Выбрать главу

VI. Meer dan één afscheid

Toen de dagen van feestvreugde ten slotte voorbij waren, dachten de Reisgenoten erover naar hun eigen woonsteden terug te keren. En Frodo ging naar de Koning toen deze met Koningin Arwen bij de fontein zat, en zij zong een lied uit Valinor, terwijl de Boom groeide en bloeide. Zij verwelkomden Frodo en stonden op om hem te begroeten, en Aragorn zei: ‘Ik weet wat je komt zeggen, Frodo: je wilt naar je eigen woonplaats terugkeren. Welnu, beste vriend, de boom gedijt het beste in het land waar hij thuishoort, maar voor jou zal in alle landen van het westen altijd een warme ontvangst zijn weggelegd. En hoewel jouw volk weinig roem heeft geoogst in de legenden van de groten, zal het nu befaamder zijn dan vele grote rijken die niet meer bestaan.’

‘Het is waar dat ik naar de Gouw terug wil,’ zei Frodo. ‘Maar eerst moet ik naar Rivendel gaan. Want als ik iets gemist heb in een zo gezegende tijd, dan is het Bilbo geweest; en het heeft mij verdroten toen ik zag dat hij niet met Elrond was meegekomen.’

‘Verwonder je je daarover, Ringdrager?’ vroeg Arwen. ‘Je kent toch de macht van het voorwerp dat nu is vernietigd: en alles dat werd gedaan door die macht gaat nu heen. Maar je bloedverwant bezat dit voorwerp langer dan jij. Hij is nu oud in jaren, voor zijn soort; en hij wacht op je, want hij zal nooit meer een lange reis ondernemen, op één na.’

‘Dan vraag ik verlof om spoedig te vertrekken,’ zei Frodo. ‘Over zeven dagen zullen wij gaan,’ zei Aragorn. ‘Want wij zullen je een heel eind vergezellen op de weg, helemaal tot aan het land Rohan zelfs. Over drie dagen zal Éomer hier terugkeren om Théoden ter ruste te leggen in de Mark, en wij zullen met hem meerijden om de gevallenen eer te bewijzen. Maar voordat je gaat, wil ik de woorden bevestigen die Faramir tegen je gesproken heeft, want je bent altijd welkom in het rijk van Gondor, en ook al je metgezellen. En als er geschenken waren die ik zou kunnen geven die overeenstemmen met je daden, zou je ze krijgen; maar wat je ook begeert, zul je meenemen, en je zult met ere rijden en uitgedost als de prinsen van dit land.’

Maar Koningin Arwen zei: ‘Ik zal je een geschenk geven, want ik ben de dochter van Elrond. Ik zal nu niet met hem meegaan, wanneer hij naar de Havens vertrekt, want ik heb voor Lúthien gekozen, en ik heb gekozen zoals zij, zowel het zoete als het bittere. Maar jij zult in mijn plaats gaan, Drager van de Ring, wanneer de tijd komt, en als je het dan wenst. Als je wonden je nog pijn doen en de herinnering aan je last zwaar is, dan mag je naar het Westen gaan tot al je wonden en vermoeidheid genezen zijn. Maar draag dit nu ter herinnering aan Elfensteen en Avondster, met wie je leven verweven is geweest!’ En zij haalde een wit juweel tevoorschijn, als een ster, dat aan een zilveren ketting op haar borst hing, en zij deed de ketting om Frodo’s nek. ‘Wanneer de herinnering aan de angst en de duisternis je benauwt,’ zei ze, ‘zal dit je uitkomst brengen.’

Na drie dagen kwam, zoals de Koning had gezegd, Éomer van Rohan naar de Stad gereden, en hij had een éored van de voortreffelijkste ridders van de Mark bij zich. Hij werd welkom geheten, en toen zij allen in Merethrond, de Grote Feestzaal, aan tafel zaten, zag hij de schoonheid van de vrouwen en werd met grote verbazing vervuld. En voor hij ging rusten liet hij Gimli de dwerg komen en zei tegen hem: ‘Gimli, Glóins zoon, heb je je bijl bij je?’

‘Nee, heer,’ zei Gimli, ‘maar ik kan hem vlug halen, als het nodig is.’

‘Jij zult oordelen,’ zei Éomer. ‘Want er zijn enkele overhaaste woorden gezegd betreffende de Vrouwe van het Gouden Woud, die ons nog verdeeld houden. Maar nu heb ik haar met mijn eigen ogen gezien.’

‘Welnu, heer,’ zei Gimli, ‘wat zegt u nu?’

‘Helaas!’ zei Éomer. ‘Ik kan niet zeggen dat zij de mooiste Vrouwe is die er leeft.’

