Zij hadden enkele mijlen afgelegd, en de weg begon eindelijk langs een lange helling de vlakte in te lopen toen Frodo’s krachten bezweken en zijn wil het begaf. Hij wankelde en struikelde. Sam deed een wanhopige poging om hem te helpen en hem op de been te houden, hoewel hij voelde dat hij het tempo zelf niet veel langer kon volhouden. Hij wist dat het einde nu ieder ogenblik kon komen: zijn meester zou bezwijmen of vallen en alles zou worden ontdekt, en hun bittere poging zou vergeefs zijn. Ik zal die grote duivel van een slavendrijver in ieder geval een loer draaien, dacht hij. Maar toen, terwijl hij zijn hand op het gevest van zijn zwaard legde, kwam er onverwachts redding. Zij waren nu op de vlakte en naderden de ingang van Udûn. Een eindje ervoor, voor de poort aan het einde van de brug, kwam de weg uit het westen samen met andere wegen die uit het zuiden en van de Barad-dûr kwamen. Langs alle wegen bewogen zich troepen, want de Aanvoerders uit het Westen rukten op en de Zwarte Heer liet zijn strijdkrachten snel naar het noorden trekken. Zo gebeurde het dat verschillende compagnieën tegelijkertijd bij de kruising van de wegen aankwamen, in het donker achter het licht van de kampvuren op de muur. Meteen was er een enorm gekrioel en gevloek toen elke troep probeerde de poort en het einde van hun voettocht het eerst te bereiken. Hoewel de drijvers gilden en hun zwepen gebruikten, ontstonden er schermutselingen en werden er enkele zwaarden getrokken. Een troep zwaarbewapende uruks uit de Barad-dûr rende op de troep van Durthang in en bracht die in verwarring. Versuft als hij was van pijn en vermoeidheid, ontwaakte Sam, nam zijn kans vlug waar en wierp zich op de grond, Frodo met zich meetrekkend. Orks vielen over hen heen, grommend en vloekend. Langzaam, op handen en knieën, kropen de hobbits uit de beroering, tot zij zich ten slotte onopgemerkt over de andere kant van de weg heen lieten vallen. Er was een hoge stoeprand waar de leiders van de troepen in de zwarte nacht of mist houvast aan hadden, en deze lag een paar voet boven de open vlakte. Een tijdje bleven zij doodstil liggen. Het was te donker om dekking te zoeken, zo die er was, maar Sam voelde dat zij in ieder geval verder van de hoofdwegen moesten gaan, buiten het bereik van het licht van de fakkels. ‘Kom mee, meneer Frodo,’ fluisterde hij. ‘Nog even kruipen en dan kunt u stilliggen.’ Met een laatste, uiterste krachtsinspanning verhief Frodo zich op zijn handen en kroop nog een meter of twintig verder. Toen liet hij zich in een ondiepe kuil vallen die onverwachts voor hen opdoemde, en daar bleef hij als voor dood liggen.
III. De Doemberg
Sam legde zijn haveloze orkmantel onder het hoofd van zijn meester en bedekte hen beiden met de grijze mantel van Lórien; en terwijl hij dat deed gingen zijn gedachten uit naar dat mooie land en naar de elfen, en hij hoopte dat de stof die door hun handen was geweven een of andere eigenschap bezat die hen boven alle hoop verborgen zou houden in deze wildernis van angst. Hij hoorde het gebakkelei en de kreten versterven toen de troepen verdergingen door de Isenmonde. Het scheen dat zij in de verwarring en de verhaspeling van de vele verschillende soorten compagnieën niet werden gemist; nóg niet in ieder geval. Sam nam een slokje water, maar spoorde Frodo aan om te drinken, en toen zijn meester een beetje was opgeknapt, gaf hij hem een hele wafel van hun kostbare wegbrood en dwong hem om die op te eten. Toen, te uitgeput om nog veel angst te voelen, strekten zij zich uit. Zij sliepen een beetje bij vlagen en onrustig, want het zweet verkilde hen en de harde stenen deden pijn, en zij rilden. Uit het noorden stroomde van de Zwarte Poort door de Cirith Gorgor fluisterend een dunne koude luchtstroom langs de grond. In de ochtend daagde er weer een grijs licht, want in de hogere regionen woei de westenwind nog steeds, maar beneden op de stenen achter de omheiningen van het Zwarte Land scheen de