Выбрать главу

‘Kijk eens, meneer Frodo,’ zei Sam. ‘Kijk eens! De wind is gedraaid. Er gebeurt iets. Het gaat niet allemaal zoals hij het wil. Zijn duisternis wordt daarginds in de wereld gebroken. Ik wou dat ik kon zien wat er aan de hand was!’ Het was de ochtend van de vijftiende maart en boven het dal van de Anduin rees de zon boven de schaduw in het oosten, en er woei een zuidwestenwind. Théoden lag stervend op de velden van de Pelennor. Toen Sam en Frodo daar stonden te kijken, verbreidde zich de rand van licht helemaal langs de omtrekken van de Ephel Dúath, en toen zagen zij een gedaante die met grote snelheid uit het westen kwam; aanvankelijk een zwarte vlek tegen de glinsterende rand boven de bergtoppen, maar steeds groter wordend, totdat hij zich als een vuurpijl in het donkere baldakijn stortte en hoog boven hun hoofden voorbijtrok. Ondertussen slaakte hij een langgerekte schrille kreet, de stem van een Nazgûl; maar zijn kreet joeg hen niet langer angst aan; het was een kreet van pijn en ontzetting: slecht nieuws voor de Zwarte Toren. De Heer van de Ringgeesten was ondergegaan. ‘Wat heb ik u gezegd? Er is iets aan de hand!’ riep Sam uit. ‘“Het gaat goed met de oorlog,” zei Shagrat, maar Gorbag was er niet zo zeker van. En hij had gelijk. Het begint er beter uit te zien, meneer Frodo. Hebt u nu niet enige hoop?’

‘Nee, niet zoveel, Sam,’ zei Frodo met een zucht. ‘Die is achter de bergen. Wij gaan naar het oosten, niet naar het westen. En ik ben zo moe. En de Ring is zo zwaar, Sam. En ik begin hem voortdurend in mijn gedachten te zien, als een groot vurig rad.’ Sams stemming daalde meteen. Hij keek zijn meester bezorgd aan en pakte hem bij de hand. ‘Kom, meneer Frodo!’ zei hij. ‘Ik heb tenminste één ding dat ik graag wilde hebben: een beetje licht. Genoeg om ons te helpen, maar ik denk ook dat het gevaarlijk is. Probeer nog wat verder te gaan, en daarna zullen we ons schuilhouden en wat rusten. Maar eet nu eerst iets, een stukje van het elfenvoedsel; misschien sterkt het u.’

Zij deelden samen een lembas-wafel, en terwijl ze er zo goed mogelijk met hun uitgedroogde monden op kauwden, sjokten Frodo en Sam verder. Hoewel het licht nauwelijks meer dan een grijze schemering was, was het nu genoeg om te zien dat zij zich diep in het dal tussen de bergen bevonden. Het liep geleidelijk naar het noorden omhoog, en op de bodem ervan was de bedding van een nu opgedroogd, verpieterd stroompje. Aan de andere kant van de rotsachtige bedding zagen zij een gebaand pad dat slingerend onder aan de voet van de westelijke rotswanden liep. Als ze het geweten hadden, hadden zij het vlugger kunnen bereiken, want het was een pad dat aan het westelijke einde van de brug van de grote Morgulweg afboog en via een lange trap, die in de rotsen was uitgehouwen, naar de bodem van het dal liep. Het werd gebruikt door patrouilles of koeriers die zich snel naar kleinere posten en forten in het noorden begaven, tussen Cirith Ungol en de engten van de Isenmonde, de ijzeren kaken van de Carach Angren. Het was nu levensgevaarlijk voor de hobbits om een dergelijk pad te gebruiken, maar zij moesten zich haasten en Frodo voelde dat hij de inspanning van het klauteren over keien of in de ongebaande dalen van de Morgai niet aankon. En naar zijn oordeel zouden de achtervolgers op de laatste plaats verwachten dat zij naar het noorden gingen. De weg ten oosten van de vlakte of de pas achter hen in het westen zouden ze waarschijnlijk het eerst grondig doorzoeken. Pas als hij een heel eind ten noorden van de Toren was, zou hij teruggaan en een pad zoeken dat hem naar het oosten zou voeren: oostwaarts op de laatste wanhopige etappe van zijn reis. Dus staken zij nu de rotsachtige bedding over, namen het orkpad en volgden dat enige tijd. De rotswanden aan hun linkerzijde waren begroeid, en van boven waren zij onzichtbaar, maar het pad beschreef vele bochten en bij iedere bocht grepen zij naar hun zwaarden en gingen voorzichtig verder. Het licht nam nu niet meer toe, want de Orodruin was nog altijd enorme rookwolken aan het uitspuwen die, door de luchtstromingen omhoog gestuwd, hoger en hoger stegen, totdat ze een gebied boven de wind bereikten en uitwaaierden tot een onmetelijk dak, waarvan de middelste zuil uit de schaduwen oprees en zich aan hun blik onttrok. Zij hadden meer dan een uur gesjouwd toen zij een geluid hoorden dat hen deed stilstaan. Ongelooflijk, maar onmiskenbaar. Druppelend water. Uit een ravijn links, zo scherp en smal dat het leek alsof de zwarte rotswand door een enorme bijl was gespleten, kwam water omlaag druppelen: het restant wellicht van een zoete regen die uit zonovergoten zeeën was opgestegen, maar gedoemd was om ten slotte op de muren van het Zwarte Land neer te komen en vruchteloos in het stof te zakken. Hier kwam het uit de rots als een klein vallend stroompje en liep over het pad. Het liep naar het zuiden en was weldra niet meer te zien tussen de dode stenen. Sam sprong eropaf. ‘Als ik de Vrouwe ooit weerzie, zal ik het haar zeggen!’ riep hij uit. ‘Licht en nu water!’ Toen bleef hij staan. ‘Laat mij eerst drinken, meneer Frodo,’ zei hij.

