De akelige nacht verliep langzaam en schoorvoetend. Het daglicht dat erop volgde was flauw, want hier, nu de Berg dichterbij kwam, was de lucht voortdurend vunzig, terwijl uit de Zwarte Toren de sluiers van Schaduw dreven die Sauron om zichzelf heen weefde. Frodo lag op zijn rug en bewoog zich niet. Sam stond naast hem en durfde haast niet te spreken, maar wist toch dat het woord nu aan hem was: hij moest de wil van zijn meester tot een nieuwe poging aansporen. Ten slotte boog hij zich voorover, streelde Frodo’s voorhoofd en sprak in zijn oor. ‘Word wakker, meester!’ zei hij. ‘’t Is tijd om weer op weg te gaan.’ Alsof hij door een plotselinge bel werd gewekt, ging Frodo vlug rechtop zitten, stond op en keek naar het zuiden, maar toen zijn ogen de Berg en de woestijn zagen, versaagde hij weer. ‘Ik kan het niet, Sam,’ zei hij. ‘Het is zo zwaar om te dragen, zo zwaar.’ Sam wist voor hij sprak dat het vergeefs was, en dat dergelijke woorden meer kwaad dan goed zouden doen, maar in zijn medelijden kon hij niet zwijgen. ‘Laat mij hem dan een eindje voor u dragen, meester,’ zei hij. ‘U weet dat ik het zou willen doen, en graag, zolang er nog enige kracht in mij is.’ Er verscheen een wild licht in Frodo’s ogen. ‘Ga opzij! Raak me niet aan!’ riep hij. ‘Hij is van mij, zeg ik je. Ga weg!’ Zijn hand zocht naar het gevest van zijn zwaard. Maar toen veranderde zijn stem ineens. ‘Nee, nee, Sam,’ zei hij droevig. ‘Maar je moet het begrijpen. Het is mijn last en niemand anders kan hem dragen. Het is nu te laat, Sam, brave borst. Jij kunt mij niet meer op die manier helpen. Ik ben nu bijna in zijn macht. Ik zou er geen afstand van kunnen doen, en als jij zou proberen hem van mij af te nemen, zou ik krankzinnig worden.’ Sam knikte. ‘Ik begrijp het,’ zei hij. ‘Maar ik heb zitten denken, meneer Frodo, er zijn andere dingen waar we buiten kunnen. Waarom zouden we de last niet wat verlichten? Wij gaan nu die kant uit, en zo recht als we kunnen.’ Hij wees naar de Berg. ‘Het heeft geen zin iets mee te nemen, waarvan we niet zeker weten of we het nodig hebben.’ Frodo keek weer naar de Berg. ‘Nee,’ zei hij. ‘We zullen niet veel nodig hebben op die weg. En aan het eind ervan helemaal niets.’ Hij pakte zijn orkschild op, gooide het weg en wierp zijn helm er achteraan. Toen, terwijl hij de grijze mantel uittrok, gespte hij de zware riem los en liet hem op de grond vallen, en het zwaard in de schede erbij. De flarden van de zwarte mantel scheurde hij af en strooide ze op de grond. ‘Ziezo, ik wil niet langer een ork zijn!’ riep hij uit, ‘en ik zal geen wapen dragen, schoon of vuil. Laten ze mij dan maar pakken als ze willen!’ Sam volgde zijn voorbeeld en legde zijn orkuitrusting af; en hij haalde alle dingen uit zijn pak. Op de een of andere manier was elk ding hem dierbaar geworden, al was het alleen maar omdat hij ze zo ver en met zoveel moeite had meegesjouwd. Het moeilijkste van alles was om afstand te doen van zijn kookgerei. Tranen welden in zijn ogen op bij de gedachte dat hij het ging weggooien.
‘Herinnert u zich dat stuk konijn nog, meneer Frodo?’ vroeg hij. ‘En ons plaatsje onder aan de warme helling in het land van Kapitein Faramir, die dag toen ik een olifant zag?’
