‘Ik wilde door een ander worden bemind,’ zei ze. ‘Maar ik begeer niemands medelijden.’
‘Dat weet ik,’ zei hij. ‘U wilde de liefde bezitten van Heer Aragorn. Omdat hij hoog en machtig was en u naar faam en glorie verlangde en om ver boven de gewone wezens die over de aardbodem kruipen te worden uitgetild. En hij scheen u bewonderenswaardig toe, zoals een groot aanvoerder dat voor een jonge soldaat kan zijn. Want dat is hij, een heerser onder de mensen, de grootste die er nu is. Maar toen hij u alleen maar begrip en medelijden schonk, wilde u niets, tenzij een dappere dood in de strijd. Kijk mij aan, Éowyn!’ En Éowyn keek Faramir lang en kalm aan, en Faramir zei: ‘Verwerp niet het medelijden dat de gave van een vriendelijk hart is, Éowyn! Maar ik bied u mijn medelijden niet aan. Want u bent een voorname, dappere vrouw en hebt zelf een vermaardheid verworven die niet zal worden vergeten; en u bent een vrouw, met een schoonheid, vind ik, die zelfs de woorden van de elfentaal niet kunnen beschrijven. En ik houd van u. Eens had ik medelijden met uw verdriet. Maar nu, ook al had u geen verdriet, en had u geen vrees of enig gebrek, al was u de verrukkelijke Koningin van Gondor, dan zou ik nog van u houden. Éowyn, houdt u niet van mij?’ Toen voltrok zich een verandering in het hart van Éowyn, of zij begreep het ten slotte. En plotseling ging haar winter voorbij, en de zon scheen op haar neer. ‘Ik sta in Minas Anor, de Zonnetoren,’ zei ze, ‘en zie, de Schaduw is heengegaan! Ik zal niet langer een schildmaagd zijn, en ook niet langer de grote Ruiters benijden, en ook niet uitsluitend behagen scheppen in de liederen over doden. Ik zal een genezer zijn, en alle dingen liefhebben die groeien en niet onvruchtbaar zijn.’ En zij keek opnieuw naar Faramir. ‘Ik begeer niet langer een koningin te zijn,’ zei ze. Toen lachte Faramir vrolijk. ‘Dan is het goed,’ zei hij, ‘want ik ben geen koning. Toch zal ik met de Witte Vrouwe van Rohan trouwen, als zij dat wil. En als zij dat wil, laten wij dan de Rivier oversteken en laat ons in gelukkiger tijden in het schone Ithilien wonen en daar een tuin maken. Alle dingen zullen daar met vreugde groeien als de Witte Vrouwe komt.’
‘Moet ik dan mijn eigen volk verlaten, man uit Gondor?’ vroeg zij. ‘En zou u willen dat uw trotse volk van u zei: “Daar gaat een heer die een wilde schildmaagd uit het Noorden temde. Was er geen vrouw van het ras van Númenor om te kiezen?”’
‘Dat zou ik willen,’ zei Faramir. En hij nam haar in de armen en kuste haar onder de zonovergoten hemel, en het kon hem niet schelen dat zij hoog op de muren stonden waar velen hen konden zien. En velen zagen hen ook en het licht dat hen omstraalde toen zij van de muren naar beneden kwamen en hand in hand naar de Huizen van Genezing gingen. En tegen de Oppasser van de Huizen van Genezing zei Faramir: ‘Hier is Vrouwe Éowyn van Rohan, en nu is zij genezen.’ En de Oppasser zei: ‘Dan ontsla ik haar uit mijn hoede en zeg haar vaarwel, en moge zij nooit meer gewond raken of ziek worden. Ik vertrouw haar toe aan de zorg van de Stadhouder van de Stad, tot haar broer terugkeert.’ Maar Éowyn zei: ‘Nu ik verlof heb om te vertrekken, zou ik graag blijven. Want dit Huis is voor mij het gezegendste van alle huizen geworden.’ En zij bleef daar tot Koning Éomer kwam.
