‘Er is geen nieuws,’ zei de Oppasser, ‘behalve dat de hoge Heren naar het Morguldal zijn gereden; en men zegt dat de nieuwe Aanvoerder uit het Noorden hun bevelhebber is. Een grote heer is dat, en een genezer, maar het komt mij vreemd voor dat de genezende hand ook het zwaard voert. Dat gebeurt nu niet meer in Gondor, hoewel het eens zo was, als men de oude verhalen mag geloven.
Maar jarenlang hebben wij, heelmeesters, slechts geprobeerd de wonden te helen die zijn veroorzaakt door de mensen met zwaarden. Hoewel wij ook zonder hen nog genoeg te doen zouden hebben; de wereld is vol kwalen en rampspoed zonder dat we oorlogen nodig hebben om ze te vermenigvuldigen.’
‘Er is maar één vijand voor nodig om een oorlog te beramen, geen twee, meester Oppasser,’ antwoordde Éowyn. ‘En zij die geen zwaarden hebben, kunnen er toch door sterven. Zou u willen dat het volk van Gondor alleen maar kruiden voor u zoekt, terwijl de Zwarte Heer legers bijeenbrengt? En het is niet altijd goed om lichamelijk te worden genezen. Ook is het niet altijd slecht om in de strijd te sterven, zelfs in bittere pijn. Indien het mij was toegestaan in dit donkere uur, zou ik het laatste kiezen.’ De Oppasser keek haar aan. Groot stond zij daar, haar ogen helder in haar bleke gezicht, haar vuist gebald toen zij zich omdraaide en uit het raam keek, dat op het oosten lag. Hij zuchtte en schudde het hoofd. Na een poosje wendde zij zich weer tot hem. ‘Is er dan niets te doen?’ vroeg zij. ‘Wie voert het bevel in deze Stad?’
‘Ik weet het niet precies,’ antwoordde hij. ‘Dat zijn dingen die mij niet aangaan. Er is een aanvoerder van de Ruiters van Rohan, en Heer Húrin die, naar mij ter ore is gekomen, de mensen van Gondor aanvoert. Maar Heer Faramir is rechtens de Stadhouder van de Stad.’
‘Waar kan ik hem vinden?’
‘In dit Huis, Vrouwe. Hij was ernstig gewond, maar hij is nu weer aan de beterende hand. Maar ik weet niet...’
‘Wilt u mij niet bij hem brengen? Dan zult u het weten.’
Heer Faramir liep alleen in de tuinen van de Huizen van Genezing en het zonlicht warmde hem, en hij voelde nieuw leven door zijn aderen stromen, maar zijn hart was bezwaard, en hij keek over de muren naar het oosten. En toen hij eraan kwam, sprak de Oppasser zijn naam en hij draaide zich om en zag Vrouwe Éowyn van Rohan; en hij werd tot medelijden bewogen, want hij zag dat zij gewond was, en zijn heldere blik bemerkte haar verdriet en rusteloosheid. ‘Mijn heer,’ zei de Oppasser, ‘hier is Vrouwe Éowyn van Rohan. Zij is met de koning meegereden en was ernstig gewond, en is nu aan mijn hoede toevertrouwd. Maar zij is niet tevreden en wil de Stadhouder van de Stad spreken.’
‘Begrijp hem niet verkeerd, heer,’ zei Éowyn. ‘Het is niet gebrek aan zorg dat mij benauwt. Geen huizen konden schoner zijn, voor hen die genezen willen worden. Maar ik kan niet lui neerliggen, werkloos, gekooid. Ik zocht de dood in de strijd. Maar ik ben niet gestorven, en de slag woedt verder.’ Op een teken van Faramir maakte de Oppasser een buiging en trok zich terug. ‘Wat wilt u dat ik doe, Vrouwe?’ vroeg Faramir. ‘Ik ben ook een gevangene van de Heelmeesters.’ Hij keek haar aan, en omdat hij een man was die tot groot medelijden in staat was, scheen het hem toe dat haar lieflijkheid, ondanks haar smart, zijn hart zou doorboren. En zij keek hem aan en zag de ernstige tederheid in zijn ogen, maar wist – want zij was opgegroeid te midden van krijgers – dat hier iemand was die geen Ruiter van de Mark in het gevecht zou verslaan. ‘Wat wilt u?’ vroeg hij weer. ‘Als het in mijn vermogen ligt zal ik het doen.’