‘Dan moet ik mijn bijl gaan halen,’ zei Gimli. ‘Maar eerst wil ik dit tot mijn verontschuldiging aanvoeren,’ zei Éomer. ‘Als ik haar in een ander gezelschap had gezien, dan zou ik alles hebben gezegd dat je je maar kon wensen. Maar nu wil ik Koningin Arwen Avondster vooropstellen, en ik ben bereid te vechten met eenieder die dit ontkent. Zal ik mijn zwaard laten halen?’ Toen maakte Gimli een diepe buiging. ‘Nee, u bent verontschuldigd wat mij betreft, heer,’ zei hij. ‘U hebt de Avond gekozen; maar ik heb mijn liefde aan de Morgen geschonken. En mijn hart zegt mij dat deze spoedig voor altijd zal verdwijnen.’

Ten slotte brak de dag van het vertrek aan, en een groot en schitterend gezelschap maakte zich op om uit de Stad naar het noorden te rijden. Toen gingen de koningen van Gondor en Rohan naar de Heilige Plaatsen en kwamen bij de graftomben in Rath Dínen en droegen Koning Théoden op een gouden baar weg, en liepen zwijgend door de Stad. Toen legden zij de baar op een grote wagen, omringd door Ruiters van Rohan en voorafgegaan door zijn banier; en omdat Merijn Théodens schildknaap was reed hij op de wagen en behoedde de wapens van de koning. De andere Reisgenoten waren van paarden voorzien overeenkomstig hun grootte. Frodo en Sam Gewissies reden aan Aragorns zijde en Gandalf reed op Schaduwvacht. Pepijn reed met de ridders van Gondor en Legolas en Gimli reden als altijd op Arod. In die stoet gingen ook Koningin Arwen en Celeborn en Galadriel met hun gevolg mee, en Elrond en zijn zonen; en de prinsen van Dol Amroth en van Ithilien, en vele aanvoerders en ridders. Nooit werd enige koning van de Mark vergezeld door een dergelijk gezelschap als Théoden, Thengels zoon, naar het land waar hij thuishoorde. Zonder haast en in vrede trokken zij Anórien binnen en zij kwamen bij het Grijze Woud aan de voet van de Amon Dîn. En daar hoorden zij een geluid als van trommels die in de heuvels werden geslagen, hoewel er geen levend wezen te zien was. Toen liet Aragorn de trompetten steken en herauten riepen: ‘Zie, Koning Elessar is gekomen! Het Woud van Drúadan schenkt hij aan Ghân-buri-ghân en zijn volk, om voor altijd te behouden; en laat hierna geen mens het betreden zonder hun verlof.’ Toen roffelden de trommels luid, en zwegen.

Eindelijk, na vijftien dagen reizen, trok de wagen van Koning Théoden door de groene velden van Rohan en bereikte Edoras; en daar rustten allen uit. De Gouden Burcht was versierd met fraaie wandtapijten en vervuld van licht; en daar werd het mooiste feest gegeven dat het sinds de dagen waarin het was gebouwd had gekend. Want na drie dagen bereidden de mensen van de Mark de begrafenis van Théoden voor, en hij werd in een huis van steen gelegd, met zijn wapens en vele andere fraaie dingen die hij had bezeten, en boven hem werd een grote heuvel opgeworpen, bedekt met groene grasplaggen en witte immerdenk. En nu waren er acht grafheuvels aan de oostzijde van het Grafheuvelveld. Toen reden de Ruiters van de Hofhouding van de Koning op witte paarden om de heuvel heen en zongen samen een lied over Théoden, Thengels zoon, dat Gléowine, zijn minstreel, had gemaakt, en daarna maakte hij nooit meer een ander lied. De trage stemmen van de Ruiters ontroerden zelfs de harten van hen die de taal van dat volk niet kenden; maar de woorden van het lied brachten een schittering in de ogen van het volk van de Mark toen het wederom van ver de donder van de hoeven uit het noorden hoorde en de stem van Eorl, die boven het oorlogsrumoer op het Veld van Celebrant uitriep; en het verhaal van de koningen ging verder en de hoorn van Helm schalde luid in de bergen, tot de Duisternis kwam en Koning Théoden opstond en door de Schaduw naar het vuur reed, en een schitterende dood stierf op hetzelfde ogenblik dat de Zon, die boven alle hoop terugkeerde, in de ochtend op de Mindolluin straalde.

Uit twijfel, uit duister naar dageraad stijgend reed hij, zingend in de zon, ’t zwaard ontblotend. Hoop deed hij herleven, en in hoop stierf hij; boven dood, boven angst, boven doem geheven, uit verlies, uit leven, tot lange glorie.