘En nu maar omlaag, Sam,’ fluisterde Frodo. ‘Het dal in, vlug, en dan naar het noorden, zo vlug als we maar kunnen.’ Het werd weer dag in de buitenwereld, en ver achter de duisternis van Mordor klom de zon over de oostelijke rand van Midden-aarde; maar hier was alles nog donker als de nacht. De Berg smeulde en zijn vuren doofden. De gloed ervan vervaagde op de rotswanden. De oostenwind, die gewaaid had sinds zij Ithilien verlieten, scheen nu helemaal te zijn gaan liggen. Langzaam en met moeite klauterden zij naar beneden, tastend, struikelend, klauterend over rotsen, doornstruiken en kreupelhout in de blinde schaduwen, almaar lager tot zij niet verder konden. Ten slotte bleven zij staan en gingen naast elkaar zitten, met hun ruggen tegen een grote steen. Beiden zweetten. ‘Als Shagrat mij in eigen persoon een glas water zou aanbieden, zou ik hem de hand schudden,’ zei Sam. ‘Dat soort dingen moet je niet zeggen!’ zei Frodo. ‘Dat maakt het alleen nog maar erger.’ Toen strekte hij zich uit, duizelig en vermoeid, en zei een tijdje niets meer. Eindelijk stond hij met grote moeite weer op. Tot zijn verbazing zag hij dat Sam sliep. ‘Word eens wakker, Sam,’ zei hij. ‘Kom mee. Het is tijd dat we nog een poging wagen.’ Sam krabbelde overeind. ‘Wel heb ik ooit!’ zei hij. ‘Ik moet in slaap zijn gevallen. Het is langgeleden, meneer Frodo, sinds ik behoorlijk geslapen heb, en mijn ogen zijn vanzelf dichtgevallen.’

Frodo ging nu voorop, naar het noorden voor zover hij kon gissen, tussen de stenen en rotsblokken waarmee de bodem van het grote ravijn lag bezaaid. Maar weldra hield hij weer halt. ‘Het gaat niet, Sam,’ zei hij. ‘Ik kan niet verder. Ik bedoel dit maliënhemd. Niet in mijn huidige conditie. Zelfs mijn mithril-buis scheen zwaar als ik moe was. Dit is nog veel zwaarder. En wat heeft het voor zin? We halen het toch niet door te vechten.’

‘Maar misschien zullen we het toch moeten doen,’ zei Sam. ‘En er zijn dolken en verdwaalde pijlen. Die Gollem is in ieder geval niet dood. Ik vind het geen prettig idee dat er niets anders dan een stukje leer tussen u en een dolksteek in het donker is.’

‘Kijk eens hier, Sam, beste jongen,’ zei Frodo, ‘ik ben moe, lusteloos, ik heb geen hoop meer. Maar ik moet blijven proberen de Berg te bereiken zolang ik mij kan bewegen. De Ring is genoeg. Dit extra gewicht is moordend. Ik moet er vanaf. Maar denk niet dat ik ondankbaar ben. Ik vind het verschrikkelijk als ik denk aan het smerige werk dat je tussen die lijken moet hebben gehad om mij te vinden.’

‘Praat er niet over, meneer Frodo. Lieve hemel! Ik zou u op mijn rug dragen als ik kon. Trek het dan uit!’ Frodo legde zijn mantel neer, trok het orkmaliënjak uit en gooide het weg. Hij huiverde even. ‘Wat ik werkelijk nodig heb is iets warms,’ zei hij. ‘Het is koud geworden of misschien heb ik kougevat.’

‘U mag mijn mantel hebben, meneer Frodo,’ zei Sam. Hij liet het pak van zijn rug glijden en haalde de elfenmantel eruit. ‘Wat vindt u hiervan, meneer Frodo?’ vroeg hij. ‘Wikkel dat orkvod maar dicht om u heen en doe de riem erover. Dan kan dit over dat alles heen. Het ziet er wel niet erg orkig uit, maar het zal u warmer houden; en ik wed dat het u beter tegen kwaad beschermt dan al die andere spullen. Het is door de Vrouwe gemaakt.’ Frodo nam de mantel en maakte de broche vast. ‘Dat is beter!’ zei hij. ‘Ik voel me veel lichter. Ik kan nu verdergaan. Maar dit blinde duister schijnt mijn hart te verstikken. Toen ik gevangen was, Sam, probeerde ik mij de Brandewijn en Houtenhage en Het Water dat door de molen in Hobbitstee stroomt te herinneren. Maar ik kan ze nu niet zien.’

‘Nou, meneer Frodo, deze keer bent u degene die over water praat,’ zei Sam. ‘Kon de Vrouwe ons nu maar zien of horen, dan zou ik tegen haar zeggen: “Edele Vrouwe, het enige dat wij ons wensen is licht en water: gewoon schoon water en gewoon daglicht, beter dan welke juwelen ook, als u me niet kwalijk neemt.” Maar Lórien is heel ver weg.’ Sam zuchtte en wuifde met zijn hand naar de hoogten van de Ephel Dúath, die ze nu slechts vermoedden als een diepere zwartheid tegen de zwarte hemel.

Ze gingen weer op weg. Ze waren nog niet ver gegaan toen Frodo halt hield. ‘Er is een Zwarte Ruiter boven ons,’ zei hij. ‘Ik kan hem voelen. We moesten ons maar een tijdje stilhouden.’ Ze zaten gehurkt aan de voet van een groot rotsblok, met hun gezichten naar het westen gekeerd, en zeiden enige tijd niets. Toen slaakte Frodo een zucht van verlichting. ‘Hij is weg,’ zei hij. Zij stonden op en bleven toen beiden met grote verbazing staan staren. Links van hen, in het zuiden, tegen een hemel die grijs werd, begonnen de toppen en hoge kammen van de grote keten zich donker en zwart als duidelijke vormen af te tekenen. Het licht erachter werd sterker. Langzaam kroop het naar het noorden. Er was een slag gaande in de hoge regionen van de lucht. De bollende wolken van Mordor werden teruggedreven, en hun randen rafelden toen er een wind uit de wereld der levenden opstak en de dampen en rook naar het duistere land waar zij thuishoorden terugdreef. Onder de opwaaiende randen van het sombere hemelgewelf kwam een flauw licht Mordor binnensiepelen, als een bleke ochtend door het beroete raam van een gevangenis.