‘Ik zou willen dat u de Oppasser beveelt, en hem vraagt mij te laten gaan,’ zei ze, maar hoewel haar woorden nog trots waren, weifelde haar hart, en voor de eerste keer twijfelde zij aan zichzelf. Zij vermoedde dat deze grote man, ernstig maar tevens vriendelijk, zou kunnen denken dat zij alleen maar grillig was, als een kind dat niet de geestelijke vastberadenheid bezit om een saaie taak te voleinden. ‘Ik ben zelf ook onder de hoede van de Oppasser,’ antwoordde Faramir. ‘En ik heb ook mijn gezag in de Stad nog niet aanvaard. Maar ook al had ik dat wel gedaan, dan zou ik toch naar zijn raad luisteren en niet tegen zijn wil ingaan waar het zaken van zijn vak betreft, tenzij in een geval van hoge nood.’
‘Maar ik wens niet te worden genezen,’ zei ze. ‘Ik wil als mijn broeder Éomer ten strijde trekken, of liever nog zoals koning Théoden, want hij is gestorven en heeft zowel eer als vrede verworven.’
‘Het is te laat, Vrouwe, om de Aanvoerders te volgen, ook al had u de kracht,’ zei Faramir. ‘Maar wij kunnen allen nog in de strijd worden gedood, of wij het begeren of niet. U zult beter voorbereid zijn om hem op uw eigen manier onder ogen te zien wanneer u, zolang er nog tijd is, doet wat de Heelmeester heeft bevolen. U en ik, wij moeten met geduld de uren van wachten aanvaarden.’ Zij gaf geen antwoord, maar toen hij haar aankeek, scheen het hem toe dat iets in haar zachter werd, alsof een bittere vorst week voor de eerste vage voorbode van de lente. Een traan welde in haar oog en rolde als een glinsterende regendroppel over haar wang. Haar trotse hoofd boog zich een weinig. Toen, kalm, alsof ze tot zichzelf sprak in plaats van tegen hem: ‘Maar de heelmeesters willen dat ik nog zeven dagen het bed houd,’ zei ze. ‘En mijn raam kijkt niet op het oosten uit.’ Haar stem was nu die van een jong en treurig meisje.
Faramir glimlachte, hoewel zijn hart van medelijden was vervuld. ‘Kijkt uw venster niet op het oosten uit?’ vroeg hij. ‘Daar is iets aan te doen. In deze zal ik de Oppasser bevelen. Als u onder onze hoede in dit huis wilt blijven, Vrouwe, en wilt rusten, dan zult u in deze tuin in de zon lopen wanneer u maar wilt; en u zult naar het oosten kijken, waar al onze hoop heen is gegaan. En hier zult u mij vinden, wandelend en wachtend, en ook naar het oosten kijkend. Het zou mijn zorg verminderen als u met mij zou willen praten of nu en dan met mij wilt wandelen.’ Toen hief ze het hoofd op en keek hem weer in de ogen; en er kwam kleur op haar bleke gezicht. ‘Hoe zou ik uw zorgen kunnen verlichten, mijn heer?’ vroeg ze. ‘En ik verlang niet naar de conversatie van levende mensen.’
‘Wilt u dat ik ondubbelzinnig antwoord?’ vroeg hij. ‘Dat wil ik.’
‘Dan, Éowyn van Rohan, zeg ik u dat u mooi bent. In de valleien van onze heuvels zijn mooie en kleurrijke bloemen, en nog mooiere meisjes; maar ik heb nog nooit in Gondor een bloem of vrouw gezien die zo mooi en zo treurig was. Het kan zijn dat wij nog maar een paar dagen hebben voor de duisternis op de wereld valt, en wanneer die komt, hoop ik haar standvastig onder ogen te zien; maar het zou mijn hart verlichten als ik u, terwijl de Zon nog schijnt, zou kunnen zien. Want u en ik zijn beiden onder de vleugels van de Schaduw doorgegaan, en dezelfde hand trok ons terug.’
