‘Zeven dagen,’ zei Faramir. ‘Maar denk geen kwaad van mij als ik u zeg: zij hebben mij zowel een vreugde als een pijn gebracht die ik nooit had gedacht te zullen kennen. Vreugde om u te zien, maar pijn, omdat nu de angst en de twijfel van deze boze tijd wel heel erg donker zijn geworden. Éowyn, ik zou niet willen dat deze wereld nu eindigde, of dat ik dat wat ik gevonden heb zo snel zou verliezen.’
‘Verliezen wat u hebt gevonden, heer?’ antwoordde zij, maar zij keek hem ernstig aan en haar ogen waren vriendelijk. ‘Ik weet niet wat u in deze dagen gevonden hebt dat u zou kunnen verliezen. Maar kom, mijn vriend, laat ons er niet over praten! Laat ons helemaal niet praten! Ik sta op een afschuwelijke rand, en het is volkomen donker in de afgrond voor mijn voeten, maar of er enig licht achter mij is kan ik niet zeggen. Want ik kan mij nog niet omdraaien. Ik wacht op een of andere slag van het noodlot.’
‘Ja, we wachten op de slag van het noodlot,’ zei Faramir. En zij zeiden niets meer; en het leek hun, toen zij op de muur stonden, dat de wind ging liggen, en het licht afnam, en de zon vaag was, en alle geluiden in de Stad of in de omliggende landen gedempt waren: wind, stem, noch vogelroep noch bladergeritsel, noch hun eigen adem was er te horen; zelfs het kloppen van hun harten was verstild. De tijd stond stil. En terwijl zij zo stonden, ontmoetten hun handen elkaar en verstrengelden zich, hoewel zij het niet wisten. En nog altijd wachtten zij, maar wisten niet waarop. Toen ineens scheen het hun toe dat er boven de randen van de verre bergen een nieuwe enorme berg van duisternis oprees, omhoog torenend als een golf die de hele wereld zou opslokken, en eromheen flikkerde de bliksem; en toen ging er een siddering door de aarde, en zij voelden de muren van de Stad trillen. Een geluid als een zucht steeg op uit alle landen rondom hen; en hun harten begonnen plotseling weer te kloppen. ‘Het doet mij aan Númenor denken,’ zei Faramir, en hij was verbaasd zichzelf te horen spreken. ‘Aan Númenor?’ vroeg Éowyn. ‘Ja,’ zei Faramir, ‘aan het land Westernisse dat verging, en aan de grote donkere golf die boven de groene landen uitsteeg en boven de heuvels, en de komst van onontkoombare duisternis. Ik droom er vaak van.’
‘Denkt u dan dat de Duisternis op komst is?’ vroeg Éowyn. ‘Onontkoombare Duisternis?’ En plotseling ging zij dicht bij hem staan. ‘Nee,’ zei Faramir, terwijl hij haar aankeek. ‘Het was maar een beeld in mijn geest. Ik weet niet wat er gebeurt. De rede van mijn wakende geest zegt mij dat er een groot kwaad is geschied en dat wij aan het einde van de tijd staan. Maar mijn hart zegt nee; en al mijn ledematen zijn licht, en ik voel een hoop en een vreugde die geen rede kan ontkennen. Éowyn, Éowyn, Witte Vrouwe van Rohan, op dit uur geloof ik niet dat enige duisternis zal beklijven.’ Hij boog zich voorover en kuste haar voorhoofd. En zo stonden zij op de muren van de Stad van Gondor en er stak een grote wind op en hij woei, en hun haar ravenzwart en goud, wapperde en verstrengelde zich in de wind. En de Schaduw verdween en de zon kwam tevoorschijn en licht sprong naar voren; en het water van de Anduin schitterde als zilver, en in alle huizen van de Stad zongen mensen van vreugde die in hun harten was opgeweld, al wisten zij niet uit welke bron. En voordat de zon ver voorbij de noen was, kwam uit het oosten een grote adelaar aangevlogen, en hij bracht onverhoopt nieuws van de Heren van het Westen, uitroepende:
En de mensen zongen op alle wijzen van de Stad.
De dagen die volgden waren van goud, en het Voorjaar en de Zomer versmolten en verlustigden zich samen in de velden van Gondor. En nu kwamen er berichten van snelle Ruiters uit Cair Andros over alles wat er was gedaan, en de Stad maakte zich klaar voor de komst van de Koning. Merijn werd ontboden en reed weg met de wagens die goederen naar Osgiliath brachten en vandaar naar Cair Andros; maar Faramir ging niet, want nu hij genezen was, nam hij zijn gezag en het Stadhouderschap op zich, hoewel het slechts voor korte tijd zou zijn, en het zijn plicht was alles in gereedheid te brengen voor degene die hem zou vervangen. En Éowyn ging niet, hoewel haar broer haar een boodschap zond waarin hij haar vroeg naar het Veld van Cormallen te komen. En Faramir verbaasde zich hierover, maar hij zag haar zelden, want hij had het druk met veel zaken; en zij woonde nog altijd in de Huizen van Genezing en wandelde alleen in de tuin, en haar gezicht werd weer bleek, en het scheen dat zij de enige in de hele Stad was die ziek en verdrietig was. En de Oppasser was verontrust en hij sprak met Faramir. Toen kwam Faramir haar opzoeken, en nogmaals stonden zij samen op de muren, en hij zei tegen haar: ‘Éowyn, waarom blijft u hier toeven en gaat u niet naar de feesten in Cormallen achter Cair Andros, waar uw broer op u wacht?’ En zij zei: ‘Weet u dat niet?’ Maar hij antwoordde: ‘Misschien zijn er twee redenen, maar welke de ware is, weet ik niet.’ En zij zei: ‘Ik wil geen raadsels oplossen. Spreek duidelijker taal!’
‘Als u het dan wilt, Vrouwe,’ zei hij, ‘u gaat niet omdat alleen uw broer u heeft geroepen, en om Heer Aragorn, Elendils erfgenaam, in zijn triomf te zien zou u geen vreugde schenken. Of omdat ik niet ga, en u nog graag bij mij wilt zijn. En misschien wel om deze beide redenen, en omdat u zelf geen keuze kunt maken. Éowyn, hebt u mij niet lief, of wilt u het niet?’