lucht bijna dood, kil maar toch verstikkend. Sam keek uit de holte naar buiten. Het land overal eromheen was somber, vlak en vaal van kleur. Op de wegen in de buurt bewoog nu niets meer; maar Sam vreesde de waakzame ogen op de muur van de Isenmonde, nog geen zeshonderd meter naar het noorden. In het zuidoosten, ver weg als een donkere staande schaduw, rees de Berg op. Rook spoot eruit en het deel dat opsteeg werd naar het oosten weggeblazen, terwijl grote wolken langs de flanken naar omlaag kwamen zeilen en zich over het land verspreidden. Enkele mijlen noordoostelijk stonden de heuvels aan de voet van de Asbergen als sombere grijze geesten, waarachter de mistige noordelijke hoogten oprezen als een rij verre wolken, nauwelijks donkerder dan de laaghangende lucht. Sam probeerde de afstanden te schatten en te besluiten welke weg zij moesten nemen. ‘Het lijkt geen stap minder dan vijftig mijl,’ mompelde hij somber, terwijl hij naar de dreigende berg staarde, ‘en daar zullen we een week over doen, en geen dag minder, nu meneer Frodo zo is.’ Hij schudde zijn hoofd, en toen hij plannen maakte, kwam er langzaam een nieuwe duistere gedachte in zijn hoofd op. De hoop was nooit voor lange tijd in zijn moedige hart vervlogen, en tot nu toe had hij altijd aan hun terugkeer gedacht. Maar eindelijk was de bittere waarheid tot hem doorgedrongen: in het gunstigste geval zou hun voedsel hen tot het doel voeren; en wanneer de taak was volbracht, zouden zij daar aan hun einde komen, alleen, zonder onderdak, zonder eten midden in een verschrikkelijke woestijn. Er was geen terugkeer mogelijk. Dus dat was het karwei, dat ik voelde dat ik moest opknappen toen ik op weg ging, dacht Sam, om meneer Frodo tot de laatste stap te helpen en dan samen met hem te sterven? Welnu, als dat ’t karwei is, dan moet ik het doen. Maar ik zou dolgraag Bijwater terug willen zien en Roosje Katoen en haar broers en de Gabber en Meizoentje en alle anderen. Ik kan me maar niet voorstellen dat Gandalf meneer Frodo op deze missie zou hebben gezonden als er geen hoop op was geweest dat hij zou terugkomen. Alles is misgegaan sinds hij in Moria in de afgrond stortte. Ik wou dat dat niet was gebeurd. Hij zou iets hebben geregeld. Maar terwijl Sams hoop vervloog, of scheen te vervliegen, veranderde die in een nieuwe kracht. Sams gewone hobbitgezicht werd ernstig, bijna grimmig, toen de wil in hem werd gestaald en hij in al zijn ledematen een tinteling voelde alsof hij in een of ander schepsel van steen en staal veranderde dat noch door wanhoop noch door moeheid of eindeloze barre mijlen kon worden bedwongen. Met een nieuw gevoel van verantwoordelijkheid richtte hij zijn ogen weer op het terrein in de buurt, terwijl hij de volgende zet overwoog. Toen het licht wat sterker werd, zag hij tot zijn verbazing dat wat van een afstand wijd en vlak laagland had geleken, feitelijk helemaal oneffen en omgewoeld was. Het hele terrein van de vlakten van Gorgoroth zat eigenlijk vol met grote gaten alsof er, toen het nog een woestenij van zachte modder was, een regen van kogels en enorme slingerstenen op was neergekomen. De grootste van deze gaten hadden opstaande randen van rotsblokken, en er liepen in alle richtingen brede spleten uit. Het was een land waarin het mogelijk zou zijn om ongezien van de ene schuilplaats naar de andere te kruipen, slechts opgemerkt door de waakzaamste ogen; mogelijk in ieder geval voor iemand die sterk was en niet snel hoefde te zijn. Voor de hongerigen en uitgeputten, die ver moesten gaan voordat ze de laatste adem uitbliezen, zag het er bar en boos uit. Terwijl hij al deze dingen bedacht, ging Sam naar zijn meester terug. Hij hoefde hem niet wakker te maken. Frodo lag op zijn rug met open ogen naar de bewolkte hemel te staren. ‘Welnu, meneer Frodo,’ zei Sam. ‘Ik heb wat rondgekeken en nagedacht. Er is niets op de wegen te zien, en we moesten maar liever op pad gaan zolang wij een kans hebben. Denkt u dat u het aankunt?’