Alles werd nu in de Stad in gereedheid gebracht, en er was een grote toeloop van mensen, want het nieuws was naar alle delen van Gondor gezonden, van Min-Rimmon tot aan Pinnath Gelin en de verre zeekusten toe; en allen die naar de Stad konden komen, haastten zich om te gaan. En de Stad was weer vol vrouwen en blonde kinderen die beladen met bloemen naar hun huizen terugkeerden; en uit Dol Amroth kwamen de beste harpspelers van het hele land, en er waren lieden die vedels en fluiten en zilveren hoorns bespeelden, en zoetgevooisde zangers uit de dalen van Lebennin. Ten slotte brak er een avond aan waarop men van de muren af de paviljoens op het veld kon zien, en de hele nacht brandden er lichtjes toen de mensen op de dageraad wachtten. En toen de zon in de heldere ochtend opging boven de bergen in het oosten waarover geen schaduwen meer lagen, luidden alle klokken en alle banieren werden ontvouwd en wapperden in de wind; en op de Witte Toren van de Citadel werd de standaard van de Stadhouders, stralend zilver als sneeuw in de zon, zonder wapen of devies, voor de laatste keer boven Gondor gehesen. Nu leidden de Aanvoerders van het Westen hun leger naar de Stad, en de mensen zagen hen rij voor rij naderen, schitterend en stralend in de zonsopgang en fonkelend als zilver. En zo kwamen zij voor de weg die naar de Poort leidde en bleven een tweehonderd meter van de muren staan. Tot dusver waren er nog geen nieuwe poortdeuren aangebracht, maar er was een versperring over de ingang naar de Stad gelegd, en daar stonden soldaten in zilver en zwart met lange getrokken zwaarden. Voor de versperring stonden Faramir de Stadhouder en Húrin de Sleutelbewaarder, en andere aanvoerders van Gondor, en Vrouwe Éowyn van Rohan met Elfhelm de Maarschalk en vele ridders van de Mark; en aan weerskanten van de Poort was een grote toeloop van schone lieden met veelkleurige gewaden en bloemenkransen. Nu was er een wijde ruimte voor de muren van Minas Tirith, en deze was aan alle kanten ingesloten door de ridders en de soldaten van Gondor en van Rohan, en door de mensen van de Stad en van alle delen van het land. Er viel een stilte over allen toen de Dúnedain gekleed in zilver en grijs uit het leger traden; en voor hen uit kwam langzaam Heer Aragorn gelopen. Hij was gekleed in een buis van zwarte maliën met zilver en droeg een lange mantel van zuiver wit, aan de hals vastgezet met een groot groen juweel dat van ver schitterde; maar zijn hoofd was onbedekt op een ster op zijn voorhoofd na die aan een dunne zilveren band was bevestigd. Bij hem waren Éomer van Rohan en Prins Imrahil en Gandalf, helemaal in het wit gekleed, en vier kleine figuren, waarover vele mensen zich verbaasden. ‘Nee, nicht, dit zijn geen jongens!’ zei Ioreth tegen haar verwante uit Imloth Melui, die naast haar stond. ‘Het zijn Periain, uit het verre land van de halflingen, waar zij befaamde prinsen zijn, naar men zegt. Ik kan het weten, want ik heb er een in de Huizen moeten verplegen. Ze zijn klein, maar ze zijn dapper. Hemeltje, nicht, een van hen is alleen met zijn schildknaap naar het Zwarte Land gegaan en heeft helemaal alleen met de Zwarte Vorst gevochten, en zijn Toren in brand gestoken, als je het kunt geloven. Tenminste, dat wordt in de Stad verteld. Dat zal degene zijn die bij onze Elfensteen loopt. Ze zijn dikke vrienden, naar ik hoor. Nou, hij is verbazend, die heer Elfensteen: niet te zoetsappig in zijn manier van spreken, weet je, maar hij heeft een hart van goud, zoals dat heet, en hij heeft genezende handen. “De handen van de koning zijn de handen van een genezer,” zei ik; en zo kwam het dat alles werd ontdekt. En Mithrandir, hij zei tegen mij: “Ioreth, de mensen zullen zich jouw woorden nog lang herinneren,” en...’ Maar haar bloedverwant uit de provincie liet Ioreth haar zin niet afmaken, want er schalde een trompet en er volgde een doodse stilte. Toen ging Faramir met Húrin van de Sleutels en niemand anders weg van de Poort, behalve dat vier mannen met de hoge helmen en wapenrusting van de Citadel achter hen aan liepen, en zij droegen een grote kist van zwart lebethron omwonden met zilver. Faramir ontmoette Aragorn te midden van hen die daar verzameld waren, en hij knielde en zei: ‘De laatste Stadhouder van Gondor vraagt verlof om zijn ambt over te dragen.’ En hij hield een witte staf voor zich uit, maar Aragorn nam de staf en gaf hem terug, met de woorden: ‘Dat ambt is niet geëindigd, en het zal u en uw erfgenamen toebehoren zolang mijn geslacht zal voortbestaan. Vervul nu uw ambt!’ Toen stond Faramir op en sprak met heldere stem: ‘Mensen van Gondor, hoor nu de Stadhouder van dit Rijk! Zie! Er is iemand gekomen om het koningschap eindelijk op te eisen. Hier is Aragorn, zoon van Arathorn, hoofd van de Dúnedain van Arnor, Aanvoerder van het Leger van het Westen, drager van de Ster van het Noorden, hanteerder van het Opnieuw Gesmede Zwaard, glorierijk in de strijd, wiens handen genezing brengen, de Elfensteen, Elessar van het geslacht van Valandil, Isildurs zoon, Elendils zoon van Númenor. Zal hij koning zijn en de Stad binnengaan en daar wonen?’ En het hele leger en alle mensen riepen als één man ja. En Ioreth zei tegen haar familielid: ‘Dit is slechts een ceremonie zoals wij die in de Stad hebben, nicht; want hij is de stad al binnengegaan zoals ik je zei, en hij zei tegen me...’ En toen moest ze weer zwijgen, want Faramir sprak weer.