‘Inderdaad,’ zei Pepijn, zich tot hem wendend. ‘En we zullen ermee beginnen zodra dit festijn is afgelopen. Ondertussen kun je Gandalf proberen. Hij is niet zo gesloten als hij vroeger was, hoewel hij tegenwoordig meer lacht dan praat. Op het ogenblik hebben Merijn en ik het druk. We zijn ridders van de Stad en van de Mark, zoals je ziet, naar ik hoop.’
Ten slotte eindigde de blijde dag; en toen de zon onder was en de ronde maan langzaam boven de nevels van de Anduin uitsteeg en door de ritselende bladeren flikkerde, zaten Frodo en Sam onder de fluisterende bomen te midden van de geurigheid van het mooie Ithilien en zij praatten tot diep in de nacht met Merijn, Pepijn en Gandalf, en na enige tijd voegden Legolas en Gimli zich bij hen. Daar hoorden Frodo en Sam veel over alles wat er met het Gezelschap was gebeurd, nadat het reisgenootschap uiteengevallen was op die kwade dag bij Parth Galen bij de Watervallen van Rauros: maar er was steeds meer te vragen en te vertellen. Orks en sprekende bomen en mijlen grasland en galopperende ruiters, en schitterende grotten, en witte torens, en gouden zalen, en veldslagen, en vierkant getuigde schepen – dit alles trok aan Sams geest voorbij tot hij zich verbijsterd voelde. Maar te midden van al deze wonderen keerde hij telkens weer tot zijn verbazing om de lengte van Merijn en Pepijn terug; en hij liet hen rug aan rug staan met Frodo en zichzelf. Hij krabde zich op zijn hoofd. ‘Ik snap er niks van, op jullie leeftijd,’ zei hij.‘Maar het is zo: jullie zijn zeveneneenhalve centimeter groter dan je behoort te zijn, of ik ben een dwerg.’
‘Dat ben je zeker niet,’ zei Gimli. ‘Maar wat heb ik je gezegd? Stervelingen kunnen geen entdranken gaan drinken en verwachten dat het hun niet meer zal doen dan een pot bier.’
‘Entdranken?’ vroeg Sam. ‘Daar begin je weer over enten: maar ik heb geen flauw idee wat dat zijn. Allemachies, het zal weken duren voordat we achter al deze dingen zijn gekomen!’
‘Inderdaad, weken,’ zei Pepijn. ‘En dan moet Frodo in een toren in Minas Tirith worden opgesloten en het allemaal opschrijven. Anders zal hij de helft vergeten, en die arme ouwe Bilbo zal vreselijk teleurgesteld zijn.’
Ten slotte stond Gandalf op. ‘De handen van de Koning zijn de handen van genezing, beste vrienden,’ zei hij. ‘Maar jullie zijn tot aan de rand van de dood gegaan voordat hij je terugriep, al zijn macht aanwendend, en je in de zoete vergetelheid van de slaap deed verzinken. En hoewel je inderdaad lang en gezegend hebt geslapen, is het nu toch tijd om weer te gaan rusten.’
‘En niet alleen Sam en Frodo hier,’ zei Gimli, ‘maar jij ook, Pepijn. Ik houd van je, al was het alleen maar om de last die ik met je heb gehad, die ik nooit zal vergeten. En ook zal ik niet vergeten dat ik je op de heuvel van de laatste slag heb gevonden. Als Gimli de dwerg er niet was geweest, zou je toen verloren zijn geweest. Maar ik weet nu tenminste hoe de voet van een hobbit eruitziet, al is dat het enige dat er te zien valt onder een hoop lijken. En toen ik dat grote karkas van je af tilde, vergewiste ik mij ervan dat je dood was. Ik had mijn baard wel kunnen uitrukken. En het is pas een dag geleden sinds je voor het eerst weer op en naar buiten mocht. En nu ga je naar bed! En ik ook!’
‘En ik,’ zei Legolas, ‘zal in de bossen van dit mooie land gaan wandelen, hetgeen rust genoeg is. In de komende dagen zullen, als mijn elfenheer het goed vindt, sommigen van ons volk hiernaartoe gaan; en wanneer wij komen zal het een tijdlang gezegend zijn. Een tijd: een maand, een leven, honderd mensenjaren. Maar de Anduin is dichtbij, en de Anduin leidt naar de zee. Naar de Zee!’
