Zij werden samen wakker, hand in hand. Sam voelde zich bijna monter, klaar voor een nieuwe dag; maar Frodo zuchtte. Hij had onrustig geslapen en veel over vuur gedroomd, en het ontwaken bracht hem geen soelaas. Maar toch was zijn slaap niet zonder genezende kracht geweest: hij was sterker, beter in staat om zijn last een etappe verder te dragen. Zij wisten niet hoe laat het was of hoe lang zij hadden geslapen; maar na wat te hebben gegeten en een slok water te hebben gedronken, gingen zij verder door het ravijn omhoog tot dit op een steile helling van puin en losse stenen eindigde. Daar gaven de laatste levende wezens hun strijd op; op de toppen van de Morgai groeide geen sprietje gras: zij waren leeg, gekarteld, kaal als een lei. Na veel zwerven en zoeken vonden zij een weg die zij konden beklimmen, en na een laatste honderd voet geklauterd te hebben waren zij boven. Zij kwamen bij een kloof tussen twee donkere spleten en toen zij erdoor gingen, zagen zij dat ze zich vlak bij de rand van de laatste omheining van Mordor bevonden. Beneden hen, op de bodem van een ravijn dat ongeveer vijftienhonderd voet diep was, lag de binnenste vlakte, die zich in een vormloze duisternis tot buiten hun zicht uitstrekte. De wind van de wereld woei nu uit het westen, en de grote wolken werden hoog opgetild en dreven in oostelijke richting weg; maar toch viel er nog slechts een grijs licht op de sombere velden van Gorgoroth. Daar slierde rook over de grond en hing in holten, en dampen lekten door spleten in de aarde. Nog altijd heel ver weg, minstens veertig mijl, zagen zij de Doemberg, zijn voet omgeven door askleurig puin, zijn enorme kegel tot een grote hoogte stijgend, waar de rokende top door wolken werd omstuwd. Zijn vuren waren nu gedoofd en hij stond in een smeulende sluimer, even dreigend en gevaarlijk als een slapend beest. Erachter hing een enorme schaduw, onheilspellend als een donderwolk: de sluiers van de Barad-dûr, die zich in de verte verhief op een lange uitloper van de Asbergen, die van het noorden kwamen. De Donkere Macht was in diepe gedachten verzonken, en het Oog was naar binnen gekeerd, peinzend over berichten van twijfel en gevaar: een fonkelend zwaard en een ernstig en koninklijk gezicht zag het, en enige tijd schonk het weinig aandacht aan andere dingen; en heel zijn grote veste, poort op poort en toren op toren was gehuld in een mijmerende schemering. Frodo en Sam keken half met afschuw, half met verwondering naar dit weerzinwekkende land. Tussen hen en de rokende berg, en overal daaromheen in het noorden en zuiden, scheen alles in puin en doods: een verbrande en verstikte woestenij. Zij vroegen zich af hoe de Vorst van dit rijk zijn slaven en legers onderhield en voedde. Want legers had hij. Zover het oog reikte, langs de randen van de Morgai en in het zuiden, lagen kampen, sommige van tenten, sommige geordend als kleine steden. Een van de grootste lag vlak beneden hen. Nog geen mijl in de vlakte lag het dicht opeen als een enorm nest van insecten, met rechte, sombere straten van hutten en lange, lage haveloze gebouwen. Eromheen was het terrein bezaaid met lieden die af en aan liepen. In zuidoostelijke richting liep een brede weg van het kamp die op de Morgulweg uitkwam, en daarlangs spoedden zich vele rijen kleine zwarte gestalten. ‘Ik vind het er allesbehalve prettig uitzien,’ zei Sam. ‘Nogal hopeloos zou ik zeggen – behalve dat er, waar zoveel lieden zijn, waterbronnen moeten zijn, om van eten nog maar te zwijgen. En dit zijn mensen en geen orks, of mijn ogen deugen helemaal niet meer.’ Noch hij noch Frodo wist iets af van de grote door slaven bewerkte velden in het zuiden van dit enorme rijk, achter de rookkolommen van de Berg bij de donkere, droeve wateren van het meer Núrnen; noch wisten zij van de grote wegen die naar het oosten en zuiden naar schatplichtige landen liepen, vanwaar de soldaten van de Toren lange rijen wagens met goederen, buit en nieuwe slaven brachten. Hier in de noordelijke streken waren de mijnen en smidsen, en de wapenschouwen voor lang-beraamde oorlog. En hier bracht de Zwarte Macht, die zijn legers als stukken over het schaakbord schoof, ze tezamen. Zijn eerste zetten, de eerste voelhoorns van zijn kracht, waren op de westelijke linie, in het zuiden en noorden tot staan gebracht. Op het ogenblik trok hij ze terug en liet nieuwe strijdkrachten aanrukken, die hij rondom de Cirith Gorgor opstelde voor een wrekende slag. En als het ook zijn doel was geweest om de Berg tegen een opmars te verdedigen, had hij nauwelijks meer kunnen doen. ‘Welnu,’ vervolgde Sam. ‘Wat ze ook te eten en te drinken mogen hebben, wij kunnen er niet aan komen. Ik zie geen enkele weg die naar beneden voert. En wij zouden toch al dat open land niet kunnen oversteken dat krioelt van vijanden, ook al slaagden we erin naar beneden te gaan.’