‘Goed, maar er is ruimte genoeg voor twee.’

‘Dat bedoelde ik niet,’ zei Sam. ‘Ik bedoel, als het giftig is, of iets anders dat vlug laat zien dat het bedorven is, welnu, dan liever ik dan u, meester, als u me vat.’

‘Dat doe ik. Maar ik vind dat we ons geluk samen moeten beproeven, Sam, of onze zegen. Wees voorzichtig als het erg koud is.’ Het water was koel, maar niet ijskoud en het had een nare smaak, bitter en ranzig, zo zouden ze het tenminste thuis hebben gezegd. Hier scheen het boven alle lof en boven alle angst of behoedzaamheid verheven. Zij dronken tot ze niet meer konden en Sam vulde zijn waterfles. Daarna voelde Frodo zich beter, en zij gingen weer een paar mijl verder tot de weg breder werd en het begin van een grove muur langs de rand ervan hen waarschuwde dat zij een andere orkvesting naderden. ‘Hier moeten we weer afslaan, Sam,’ zei Frodo. ‘En we moeten naar het oosten.’ Hij zuchtte toen hij naar de sombere bergruggen aan de andere kant van het dal keek. ‘Ik heb ongeveer nog net genoeg kracht over om daarboven ergens een hol te vinden. En dan moet ik wat rusten.’

De bedding van de rivier lag nu een eindje lager dan het pad. Zij lieten zich erin afzakken en staken haar over. Tot hun verbazing kwamen ze bij donkere poelen die gevoed werden door minieme stroompjes water, die uit een bron hogerop in het dal kwamen. Aan de buitenste rand ervan, onder de westelijke bergen, was Mordor een stervend land, maar het was nog niet dood. En hier groeiden nog wat planten, ruw, verwrongen, bitter, vechtend om te leven. In de dalen van de Morgai aan de andere kant van de vallei wachtten lage miezerige bomen dicht bij elkaar, grove grijze graspollen vochten tegen de stenen, en verdorde mossen kropen eroverheen; en overal grepen grote kronkelende en verwarde doornstruiken om zich heen. Sommige hadden lange stekelige doorns, andere weerhaken die als messen sneden. De verdorde bladeren van vorig jaar hingen er nog aan, knisperend en ritselend in de sombere lucht, maar hun door maden aangevreten knoppen begonnen net open te gaan. Vliegen, donker, grijs of zwart, getekend als orks met een rode stip in de vorm van een oog, zoemden en staken; en boven de doornbosjes dansten en warrelden wolken hongerige muskieten. ‘Orkuitrusting is niks waard,’ zei Sam, met de armen zwaaiend. ‘Ik wou dat ik de huid van een ork had.’ Ten slotte kon Frodo niet verder. Zij waren nu door een nauw ravijn met richels naar boven geklommen, maar ze hadden nog een heel eind te gaan voor ze de laatste gekartelde rug zouden kunnen zien. ‘Ik moet nu rusten, Sam, en slapen als ik kan,’ zei Frodo. Hij keek om zich heen, maar er scheen in dit naargeestige land zelfs voor een dier nergens een plaats te zijn om in weg te kruipen. Eindelijk kropen zij uitgeput onder een gordijn van braamstruiken dat als een warrig scherm over een lage bergwand neerhing. Daar gingen zij zitten en bereidden zo goed en zo kwaad als ze konden een maaltijd. De kostbare lembas voor de slechte tijden die voor hen lagen bewarend, aten zij de helft van wat er in Sams tas van Faramirs voorraad over was: wat gedroogde vruchten en een stukje gezouten vlees; en zij dronken enkele teugen water. Zij hadden weer uit de poelen in het dal gedronken, maar zij waren dan ook erg dorstig. Er zat een bittere smaak in de lucht die de keel droog maakte. Wanneer Sam aan water dacht begon zelfs zijn hoopvolle geest de moed te verliezen. Achter de Morgai lag de afschuwelijke vlakte van Gorgoroth, die zij moesten oversteken. ‘Gaat u maar eerst slapen, meneer Frodo,’ zei hij. ‘Het begint weer donker te worden. Ik veronderstel dat deze dag bijna om is.’ Frodo zuchtte en sliep al bijna voordat de woorden waren gesproken. Sam vocht tegen zijn eigen vermoeidheid en pakte Frodo’s hand; en daar bleef hij stilzitten tot de diepe nacht viel. Toen eindelijk, om zich wakker te houden, kroop hij uit de schuilplaats en keek naar buiten. Het land scheen vol gekners en gekraak en bedrieglijke geluiden, maar er was geen geluid van stem of voet. Ver boven de Ephel Dúath in het westen was de nachtelijke hemel nog flets en vaag. Daar zag Sam tussen voortdrijvende wolken boven een donkere piek hoog in de bergen even een witte ster schitteren. De schoonheid ervan ontroerde zijn hart toen hij uit het verlaten land opkeek, en hij kreeg weer hoop. Want als een pijl, klaar en koud, drong de gedachte tot hem door dat de Schaduw ten slotte iets kleins, voorbijgaands was, er was licht en hoge schoonheid voor altijd buiten zijn bereik. Zijn lied in de Toren was veeleer uitdaging dan hoop geweest, want toen dacht hij aan zichzelf. Nu verontrustten een moment zijn eigen lot en zelfs dat van zijn meester hem niet langer. Hij kroop weer in de braamstruiken terug en ging naast Frodo liggen, schudde alle angst van zich af en liet zich in een diepe ongestoorde slaap zinken.