‘Ik kan het aan,’ zei Frodo. ‘Ik moet wel.’
Opnieuw gingen zij op weg, van holte tot holte kruipend en elke dekking te baat nemend die zij konden vinden, terwijl zij zich voortdurend schuin naar de heuvels aan de voet van de noordelijke bergketen bewogen. Maar de weg die het verst naar het oosten lag, volgde hen de hele tijd, totdat hij zich afscheidde en slingerend vlak langs de rand van de bergen naar een muur van zwarte schaduw, ver voor hen uit liep. Mens noch ork bewoog zich nu over de vlakke grijze stukken, want de Zwarte Vorst had zijn troepenbewegingen bijna voltooid, en zelfs in de uitgestrektheid van zijn eigen rijk zocht hij de heimelijkheid van de nacht, de winden van de wereld vrezend die zich tegen hem hadden gekeerd, zijn sluiers verscheurend, en verontrust door berichten over stoutmoedige spionnen die binnen zijn omheiningen waren doorgedrongen. De hobbits hadden enkele moeizame mijlen afgelegd toen zij bleven staan. Frodo scheen bijna uitgeput. Sam zag dat hij op deze manier niet veel verder meer kon gaan, kruipend, gebogen; nu eens koos hij heel langzaam een dubieuze weg, dan weer spoedde hij zich struikelend met haastige looppas voort. ‘Ik ga terug op de weg zolang het nog licht is, meneer Frodo,’ zei hij. ‘Vertrouw weer op het geluk! Het heeft ons de vorige keer bijna in de steek gelaten, maar toch niet helemaal. Nog een paar mijl goed de pas erin en dan een poos rusten.’ Hij nam een veel groter risico dan hij wist, maar Frodo werd te zeer door zijn last en door de strijd in zijn geest in beslag genomen om hem tegen te spreken, en voelde zich bijna te moedeloos om zich nog zorgen te maken. Zij klauterden naar de weg en sjokten voort, de harde wrede weg langs, die naar de Donkere Toren zelf leidde. Maar het geluk verliet hen niet en die dag kwamen zij verder geen levende of bewegende dingen tegen; en toen de nacht viel verdwenen zij in de duisternis van Mordor. Het hele land was broeierig, alsof er een zwaar onweer op til was, want de Aanvoerders van het Westen waren de Kruisende wegen gepasseerd en hadden vuren in de dodelijke velden van Imlad Morgul ontstoken. Zo ging de hopeloze reis verder, terwijl de Ring naar het zuiden ging en de banieren van de koningen naar het noorden trokken. Voor de hobbits was iedere dag, iedere mijl, bitterder dan de vorige, nu hun krachten afnamen en het land boosaardiger werd. Overdag kwamen zij geen vijanden tegen. Soms, bij nacht, wanneer zij zich schuilhielden of onrustig in een of andere schuilplaats naast de weg sluimerden, hoorden zij kreten en het geluid van vele voeten of een wild bereden ros voorbijtrekken. Maar veel erger dan dat soort gevaren was de steeds naderende dreiging die naarmate zij verdergingen zwaarder op hen drukte; de vreselijke dreiging van de Macht die wachtte, piekerend in diepe gedachten en nooit-slapende boosaardigheid achter de donkere sluier om zijn Troon. Al nader en nader kwam hij, zwarter opdoemend, als de nadering van een muur van nacht bij het einde van de wereld. Toen viel ten slotte een afschuwelijke nacht; en op hetzelfde ogenblik dat de Aanvoerders van het Westen aan het einde van de levende landen kwamen, bereikten de twee zwervers een tijd van radeloze wanhoop. Vier dagen waren voorbijgegaan sinds zij aan de orks waren ontkomen, maar de tijd lag achter hen als een steeds donkerder wordende droom. Deze hele laatste dag had Frodo niet gesproken, maar had half gebogen gelopen, vaak struikelend, alsof zijn ogen de weg voor zijn voeten niet langer zagen. Sam vermoedde dat van alle lasten die zij torsten, hij de ergste droeg, de toenemende zwaarte van de Ring, een last voor het lichaam en een kwelling voor zijn geest. Sam had bezorgd opgemerkt dat zijn meesters linkerhand vaak werd opgeheven, als om een slag af te weren, of zijn kleiner wordende ogen tegen het afschuwelijke Oog dat probeerde erin te kijken te beschermen. En soms kroop zijn rechterhand naar zijn borst, grijpend, en dan langzaam, naargelang de wil weer de overhand kreeg, werd hij teruggetrokken. Nu, terwijl de zwartheid van de nacht terugkeerde, zat Frodo met het hoofd tussen zijn knieën, de armen vermoeid op de grond neerhangend, terwijl zijn handen zwak bewogen. Sam sloeg hem gade tot de nacht hen beiden omhulde en ze elkaar niet meer konden zien. Hij kon geen woorden meer vinden om te zeggen; en hij verviel weer in zijn eigen sombere gedachten. Wat hemzelf betrof, al was hij moe en al drukte de schaduw van angst op hem, hij had toch nog enige kracht over. De
lembas bezat een kracht zonder welke zij zich langgeleden zouden hebben neergelegd om te sterven. Het bevredigde het verlangen niet en nu en dan was Sams geest vervuld met de herinnering aan eten en het verlangen naar eenvoudig brood en vlees. Maar toch had dit wegbrood van de elfen een potentie die groter werd naarmate de reizigers er uitsluitend op waren aangewezen en het niet met andere soorten eten vermengden. Het voedde de wil, en het gaf de kracht om vol te houden, en zenuwen en ledematen te beheersen in een mate, die boven het vermogen van het sterfelijke geslacht uitsteeg. Maar nu moest er een nieuwe beslissing worden genomen. Zij konden deze weg niet langer volgen, want hij liep naar het oosten, de grote Schaduw in, terwijl de Berg nu rechts van hen opdoemde, bijna pal in het zuiden, en daar moesten zij heen. Maar daarvoor strekte zich nog een breed gebied met walmend, kaal, met as bedekt land uit. ‘Water, water!’ mompelde Sam. Hij had het zichzelf ontzegd, en zijn tong scheen dik en opgezwollen in zijn verdroogde mond; maar ondanks zijn zorgzaamheid hadden zij nu heel weinig over, misschien een halve fles, en wellicht hadden zij nog dagen te gaan. Alles zou allang op zijn geweest als zij de orkweg niet hadden durven volgen. Want met grote tussenruimten waren op die straatweg reservoirs gebouwd voor de troepen die in allerijl door de droge streken werden gezonden. In een ervan had Sam nog wat water aangetroffen, bedompt, bemodderd door de orks, maar toch voldoende voor hun wanhopige toestand. Maar dat was nu een dag geleden. Er was geen hoop op meer water. Ten slotte, moe van zijn zorgen, dommelde Sam, zich niet om de ochtend bekommerend totdat deze zou aanbreken: hij kon toch niets doen. Droom en waken versmolten onrustig. Hij zag lichten als wellustige ogen, en donkere sluipende gedaanten en hoorde geluiden als van wilde beesten of de afschuwelijke kreten van gemartelde wezens; en dan schrok hij wakker en zag dat de wereld helemaal donker was en er alleen maar ledige zwartheid rondom hem was. Maar een keer, toen hij opstond en wild om zich heen staarde, scheen het dat hij, hoewel hij nu wakker was, nog bleke lichtjes als ogen kon zien, maar zij flikkerden weldra en verdwenen.