‘Toch zullen we het moeten proberen,’ zei Frodo. ‘Het is niet erger dan ik verwachtte. Ik heb nooit gehoopt dat ik erdoor zou komen. Ik heb ook nu geen hoop. Maar toch moet ik doen wat ik kan. Op het ogenblik betekent dit dat ik zolang mogelijk moet vermijden om gevangengenomen te worden. Daarom moeten wij naar het noorden blijven gaan, dunkt mij, en kijken hoe het eruitziet waar de open vlakte smaller is.’
‘Ik denk dat ik weet hoe het eruitziet,’ zei Sam. ‘Waar het smaller is zullen de orks en mensen eenvoudig dichter op elkaar gepakt zijn. U zult het zien, meneer Frodo.’
‘Dat zal ik zeker, als we ooit zover komen,’ zei Frodo en hij draaide zich om.
Weldra merkten zij dat het onmogelijk was zich een weg te banen langs de kruin van de Morgai of ergens op de hoger gelegen hellingen, want er waren geen paden en ze werden door diepe kloven doorsneden. Ten slotte waren ze gedwongen naar het ravijn dat ze hadden beklommen terug te gaan en een weg door het dal te zoeken. Het terrein was moeilijk begaanbaar, want zij durfden niet over te steken naar het pad aan de westzijde. Na drie mijl of meer zagen ze, verscholen in een inham aan de voet van de rotswand, de orkveste die zij al in de buurt hadden vermoed: een muur en een groep stenen hutten, die rondom de donkere opening van een grot stonden. Er viel geen beweging te bekennen, maar de hobbits kropen er heel voorzichtig langs en bleven zo dicht mogelijk bij de doornstruiken, die op dit punt dicht langs beide zijden van de vroegere waterbedding groeiden. Zij gingen nog zes tot negen mijl verder, en de orkveste achter hen was aan het zicht onttrokken; maar nauwelijks waren ze wat opgeluchter adem gaan halen toen ze rauwe, harde orkstemmen hoorden. Vlug verscholen ze zich achter een bruin knoestig bosje. De stemmen kwamen dichterbij. Weldra verschenen er twee orks. De een was in het vaalbruin gekleed en gewapend met een benen boog; hij behoorde tot een klein soort, met zwarte huid en brede snuivende neusgaten; blijkbaar een of andere spoorzoeker. De andere was een grote vechtork, als die in de compagnie van Shagrat, en droeg het insigne van het Oog. Hij had ook een boog op de rug hangen en droeg een korte speer met brede punt. Zoals gewoonlijk waren ze aan het ruziemaken, en omdat zij tot verschillende soorten behoorden, gebruikten zij op hun manier de Gemeenschappelijke Spreektaal. Op nog geen twintig passen vanwaar de hobbits zich schuilhielden bleef de kleine ork staan. ‘Nah,’ gromde hij. ‘Ik ga naar huis.’ Hij wees over het dal naar de orkveste. ‘Heeft geen zin om mijn neus nog langer langs de stenen te schuren. Er is geen spoor meer over, zeg ik je. Ik ben de lucht kwijtgeraakt, omdat ik jou je zin heb gegeven. Het leidde naar de heuvels, niet door het dal, zei ik toch.’