Выбрать главу

‘Jullie kleine snuffelaars hebben niet veel nut,’ zei de grote ork. ‘Ik denk dat ogen beter zijn dan jullie snotneuzen.’

‘Wat heb jij er dan mee gezien?’ snauwde de ander. ‘Loop heen! Je weet niet eens waar je naar zoekt.’

‘En wiens schuld is dat?’ vroeg de soldaat. ‘De mijne niet. Dat komt van Hogerhand. Eerst zeggen ze dat het een grote elf in schitterende wapenrusting is, dan weer is het een soort klein dwergmannetje, en daarna een troep opstandige uruk-hai; of misschien is het de hele mikmak bij mekaar.’

‘Ach,’ zei de verkenner. ‘Ze zijn hun verstand kwijtgeraakt, dat is ’t ’m. En sommigen van de bazen zal het ook hun huid kosten als wat ik gehoord heb waar is: Toren overvallen en zo, en honderden van jullie jongens uitgemoord, en gevangene ontsnapt. Als dat de manier is waarop jullie vechters je werk doen, is het geen wonder dat het nieuws van de oorlog slecht is.’

‘Wie zegt dat er slecht nieuws is?’ schreeuwde de soldaat. ‘Ha, wie zegt dat het er niet is?’

‘Dat is verdomde opstandelingenpraat en ik zal je aan m’n speer rijgen als je nu niet gauw je bek houdt, begrepen?’

‘Goed, goed,’ zei de spoorzoeker. ‘Ik zal niets meer zeggen, maar alleen denken. Maar wat heeft die zwarte Gluiper hier allemaal mee te maken? Die schrokker met de platte handen?’

‘Ik weet het niet. Misschien niets. Maar hij heeft niets goeds in de zin, de scharrelaar, wed ik. Vervloekt! Hij was ons nog niet ontglipt en weggelopen, of er kwam een bevel dat hij levend moet worden gevangen, en vlug ook.’

‘Nou. Ik hoop dat ze hem te pakken krijgen en hem ervan langs zullen geven,’ gromde de spoorzoeker. ‘Hij heeft het spoor daar in de war gemaakt toen hij dat afgedankte maliënhemd dat hij vond inpikte, en daar overal mee heeft rondgelopen voor ik er kon komen.’

‘In ieder geval heeft het zijn leven gered,’ zei de soldaat. ‘Verdraaid, voordat ik wist dat hij gezocht werd, heb ik op hem geschoten, zo nauwkeurig als het maar kon, op vijftig passen afstand, midden in de rug; maar hij rende verder.’

‘Nee toch! Je hebt hem gemist,’ zei de spoorzoeker. ‘Eerst schiet je in het wilde weg, dan loop je te langzaam, en dan laat je die arme spoorzoekers komen. Ik heb genoeg van je.’ Hij hobbelde weg. ‘Kom terug jij!’ riep de soldaat, ‘of ik zal je rapporteren!’

‘Bij wie? Niet bij je lieve Shagrat. Die is geen aanvoerder meer.’

‘Ik zal je naam en nummer aan de Nazgûl geven,’ zei de soldaat die zachter ging praten. ‘Een van hen voert nu het bevel over de Toren.’ De ander bleef staan, en zijn stem was vervuld van woede en angst. ‘Jij vervloekte klikspaan van een gauwdief!’ gilde hij. ‘Jij kunt niet eens je werk doen en je kunt je eigen mensen niet eens trouw blijven. Ga naar je smerige Schreeuwers en mogen ze het vlees van jullie botten laten vriezen! Als de vijand ze niet eerst te grazen neemt. Ze hebben Nummer Een om zeep gebracht, heb ik gehoord en ik hoop dat het waar is!’ De grote ork sprong hem achterna met zijn speer in de hand. Maar de spoorzoeker, die achter een steen sprong, schoot een pijl in zijn oog toen hij eraan kwam snellen, en hij viel met een smak neer. De ander rende het dal door en verdween.

Een tijdje bleven de hobbits zwijgend zitten. Ten slotte verroerde Sam zich. ‘Nou, dat noem ik knap werk,’ zei hij. ‘Als dit soort vriendelijkheden zich in Mordor zouden verspreiden, zouden onze moeilijkheden voor de helft voorbij zijn.’