‘Helaas, ik niet, mijn heer,’ zei ze. ‘Een Schaduw ligt nog steeds over mij. Verwacht van mij geen genezing! Ik ben een schildmaagd en mijn hand is niet zachtzinnig. Maar ik ben u in ieder geval dankbaar dat ik niet in mijn kamer hoef te blijven. Ik zal buiten lopen bij de gratie van de Stadhouder van de Stad.’ En zij maakte een voetval voor hem en liep terug naar het huis. Maar Faramir bleef nog lange tijd alleen in de tuin wandelen, en zijn blik dwaalde nu vaker af naar het huis dan naar de oostelijke muren.
Toen hij naar zijn kamer terugkeerde, liet hij de Oppasser bij zich komen en vernam van hem alles wat hij over de Vrouwe van Rohan kon vertellen. ‘Maar ik twijfel er niet aan, heer,’ zei de Oppasser, ‘dat u meer van de halfling die bij ons verblijft te weten zou kunnen komen dan van ons, want hij was in het gezelschap van de Koning, en op het laatst bij de Vrouwe, zegt men.’ En zodoende werd Merijn naar Faramir gestuurd en voor de rest van die dag spraken zij lang met elkaar, en Faramir kwam veel te weten, meer nog dan Merijn onder woorden bracht; en hij dacht dat hij nu iets van het verdriet en de rusteloosheid van Éowyn van Rohan begreep. En die mooie avond liep Faramir met Merijn in de tuin, maar zij kwam niet. Maar in de ochtend, toen Faramir uit de Huizen kwam, zag hij haar op de muren staan, en zij was helemaal in het wit gekleed en straalde in de zon. En hij riep haar, en zij kwam naar beneden en zij liepen op het gras of zaten samen onder een groene boom, nu zwijgend, dan weer sprekend. En iedere volgende dag deden zij hetzelfde. En de Oppasser, die uit zijn raam keek, was blij in zijn hart, want hij was een heelmeester en zijn zorg was verlicht; want het was een feit dat, zwaar als de angst en de voorgevoelens van die dagen ook op de harten der mensen mochten drukken, dit tweetal onder zijn hoede wel voer en dagelijks in kracht toenam. En zo kwam de vijfde dag sinds Vrouwe Éowyn voor het eerst naar Faramir toe ging; en zij stonden nu weer samen op de muren van de Stad en keken uit. Er was nog geen nieuws gekomen, en alle harten waren bedrukt. Het weer was ook niet langer helder. Het was koud. Een wind die in de nacht was opgestoken, woei nu scherp uit het noorden en wakkerde aan, maar de landen rondom hen zagen er grijs en naargeestig uit. Zij waren in warme kleren en zware mantels gestoken en daaroverheen droeg Vrouwe Éowyn een blauwe mantel met de kleur van een diepe zomernacht, en deze was aan de zoom en aan de hals afgezet met zilveren sterren. Faramir had deze mantel laten halen en die om haar heen geslagen, en hij vond dat zij er mooi en vorstelijk uitzag zoals zij daar aan zijn zijde stond. De mantel was gemaakt voor zijn moeder, Finduilas van Amroth, die vroegtijdig was gestorven, en voor hem slechts een herinnering aan lieflijkheid in verre dagen en aan zijn eerste verdriet was; en haar mantel leek hem een kledingstuk dat bij de schoonheid en droefheid van Éowyn paste. Maar zij rilde nu onder de besterde mantel en keek naar het noorden, over de grijze landen, in het oog van de koude wind, waar in de verte de hemel hard en helder was. ‘Waar kijkt u naar, Éowyn?’ vroeg Faramir. ‘Ligt daarginds niet de Zwarte Poort?’ vroeg zij. ‘En moet hij daar nu niet zijn aangekomen? Het is zeven dagen geleden sinds hij is uitgereden.’