Выбрать главу

Maar Merijn stond aan de voet van de groene grafheuvel en huilde, en toen het lied ten einde was stond hij op en riep: ‘Koning Théoden! Koning Théoden! Vaarwel! Als een vader bent u voor mij geweest, een korte tijd. Vaarwel!’

Toen de begrafenis voorbij was en het huilen van de vrouwen was bedaard, en Théoden ten slotte alleen in zijn graf werd achtergelaten, verzamelden allen zich in de Gouden Burcht voor het grote banket en zetten hun verdriet opzij; want Théoden had een hoge leeftijd bereikt en was met niet minder eer gestorven dan de grootsten van zijn voorvaderen. En toen het tijdstip aanbrak waarop zij, volgens de gewoonte van de Mark, op de nagedachtenis van de koningen moesten drinken, kwam Éowyn, Vrouwe van Rohan, naar voren, goud als de Zon en wit als sneeuw, en zij bracht Éomer een gevulde beker. Toen stond een minstreel en geleerde op en noemde alle namen van de Heren van de Mark in hun volgorde: Eorl de Jonge; en Brego, bouwer van de Burcht; en Aldor, broer van Baldor de ongelukkige; en Fréa, en Fréawine, en Goldwine, en Déor en Gram; en Helm, die begraven lag in de Helmsdiepte toen de Mark onder de voet werd gelopen; en dat was het einde van de negen heuvels aan de westzijde, want in die tijd werd de lijn verbroken, en daarna kwamen de heuvels aan de oostkant: Fréalaf, Helms zuster-zoon, en Léofa, en Walda, en Folca, en Folcwijn, en Fengel en Thengel, en Théoden als laatste. En toen Théoden werd genoemd, dronk Éomer de bokaal leeg. Toen verzocht Éowyn de bedienden de bokalen te vullen en allen die daar waren verzameld, stonden op en dronken op de nieuwe koning, en riepen: ‘Heil, Éomer, Koning van de Mark!’ Ten slotte, toen het banket ten einde liep, stond Éomer op en hij zei: ‘Welaan, dit is het begrafenismaal van Théoden de Koning; maar ik zal voor wij uiteengaan een blijde boodschap verkondigen, want hij zou het niet anders hebben gewild, omdat hij altijd een vader voor Éowyn, mijn zuster, is geweest. Hoor dan, al mijn gasten, voortreffelijke lieden uit vele rijken, zoals nog nimmer in deze burcht bijeen zijn geweest! Faramir, Stadhouder van Gondor en Prins van Ithilien, heeft gevraagd of Vrouwe Éowyn van Rohan zijn vrouw wil worden, en zij stemt daarin volgaarne toe. Daarom zullen zij zich in aanwezigheid van u allen verloven.’ En Faramir en Éowyn kwamen naar voren en gaven elkaar de hand; en allen daar dronken op hen en verheugden zich. ‘Aldus,’ zei Éomer, ‘wordt de vriendschap tussen de Mark en Gondor met een nieuwe band bezegeld, en ik verheug mij er des te meer om.’

‘U bent geen gierigaard, Éomer,’ zei Aragorn, ‘dat u zomaar het mooiste in uw rijk aan Gondor geeft!’ Toen keek Éowyn in de ogen van Aragorn en zij zei: ‘Wens mij geluk, mijn leenheer en genezer!’ En hij antwoordde: ‘Ik heb u geluk gewenst van het eerste ogenblik af dat ik u zag. Het heelt mijn hart u nu gelukkig te zien.’

Toen het banket voorbij was, namen zij die zouden vertrekken afscheid van Koning Éomer. Aragorn en zijn ridders, en het volk van Lórien en van Rivendel maakten zich op om weg te rijden; maar Faramir en Imrahil bleven in Edoras; en Arwen Avondster bleef ook en zij zei haar broeders vaarwel. Niemand zag haar laatste bijeenzijn met Elrond, haar vader, want zij gingen naar de heuvels en spraken daar lang met elkaar, en bitter was hun scheiding, die zou duren tot na het einde van de wereld. Ten slotte, voordat de gasten vertrokken, kwamen Éomer en Éowyn bij Merijn en zij zeiden: ‘Vaarwel nu, Meriadoc van de Gouw en Holdwine van de Mark! Moge het geluk met u zijn, en rijd spoedig terug naar waar u welkom bent.’ En Éomer zei: ‘Vroegere Koningen zouden je met meer geschenken hebben overladen dan een wagen kan dragen voor je daden op de velden van Mundburg; maar toch wil je niets anders aanvaarden, zeg je, dan de wapens die je werden gegeven. Ik moet hier wel mee instemmen, want ik heb geen waardig geschenk; maar mijn zuster smeekt je dit kleine voorwerp aan te nemen ter herinnering aan Dernhelm en aan de hoorns van de Mark bij de komst van de dageraad.’ Toen gaf Éowyn Merijn een zeer oude hoorn, klein, maar kunstig gemaakt, helemaal van prachtig zilver met een band van groen; en handwerkslieden hadden er snelle ruiters op gegraveerd, die achter elkaar reden en zich van het einde tot het mondstuk eromheen slingerden; en daar stonden runen op die bijzondere eigenschappen bezaten. ‘Dit is een erfstuk van ons huis,’ zei Éowyn. ‘Het werd door de dwergen gemaakt en kwam uit de buit van Scatha de draak. Eorl de Jonge heeft hem uit het Noorden meegebracht. Hij die er in geval van nood op blaast, zal angst wekken in de harten van zijn vijanden en vreugde in de harten van zijn vrienden, en zij zullen hem horen en naar hem toe komen.’ Toen nam Merijn de hoorn aan, want hij kon hem niet weigeren, en kuste Éowyns hand; en zij omhelsden hem en zo scheidden zij die keer.