En zo zingende ging Legolas de heuvel af.
Toen vertrokken de anderen ook, en Sam en Frodo gingen naar bed en sliepen. En in de ochtend stonden zij weer op, hoopvol en vredig; en zij vertoefden vele dagen in Ithilien. Want het Veld van Cormallen, waar het leger nu zijn kamp had opgeslagen, was dicht bij de Henneth Annûn, en de stroom die over de watervallen liep was ’s nachts te horen, terwijl hij door de rotsachtige poort stroomde en door de bloeiende weiden in de Anduin uitkwam bij het Eiland Cair Andros. De hobbits zwierven hier en daar rond om de plaatsen te bezoeken waar zij eerder langs waren gekomen; en Sam hoopte de hele tijd dat hij in een schaduw van de bossen of op een verborgen open plek een glimp van de grote Olifant zou opvangen. En toen hij hoorde dat er bij het beleg van Gondor een groot aantal van deze beesten was geweest, maar dat ze alle waren vernietigd, beschouwde hij dat als een smartelijk verlies.
‘Welnu, je kunt niet overal tegelijk zijn, veronderstel ik,’ zei hij. ‘Maar klaarblijkelijk heb ik een hoop gemist.’
Ondertussen maakte het leger zich op om naar Minas Tirith terug te keren. De vermoeiden rustten uit en de gewonden werden genezen. Want sommigen hadden zich erg ingespannen en met de overlevenden van de Oosterlingen en Zuiderlingen gestreden, tot allen waren onderworpen. En het laatst van allen keerden zij terug die Mordor waren binnengetrokken en de forten in het noorden van het land hadden vernietigd. Maar toen de maand mei ten slotte ten einde liep, gingen de Aanvoerders van het Westen weer op weg en zij gingen scheep met al hun manschappen, en voeren van Cair Andros de Anduin af naar Osgiliath; en daar bleven zij een dag; en de dag daarna kwamen zij bij de groene velden van de Pelennor en zagen weer de witte torens onder de hoge Mindolluin, de Stad van de mensen van Gondor, de laatste herinnering aan Westernisse, dat door duisternis en vuur een nieuwe dag had aanschouwd. En daar, midden in de velden, zetten zij hun paviljoens op en wachtten de komst van de ochtend af; want het was de vooravond van mei en de Koning zou bij zonsopgang zijn poorten binnentrekken.
V. De Stadhouder en de Koning
Over de stad van Gondor hadden twijfel en grote angst gehangen. Het mooie weer en de heldere zon hadden mensen, wier dagen weinig hoopvol waren en die iedere ochtend rampspoedig nieuws verwachtten, alleen maar een bespotting toegeschenen. Hun Heer was dood en verbrand, de Koning van Rohan lag dood in hun Citadel, en de nieuwe koning, die in de nacht naar hen toe was gekomen, was weer ten strijde getrokken tegen machten die te duister en vreselijk waren dan dat zij door enige macht of dapperheid konden worden overwonnen. En er kwam geen nieuws. Nadat het leger het Morguldal had verlaten en de noordelijke weg in de schaduw van de bergen was gegaan, was er geen enkele boodschapper teruggekeerd en geen enkel gerucht geweest over wat er in het dreigende oosten gaande was. Toen de Aanvoerders pas twee dagen weg waren, vroeg Vrouwe Éowyn de vrouwen die haar verzorgden om haar kleren te brengen, en zij duldde geen tegenspraak, maar stond op; en toen zij haar hadden aangekleed en haar arm in een linnen doek hadden gebonden, ging zij naar de Hoofdoppasser van de Huizen van Genezing. ‘Meneer,’ zei ze, ‘ik ben hogelijk ongerust en kan niet langer nietsdoen.’
‘Vrouwe,’ antwoordde hij, ‘u bent nog niet genezen, en ik heb opdracht gekregen u met bijzondere zorg te omringen. U had nog in geen zeven dagen van uw bed mogen opstaan, dit althans was mijn bevel. Ik verzoek u terug te gaan.’
‘Ik ben genezen,’ zei ze, ‘genezen tenminste wat mijn lichaam betreft, behalve mijn linkerarm, maar die doet geen pijn. Maar ik zal opnieuw ziek worden als er niets voor mij te doen is. Is er geen nieuws over de oorlog? De vrouwen kunnen mij niets vertellen.’