‘Nee, ik ben bang van niet, Sam,’ zei Frodo. ‘Ik weet wel dat dergelijke dingen zijn gebeurd, maar ik kan ze niet zien. Geen smaak van eten, geen gevoel van water, geen geluid van de wind, geen herinnering aan boom, gras of bloem, geen voorstelling van maan of sterren zijn mij gelaten. Ik ben naakt in het donker, Sam, en er is geen sluier tussen mij en het rad van vuur. Ik begin het zelfs met mijn open ogen te zien, maar al het andere vervaagt.’ Sam ging naar hem toe en kuste zijn hand. ‘Hoe eerder we hem dan kwijt zijn, des te eerder we rust krijgen,’ zei hij hortend, omdat hij niet wist wat hij anders moest zeggen. ‘Praten zal de zaak er niet beter op maken,’ mompelde hij bij zichzelf toen hij alle dingen bijeenraapte die ze hadden gekozen om weg te gooien. Hij was niet van plan ze open en bloot in de wildernis te laten liggen, waar ze voor iedereen zichtbaar waren. ‘Gluiper heeft klaarblijkelijk dat orkhemd opgepikt en zal er niet nog een zwaard aan toevoegen. Zijn handen zijn al slecht genoeg wanneer ze leeg zijn. En hij zal niet met mijn pannen gaan rondhannesen!’ Hierop droeg hij alle spullen naar een van de gapende spleten die het land doorsneden en gooide ze erin. Het gekletter van zijn dierbare pannen die naar beneden in het donker vielen klonk als een doodsklok in zijn hart. Hij ging naar Frodo terug, en sneed een kort stuk van zijn elfentouw af dat zijn meester als riem kon dienen en de grijze mantel om zijn middel kon houden. De rest van het touw rolde hij zorgvuldig op en borg het weer in zijn knapzak op. Behalve dit bewaarde hij alleen maar de resten van het wegbrood en de waterfles, en Prik die nog aan zijn riem hing; en verborgen in een zak van zijn tuniek bij zijn borst was het flesje van Galadriel en het doosje dat ze hem als geschenk had gegeven.
Nu richtten zij hun blik eindelijk op de Berg en gingen op weg, en dachten er niet meer aan zich schuil te houden, hun moeheid en verzwakkende wil uitsluitend richtend op de taak om verder te gaan. In de duisternis van de naargeestige dag konden zelfs in dat waakzame land slechts weinig wezens hen hebben verspied, behalve van heel dichtbij. Van alle slaven die de Zwarte Heer had, hadden alleen de Nazgûl hem kunnen waarschuwen voor het gevaar, klein maar onbedwingbaar, dat naar het hart van zijn bewaakte rijk kwam kruipen. Maar de Nazgûl en hun zwarte vleugels waren elders op een andere missie: zij waren ver weg samengetrokken, de opmars van de Aanvoerders van het Westen volgend, en daarop waren ook de gedachten van de Zwarte Toren gericht. Die dag scheen het Sam toe dat zijn meester nieuwe kracht gekregen had, meer dan te verklaren viel door de geringe verlichting van de last die hij moest dragen. Op de eerste stukken gingen zij verder en sneller dan hij had gehoopt. Het terrein was ruw en vijandig, maar toch schoten zij goed op en de Berg kwam steeds dichterbij. Maar toen de dag verliep en het flauwe licht al te snel begon te vervagen, ging Frodo weer gebogen lopen en begon te wankelen alsof de hernieuwde inspanning de rest van zijn krachten had verspild. Bij hun laatste rustpauze zeeg hij neer en zei: ‘Ik heb dorst, Sam,’ en zei niets meer. Sam gaf hem een mondjevol water; er bleef nog maar één mondjevol over. Zelf nam hij niets; en nu, terwijl de nacht van Mordor zich opnieuw boven hun hoofden sloot, kwam door al zijn gedachten de herinnering aan water terug; en ieder beekje, stroompje of fontein die hij ooit had gezien, onder groene wilgentakken of schitterend in de zon, danste en rimpelde om hem achter de blindheid van zijn ogen te kwellen. Hij voelde de koele modder aan zijn tenen toen hij in de Poel van Bijwater met Jolle Katoen en Tom en Nibs en hun zuster Roosje pootje baadde. ‘Maar dat was jaren geleden,’ verzuchtte hij, ‘en ver weg. De weg terug, zo er een is, voert langs de Berg.’ Hij kon niet slapen en hij hield een debat met zichzelf. ‘Nou, kom nu, we hebben het er beter van afgebracht dan je hoopte,’ zei hij ferm. ‘We zijn in ieder geval goed begonnen. Ik neem aan dat we de helft van de afstand hadden afgelegd voor we stilhielden. Nog een dag en we zijn er.’ En toen zweeg hij. ‘Wees niet dwaas, Sam Gewissies,’ antwoordde hij met zijn eigen stem. ‘Hij zal niet nog een dag zo kunnen doorgaan, zo hij al kan lopen. En jij kunt niet veel langer doorgaan wanneer je hem al het water en het grootste deel van het eten geeft.’