‘Wat Bilbo betreft,’ zei Gandalf, ‘hij wacht op dezelfde dag en weet wat jou hier houdt. En wat het verlopen der dagen betreft, het is nu pas mei en het is nog geen hoogzomer; en hoewel het lijkt alsof alle dingen veranderd zijn, alsof er een era van de wereld voorbij is, toch is het voor de bomen en het gras nog geen jaar sinds je op weg ging.’
‘Pepijn,’ zei Frodo, ‘heb jij niet gezegd dat Gandalf minder gesloten was dan vroeger? Hij was toen moe van zijn inspanningen, denk ik. Nu is hij herstellende.’ En Gandalf zei: ‘Vele lieden willen van tevoren weten wat er op tafel zal worden gezet; maar zij die zich hebben ingespannen om het feestmaal te bereiden, willen graag hun geheim bewaren; want verbazing maakt de woorden van lof luider. En Aragorn wacht zelf op een teken.’
Er kwam een dag waarop Gandalf niet te vinden was, en de Reisgenoten vroegen zich af wat er aan de hand was. Maar Gandalf nam Aragorn ’s nachts mee de Stad uit, en hij bracht hem naar de zuidelijke voet van de Berg Mindolluin; en daar vonden zij een pad dat in vorige era’s was gemaakt en dat weinigen nu durfden betreden. Want het leidde de berg op naar een hoge heilige plaats, waar alleen de koningen plachten te gaan. En zij gingen omhoog langs steile paden, tot zij op een hoog plateau kwamen onder de sneeuw die de hoge toppen bedekte, dat neerkeek over de afgrond die zich achter de Stad bevond. En toen zij daar stonden, keken zij uit over de landen, want de ochtend was aangebroken en zij zagen de torens van de Stad ver beneden zich als witte spitsen die door het zonlicht waren aangeraakt, en het hele Dal van de Anduin was als een tuin, en de Schaduwbergen waren in een gouden mist gehuld. Aan de ene kant reikte hun blik tot aan de grijze Emyn Muil, en de schittering van de Rauros was als een ster die van verre twinkelde; en aan de andere kant zagen zij de Rivier als een lint dat naar de Pelargir liep, en daarachter scheen een licht op de zoom van de hemel, dat van de Zee sprak. En Gandalf zei: ‘Dit is jouw rijk, en het hart van het grotere rijk dat nog zal komen. De Derde Era van de wereld is geëindigd, en de nieuwe era is begonnen; en het is jouw taak om zijn begin te ordenen en te bewaren wat bewaard moet worden. Want hoewel er veel gered is, moet er nu veel verdwijnen; en de macht van de Drie Ringen is ook ten einde. En alle landen die je ziet en alle die eromheen liggen zullen de woonplaatsen van mensen worden. Want de tijd van de Heerschappij der mensen breekt aan, en het Oudste Geslacht zal uitsterven of wegtrekken.’
‘Ik weet het al te goed, waarde vriend,’ zei Aragorn, ‘maar ik zou toch nog graag je raad hebben.’
‘Maar niet lang meer,’ zei Gandalf. ‘De Derde Era was mijn era. Ik was de Vijand van Sauron en mijn werk is voltooid. Ik zal weldra heengaan. De last moet nu op jou en je geslacht rusten.’
‘Maar ik zal sterven,’ zei Aragorn. ‘Want ik ben een sterfelijk mens, en hoewel ik ben wat ik ben en tot het ras van onvermengden bloede van het Westen behoor, zal ik veel langer dan andere mensen leven; maar toch is dat maar een korte tijd; en wanneer zij die nu nog in de schoot van vrouwen zijn, geboren zijn en oud zijn geworden, zal ook ik oud worden. En wie zal dan Gondor en hen die deze Stad als hun koningin beschouwen besturen, als mijn wens niet wordt vervuld? De Boom op de Binnenplaats van de Fontein is nog kaal en dor. Wanneer zal ik een teken zien dat het ooit anders zal zijn?’