Nu waren de gasten gereed en zij dronken de afscheidsbeker, en met grote vriendschap en loftuitingen vertrokken zij en kwamen ten slotte bij de Helmsdiepte, en daar rustten zij twee dagen. Toen loste Legolas zijn belofte aan Gimli in en ging met hem naar de Glinsterende Grotten; maar toen zij terugkwamen was hij stil en zei dat alleen Gimli woorden kon vinden om ze te beschrijven. ‘En nooit eerder heeft een dwerg zich erop kunnen beroepen een overwinning op een elf te hebben behaald waar het woorden betreft,’ zei hij. ‘Laat ons daarom nu naar Fangorn gaan en de stand gelijk maken.’ Van de Dieptekom reden zij naar Isengard, en zagen wat de enten allemaal hadden verricht. De hele stenen cirkel was omvergehaald en verwijderd, en het land daarbinnen was tot een tuin gemaakt, vol boomgaarden en bomen, en er liep een stroom door; maar te midden van dit alles was een meer van helder water, en daaruit rees de Toren van Orthanc nog op, hoog en onneembaar, en de zwarte rots waarop hij stond, werd weerspiegeld in het water. De reizigers zaten enige tijd waar eens de oude poorten van Isengard hadden gestaan, en daar stonden nu twee hoge bomen als schildwachten aan het begin van een groen omzoomd pad dat naar Orthanc liep; zij keken met verbazing naar het werk dat verricht was, maar nergens viel een levend wezen te bekennen. Weldra hoorden zij echter een stem hoem-hom, hoem-hom roepen; en daar kwam Boombaard het pad langs schrijden om hen te begroeten met Vlugstraal aan zijn zijde. ‘Welkom in de Boomgaard van Orthanc!’ zei hij. ‘Ik wist dat jullie eraan kwamen, maar ik was aan het werk in de vallei; er is nog een hoop te doen. Maar ook jullie hebben niet stilgezeten in het zuiden en oosten, hoor ik; en al wat ik hoor is goed, heel goed.’ Toen prees Boombaard al hun daden, waar hij alles van af scheen te weten; en ten slotte zweeg hij en keek Gandalf lang aan. ‘Wel, kom nu!’ zei hij. ‘U bent de machtigste gebleken, en al uw inspanningen zijn goed afgelopen. Waar gaat u nu heen? En waarom komt u hier?’

‘Om te zien hoe het met uw werk gaat, vriend,’ zei Gandalf, ‘en om u te bedanken voor uw hulp bij alles wat tot stand is gebracht.’

Hoem, welnu, dat is netjes,’ zei Boombaard, ‘want enten hebben stellig hun rol gespeeld. En niet alleen door met deze, hoem, vervloekte boommoordenaar die hier woonde af te rekenen. Want er was een grote aanval van die burárum, die valsogige-zwarthandigekrombenige-lafhartige-kromvingerige-rotbuikige-bloeddorstige morimaite-sincahonda, hoem – welnu, omdat jullie haastige lieden zijn en hun volle naam even lang is als jaren van marteling, dat ongedierte van orks; en zij kwamen over de Rivier en van het noorden, en helemaal om het bos van Laurelindórenan heen, waar zij, dankzij de Groten die hier zijn, niet in konden komen.’ Hij boog voor de Heer en Vrouwe van Lórien. ‘En deze smerige creaturen waren meer dan verrast om ons op het Wold te zien, want zij hadden nooit eerder van ons gehoord; hoewel dat ook van betere lieden gezegd kan worden. En niet velen zullen zich ons herinneren, want slechts weinigen zijn levend aan ons ontkomen, en de Rivier heeft de meesten van hen verzwolgen. Maar het was goed voor u lieden, want als ze ons niet waren tegengekomen, zou de koning van het grasland niet ver gekomen zijn, en als hij dat wel had gedaan, zou er geen huis zijn geweest om naar terug te keren.’