‘De Koning?’ vroeg Sam. ‘Welke Koning en wie is hij?’
‘De Koning van Gondor en de Heer van de Westelijke Landen,’ zei Gandalf, ‘en hij heeft zijn hele vroegere rijk teruggenomen. Hij zal weldra worden gekroond, maar hij wacht op jullie.’
‘Wat moeten wij dragen?’ vroeg Sam, want het enige dat hij kon zien waren de oude gehavende kleren waarin zij gereisd hadden, die opgevouwen op de grond naast hun bed lagen. ‘De kleren die jullie op weg naar Mordor hebben gedragen,’ zei Gandalf. ‘Zelfs de orkvodden die je in het zwarte land hebt gedragen, Frodo, zullen bewaard blijven,’ zei Gandalf. ‘Geen zijde of linnen, geen wapenrusting of heraldiek zou eervoller kunnen zijn. Maar later zal ik wat andere kleren zoeken, misschien.’ Toen strekte hij zijn handen naar hen uit, en zij zagen dat er één met licht straalde. ‘Wat heb je daar?’ riep Frodo. ‘Kan het...?’
‘Ja, ik heb je twee kleinoden gebracht. Ze werden op Sams lichaam gevonden toen jullie werden gered. De geschenken van Vrouwe Galadrieclass="underline" jouw kristallen flesje, Frodo, en jouw doos, Sam. Jullie zullen blij zijn dat deze weer veilig zijn.’
Toen zij gewassen en gekleed waren en een lichte maaltijd hadden gebruikt, volgden de hobbits Gandalf. Zij kwamen het beukenbosje uit waarin zij hadden gelegen en kwamen op een lang groen grasveld, dat glansde in het zonlicht, omzoomd door statige bomen met donkere bladeren en beladen met scharlaken bloesems. Achter zich konden zij het geluid van vallend water horen, en een stroom liep voor hen tussen bloeiende bermen omlaag, totdat hij bij een groen woud kwam aan het einde van het grasveld en vandaar onder een boog van bomen door liep, waardoor zij in de verte water zagen schitteren. Toen zij bij de opening in het bos kwamen, zagen zij daar tot hun verrassing ridders gekleed in schitterende maliën en grote schildwachten in zilver en zwart staan, die hen eerbiedig groetten en voor hen bogen. En toen stak een ervan een lange trompet, en zij liepen verder door de gang van bomen naast de zingende stroom. Zo kwamen zij bij een breed, groen land, en daarachter lag een rivier in een zilveren mist, waaruit een lang, bebost eiland opsteeg, en vele schepen lagen aan de oevers gemeerd. Maar op het veld waar zij nu stonden was een groot leger opgesteld, in rijen en compagnieën, schitterend in de zon. En toen de hobbits naderbij kwamen, werden zwaarden uit de scheden getrokken en speren gepresenteerd, en hoorns en trompetten schalden en mensen riepen met vele stemmen en in vele talen:
En zo, terwijl het rode bloed hun gezichten deed blozen en hun ogen van verbazing straalden, gingen Frodo en Sam naar voren en zagen dat er te midden van het luidruchtige leger drie hoge zetels waren, gemaakt van groene plaggen. Achter de zetel aan de rechterkant wapperde, wit op groen, een dravend paard; links was een banier, zilver op blauw, een schip met een zwanenboeg varend op de zee; maar achter de hoogste troon in het midden van alles wapperde een grote standaard in de bries, en daar bloeide een witte boom op een donker veld onder een stralende kroon en zeven schitterende sterren. Op de troon zat een in maliën geklede man, een groot zwaard lag op zijn knieën, maar hij droeg geen helm. Toen zij dichterbij kwamen stond hij op. En toen herkenden zij hem, hoezeer hij ook was veranderd, zo voornaam en blij van gezicht, koninklijk, heer van mensen, met donker haar en grijze ogen. Frodo rende naar hem toe, en Sam kwam vlak achter hem aan. ‘Nou, als dat niet de kroon op alles is!’ zei hij. ‘Stapper, of ik slaap nog!’