‘Wend je blik af van de groene wereld en kijk naar alles wat naakt en koud schijnt!’ zei Gandalf. Toen keerde Aragorn zich om en er was een rotsachtige helling achter hem die van de zomen van de sneeuw vandaan liep; en toen hij keek, zag hij dat daar eenzaam in de woestenij iets groeide. En hij klom ernaartoe, en zag dat even voorbij de rand van de sneeuw een jonge, nog geen drie voet hoge boom sproot. Hij had al jonge bladeren, lang en mooi van vorm, donker van boven en zilver aan de onderkant, en op de slanke kroon droeg hij een kleine tros bloemen, waarvan de witte blaadjes in de door de zon beschenen sneeuw glansden. Toen riep Aragorn uit: ‘Yé! utúvienyes! Ik heb het gevonden! Zie, hier is een loot van de Oudste der Bomen. Maar hoe komt hij hier? Want hij is zelf nog geen zeven jaar oud.’ En Gandalf kwam en keek ernaar en zei: ‘Voorwaar, dit is een loot van de tak van de mooie Nimloth; en die was een loot van Galathilion, en die weer een vrucht van Telperion, die vele namen had, Oudste der Bomen. Wie zal zeggen hoe hij hier komt op het voorbeschikte uur? Maar dit is een oude heilige plaats, en voor de koningen uitstierven of de Boom verdorde op de binnenplaats, moet hier een zaadje zijn geplant. Want men zegt dat, hoewel de vrucht van de Boom zelden tot wasdom komt, het leven daarin vele lange jaren kan slapen, en dat niemand kan voorspellen wanneer zij zal ontwaken. Onthoud dat. Want als ooit een vrucht rijpt, moet hij geplant worden, opdat de lijn niet in de wereld uitsterft. Hier heeft hij verborgen gelegen op de berg, terwijl het ras van Elendil zich in de wildernissen van het noorden schuilhield. Maar de lijn van Nimloth is veel ouder dan uw lijn, Koning Elessar.’ Toen legde Aragorn zijn hand zacht op de loot, en zie, hij bleek slechts los in de aarde te staan en werd er zonder beschadiging uitgehaald; en Aragorn nam hem mee terug naar de Citadel. Toen werd de verdorde boom uitgegraven, maar met eerbied; en zij verbrandden hem niet, maar legden hem ter ruste in de stilte van Rath Dínen. En Aragorn plantte de nieuwe boom op de binnenplaats bij de fontein, en vlug en blij begon hij te groeien; en toen de maand juni aanbrak, was hij overladen met bloesems. ‘Het teken is gegeven,’ zei Aragorn, ‘en de dag is niet ver meer af.’ En hij plaatste uitkijkposten op de muren.
Het was de dag voor midzomer toen boodschappers uit Amon Dîn naar de Stad kwamen, en zij zeiden dat er een stoet schone lieden uit het noorden op weg was en dat zij nu de muren van de Pelennor naderden. En de Koning zei: ‘Eindelijk zijn ze gekomen. Laat de gehele Stad in gereedheid brengen.’ En aan de vooravond van midzomer, toen de hemel blauw was als saffier en witte sterren in het oosten ontbloeiden, maar het westen nog goud was, en de lucht koel was en geurig, kwamen de Ruiters over de Noorderweg naar de poorten van Minas Tirith. Voorop reden Elrohir en Elladan met een banier van zilver, en daarna kwamen Glorfindel en Erestor en de hele hofhouding van Rivendel, en daarachter kwamen Vrouwe Galadriel en Celeborn, Heer van Lothlórien, die op witte rossen reden, en zij waren vergezeld van vele schone lieden van hun land, in grijze mantels met witte juwelen in het haar; en als laatste kwam Meester Elrond, de machtigste onder de elfen en mensen, die de scepter van Annúminas droeg, en naast hem op een grijze merrie, reed Arwen, zijn dochter, Avondster van haar volk. En toen Frodo haar schitterend zag naderen in de avond, met sterren op het voorhoofd en een zoete geur om haar heen, werd hij door een grote verbazing aangegrepen, en hij zei tegen Gandalf: ‘Nu begrijp ik eindelijk waarom wij gewacht hebben! Dit is het einde. Nu zal niet alleen de dag geliefd zijn, maar ook de nacht zal mooi en gezegend zijn en al zijn angsten zullen verdwijnen!’ Toen verwelkomde de Koning zijn gasten en zij stegen af; en Elrond overhandigde de scepter, en legde de hand van zijn dochter in de hand van de Koning, en samen gingen zij naar de Hoge Stad en alle sterren bloeiden aan de hemel. En Aragorn, Koning Elessar, trouwde met Arwen Undómiel in de Stad van de Koningen op de dag van Midzomer, en het verhaal van hun lange wachten en inspanningen was vervuld.