‘Maar ik kan nog een heel eind verder, en dat zal ik ook.’ ‘Waarheen?’ ‘Naar de Berg natuurlijk.’ ‘Maar wat dan, Sam Gewissies, wat dan? Als je daar aankomt, wat ga je dan doen? Hij zal niet in staat zijn zelf iets te doen.’ Tot zijn ontsteltenis besefte Sam dat hij hier geen antwoord op had. Hij had helemaal geen duidelijk idee. Frodo had niet veel tegen hem over zijn missie gezegd, en Sam wist alleen vaag dat de Ring op de een of andere manier in het vuur moest worden geworpen. ‘De Doemspleten,’ mompelde hij toen de oude naam bij hem opkwam. ‘Nou, als Meester weet hoe hij ze kan vinden, ik weet het niet.’
‘Zie je wel!’ kwam het antwoord. ‘Het is allemaal volslagen nutteloos. Hij heeft het zelf gezegd. Jij bent dwaas om almaar te blijven hopen en zwoegen. Je had kunnen gaan liggen slapen, twee dagen geleden, als je niet zo vasthoudend was geweest. Maar je zult toch sterven, als er geen ergere dingen gebeuren. Je kunt evengoed nu gaan liggen en de zaak opgeven. Je zult de top in ieder geval toch nooit bereiken.’
‘Ik zal er komen, al moet ik alles behalve m’n botten achterlaten,’ zei Sam. ‘En ik zal meneer Frodo eigeres zelveres naar boven dragen, al breekt het mijn rug en mijn hart. Dus hou op met redetwisten!’ Op dat ogenblik voelde Sam een trilling in de grond onder zich, en hij hoorde of voelde een diep, ver gerommel als van donder die onder de aarde was opgesloten. Er was een korte rode vlam die onder de wolken flakkerde en doofde. De Berg sliep ook onrustig.
De laatste etappe van hun reis naar de Orodruin brak aan, en het was een grotere kwelling dan Sam ooit had gedacht te kunnen verdragen. Hij had pijn en was zo uitgedroogd, dat hij zelfs geen hap eten meer kon doorslikken. Het bleef donker, niet alleen door de rookwolken van de Berg: er scheen een onweer ophanden te zijn, en in het zuidoosten flitste weerlicht onder de zwarte luchten. Het ergste van alles was dat de atmosfeer vol dampen was; het was zwaar en pijnlijk om adem te halen en duizeligheid overviel hen, zodat zij wankelden en vaak vielen. Maar toch, hun wil was onbuigzaam en zij zwoegden verder. De Berg kwam steeds dichterbij totdat hij, als ze hun zware hoofden ophieven, hun hele gezichtsveld vulde, enorm groot voor hen opdoemend: een enorme massa van as, sintels en geblakerde steen waaruit steil een kegel oprees tot in de wolken. Voordat de hele dag lang durende schemering ten einde liep, en de echte nacht weer aanbrak, hadden zij strompelend de voet ervan bereikt. Met een zucht liet Frodo zich op de grond vallen. Sam ging naast hem zitten. Tot zijn verbazing voelde hij zich moe maar lichter, en zijn hoofd scheen weer helder. Geen twistgesprekken verstoorden zijn geest. Hij kende alle redeneringen van de wanhoop, en weigerde ernaar te luisteren. Zijn wil was onverzettelijk en alleen de dood kon hem breken. Hij voelde geen verlangen of behoefte aan slaap meer, maar eerder aan waakzaamheid. Hij wist dat alle risico’s en gevaren zich nu op één punt concentreerden; de volgende dag zou een noodlotsdag zijn, de dag van de laatste poging of rampspoed, de laatste ademtocht.
Maar wanneer zou die komen? De nacht scheen eindeloos en tijdloos, minuut na minuut viel in het niets, zonder dat ze samen een uur vormden, zonder verandering te brengen. Sam begon zich af te vragen of er een tweede duisternis was begonnen en er nooit meer een dag zou aanbreken. Eindelijk greep hij Frodo’s hand. Die was koud en beefde. Zijn meester huiverde. ‘Ik had mijn deken niet moeten achterlaten,’ mompelde Sam, en terwijl hij ging liggen probeerde hij Frodo met zijn armen en lichaam te verwarmen. Toen werd hij door slaap overmand en het flauwe licht van de laatste dag van hun queeste vond hen zij aan zij. De wind was de vorige dag gaan liggen, nadat hij van het westen was gedraaid, en nu kwam hij uit het noorden en begon aan te wakkeren; en langzaam filterde het licht van de onzichtbare zon neer op de schaduwen waarin de hobbits lagen.
‘En nu eropaf! Nu nog één keer diep ademhalen!’ zei Sam toen hij overeind krabbelde. Hij boog zich over Frodo heen en wekte hem zacht. Frodo steunde, maar met een grote wilsinspanning kwam hij overeind, en viel weer op zijn knieën neer. Hij sloeg zijn ogen moeizaam op naar de donkere hellingen van de Doemberg die hoog boven hem oprees, en begon toen meelijwekkend op zijn handen naar voren te kruipen. Sam keek naar hem en zijn hart huilde, maar er kwamen geen tranen in zijn droge, stekende ogen. ‘Ik zei dat ik hem zou dragen, al zou het mijn rug breken,’ mompelde hij, ‘en dat zal ik doen ook.’
‘Kom, meneer Frodo!’ riep hij uit. ‘Ik kan hem niet voor u dragen, maar ik kan u dragen en hem erbij. Dus sta op! Vooruit, beste meneer Frodo! U mag op Sams rug zitten. Zeg hem maar waar hij heen moet, en hij zal erheen gaan.’ Toen Frodo zich aan zijn rug vastklemde, de armen losjes om zijn nek, zijn benen stevig onder de armen geklemd, krabbelde Sam overeind en toen merkte hij tot zijn verbazing dat de last licht aanvoelde. Hij had gevreesd dat hij nauwelijks kracht zou hebben om alleen zijn meester op te tillen, en bovendien had hij verwacht dat hij een aandeel zou moeten nemen in het loodzware gewicht van de vervloekte Ring. Maar dat was niet zo. Of het kwam doordat Frodo zo was vermagerd door zijn lange pijn, meswond en giftige steek, en verdriet, angst en omzwervingen, of doordat hem een laatste kracht was geschonken, Sam tilde Frodo met even weinig moeite op als wanneer hij een hobbitkind paardje liet rijden bij een stoeipartij op de gazons of hooivelden van de Gouw. Hij haalde diep adem en ging op weg.
Zij hadden de voet van de Berg aan de noordkant bereikt, iets naar het westen; daar waren de lange grijze hellingen, die wel oneffen, maar niet steil waren. Frodo sprak niet en dus zwoegde Sam zo goed en kwaad als hij kon verder, met geen andere leiding dan de wil om zo hoog mogelijk te klimmen voordat zijn krachten het begaven en zijn wil brak. Hij sleepte zich verder, steeds hoger en hoger, zigzaggend om de helling minder steil te doen zijn, vaak struikelend en ten slotte kruipend als een slak met een zware last op zijn rug. Toen zijn wil hem niet verder kon doen gaan en zijn ledematen dienst weigerden, bleef hij staan en legde zijn meester zachtjes neer. Frodo opende de ogen en haalde diep adem. Het was gemakkelijker hierboven adem te halen, boven de opstijgende stank die beneden hen bleef hangen. ‘Dank je, Sam,’ zei hij, schor fluisterend. ‘Hoe ver moeten we nog?’