‘Rustig, Sam,’ fluisterde Frodo. ‘Misschien zijn er anderen in de buurt. We zijn blijkbaar op een haar na ontsnapt en ze zaten ons dichter op de hielen dan we dachten. Maar dat is de geest van Mordor, Sam, en deze heeft zich tot in alle uithoeken verspreid. Orks hebben zich altijd zo gedragen, zo luidt het tenminste in alle verhalen, wanneer ze onder elkaar zijn. Maar daar kun je niet veel hoop uit putten. Zij haten ons veel meer, totaal en voortdurend. Als die twee ons hadden gezien, zouden ze hun twist hebben laten rusten totdat we dood waren.’ Er viel weer een lange stilte. Sam verbrak die opnieuw, maar deze keer fluisterde hij. ‘Hebt u gehoord wat ze over die schrokker zeiden, meneer Frodo? Ik heb u gezegd dat Gollem nog niet dood was, nietwaar?’

‘Ja, dat herinner ik me. En ik vroeg me af hoe je het wist,’ zei Frodo. ‘Welaan, kom nu. Ik geloof dat we hier niet vandaan moeten gaan voor het helemaal donker is. Vertel me dan maar eens hoe jij dat weet, en alles wat er gebeurd is. Als je het stilletjes kunt doen.’

‘Ik zal het proberen,’ zei Sam. ‘Maar wanneer ik aan die Gluiper denk, word ik zo woedend, dat ik zou kunnen schreeuwen.’ De hobbits bleven daar onder dekking van de doornstruik zitten, terwijl het sombere licht van Mordor langzaam in een diepe, sterrenloze nacht overging, en Sam sprak al datgene waarvoor hij woorden kon vinden in Frodo’s oor: van Gollems verraderlijke aanval, de verschrikking van Shelob, en zijn eigen avonturen met de orks. Toen hij klaar was, zei Frodo niets, maar drukte Sam de hand. Eindelijk verroerde hij zich. ‘Nu, ik vind dat we maar weer eens verder moesten gaan,’ zei hij. ‘Ik vraag me af hoe lang het zal duren voor we werkelijk worden gepakt en alle moeite en sluipen voorbij zullen zijn, en vergeefs.’ Hij stond op. ‘Het is donker, maar we kunnen het Lampenglas van de Vrouwe niet gebruiken. Bewaar het op een veilige plaats voor me, Sam. Ik kan het nu nergens opbergen, behalve in mijn hand en ik zal allebei m’n handen nodig hebben in de pikzwarte nacht. Maar ik zal Prik aan jou geven. Ik heb een orkzwaard, maar ik denk niet dat het aan mij is er een klap mee uit te delen.’

Het was moeilijk en gevaarlijk om ’s nachts in dit ongebaande land te lopen; maar langzaam en met veel gestrompel zwoegden de twee hobbits uren achtereen langs de oostelijke rand van het rotsachtige dal naar het noorden. Toen een grijs licht, lang nadat d e dag zich in de landen daarachter had ontvouwd, over de hoogten in het westen kwam kruipen, verscholen zij zich opnieuw en sliepen om beurten wat. In de perioden dat hij wakker was, hield Sam zich met het voedselprobleem bezig. Eindelijk, toen Frodo wakker werd en over eten sprak en zich gereedmaakte voor een nieuwe krachtsinspanning, stelde hij de vraag die hem het meest bezighield. ‘Neem me niet kwalijk, meneer Frodo,’ zei hij, ‘maar hebt u er enig idee van hoe ver we nog moeten gaan?’

‘Nee, geen flauw idee, Sam,’ antwoordde Frodo. ‘In Rivendel heeft men mij voor ons vertrek een kaart van Mordor laten zien die gemaakt was voordat de Vijand hier terugkwam, maar ik herinner mij die slechts vaag. Het duidelijkst herinner ik me een plaats in het noorden waar de westelijke keten en de noordelijke keten uitlopers hadden die elkaar bijna raakten. Dat moet minstens zestig mijl van de brug bij de Toren zijn. Dat zou een goed punt kunnen zijn om de vlakte over te steken. Maar natuurlijk, als we daar komen, zullen we verder van de Bergweg zijn dan eerst, ik schat honderdtachtig mijl ervandaan. Ik denk dat we nu ongeveer zesendertig mijl ten noorden van de brug zijn. Zelfs als alles goed gaat, zou ik de Berg nauwelijks binnen een week kunnen bereiken. Ik ben bang, Sam, dat de last erg zwaar zal worden, en ik, naarmate we er dichterbij komen, nog langzamer zal opschieten.’ Sam zuchtte. ‘Dat is precies waar ik bang voor was,’ zei hij. ‘Welnu, om van water nog maar niet te spreken, we moeten minder eten, meneer Frodo, of een beetje vlugger voortmaken, in elk geval zolang we in dit dal zijn. Nog een hapje en al het eten is op, behalve het wegbrood van de elfen.’