‘Ja, Sam, Stapper,’ zei Aragorn. ‘Het is een heel eind, nietwaar, van Breeg, waar mijn gezicht je niet aanstond? Een lange weg voor ons allen, maar jullie weg is de donkerste geweest.’ En tot Sams verbazing en uiterste verwarring, viel hij toen op een knie voor hen neer; en na hen bij de hand te hebben genomen, Frodo rechts en Sam links, leidde hij hen naar de troon en nadat hij hen erop had gezet, wendde hij zich tot al zijn manschappen en aanvoerders die erbij stonden en sprak, zodat zijn stem over het gehele leger schalde, roepende: ‘Loof hen met grote lof!’ En toen de blijde kreet was aangezwollen en weer was weggestorven, kwam er tot Sams definitieve en volledige tevredenheid en pure vreugde, een minstreel van Gondor naar voren, knielde neer, en vroeg verlof te mogen zingen. En zie, hij sprak: ‘Hoort! Heren en ridders en mensen van onbeschaamde dapperheid, koningen en prinsen en schone lieden uit Gondor en Ruiters van Rohan en ook gij, zonen van Elrond, en Dúnedain uit het Noorden, en elf en dwerg en dapperen uit de Gouw, en alle vrije volken van het Westen, luister nu naar mijn lied. Want ik zal voor u zingen van Frodo met de Negen Vingers en de Ring van Doem.’ En toen Sam dit hoorde, lachte hij luid van pure vreugde, en hij stond op en riep: ‘O, wat heerlijk, wat groots! Al mijn wensen zijn werkelijkheid geworden!’ En toen huilde hij. En het hele leger lachte en huilde, en te midden van hun vrolijkheid en tranen klonk de klare stem van de minstreel als zilver en goud, en allen zwegen. En hij zong voor hen, nu eens in de elfentaal, dan weer in de taal van het Westen, tot hun harten, gewond door zoete woorden, overvloeiden, en hun vreugde was als zwaarden, en in gedachten trokken zij naar streken waar pijn en verrukking samenvloeien en tranen de wijn van zaligheid zelf zijn.
En ten slotte, toen de zon uit haar hoogste stand daalde en de schaduwen van de bomen lengden, eindigde hij. ‘Loof hen met grote lof!’ zei hij en hij knielde. En toen stond Aragorn op en het hele leger stond op, en zij gingen naar de paviljoens die in gereedheid waren gebracht, om te eten en te drinken en feest te vieren zolang het dag was. Frodo en Sam werden terzijde genomen en naar een tent gebracht, en daar werden hun oude kleren uitgetrokken, maar opgevouwen en eerbiedig opzij gelegd; en zij kregen schone kleren. Toen kwam Gandalf en tot Frodo’s verbazing droeg hij in zijn armen het zwaard, de elfenmantel en het buis van mithril die hem in Mordor waren afgenomen. Voor Sam bracht hij een jas van vergulde maliën, en zijn elfenmantel, helemaal ontdaan van het vuil en de schade die eraan was toegebracht; en toen legde hij twee zwaarden voor hen neer. ‘Ik wil helemaal geen zwaard,’ zei Frodo. ‘Vanavond hoor je er in elk geval een te dragen,’ zei Gandalf. Toen nam Frodo het kleine zwaard dat aan Sam had toebehoord en in de Cirith Ungol aan zijn zijde was gelegd. ‘Prik heb ik aan jou gegeven, Sam,’ zei hij. ‘Nee, meester! Meneer Bilbo heeft het aan u gegeven, en het hoort bij zijn zilveren mantel; hij zou niet willen dat iemand anders het nu droeg.’ Frodo zwichtte; en Gandalf knielde, alsof hij hun schildknaap was, en gordde hun de zwaardriemen om, en toen stond hij op en zette zilveren banden op hun hoofd. En toen zij aldus waren getooid, gingen zij naar het grote banket en zaten aan de tafel van de Koning aan, met Gandalf en Koning Éomer van Rohan en Prins Imrahil en alle hoofdaanvoerders; en daar waren ook Gimli en Legolas. Maar toen, na de Staande Stilte, de wijn gebracht werd, kwamen er twee schildknapen om de koningen te bedienen; of dat schenen zij althans te zijn: een was gekleed in het zilver en zwart van de Garde van Minas Tirith, en de ander in wit en groen. Maar Sam vroeg zich af wat zulke jonge knapen in een leger van machtige lieden deden. Maar plotseling, toen zij dichterbij kwamen en hij ze duidelijk kon zien, riep hij uit: ‘Lieve help, meneer Frodo, kijk eens. Als dat Pepijn niet is. Meneer Peregrijn Toek, moet ik zeggen, en meneer Merijn! Wat zijn ze gegroeid! Allemachies. Ik kan zien dat er nog meer verhalen te vertellen zijn dan het onze.’