En toen Bilbo deze laatste woorden mompelde, viel zijn hoofd op de borst en was hij vast in slaap. De avond maakte de kamer donkerder, en het vuur brandde helderder; en zij keken naar Bilbo terwijl hij sliep en zagen dat er een glimlach op zijn gezicht was. Zo bleven zij een tijdje zwijgend zitten; en toen keek Sam de kamer rond, naar de flakkerende schaduwen op de muren en zei zacht: ‘Ik geloof niet, meneer Frodo, dat-ie veel geschreven heeft terwijl wij weg waren. Hij zal nu ons verhaal nooit meer schrijven.’ Hierop opende Bilbo één oog, bijna alsof hij het had gehoord. Toen ging hij rechtop zitten. ‘Je ziet, ik word zo slaperig,’ zei hij. ‘En wanneer ik tijd heb om te schrijven, schrijf ik bij voorkeur alleen maar poëzie. Ik vraag me af, Frodo, beste kerel, of je het erg zou vinden om mijn paperassen wat op te ruimen voordat je gaat? Doe al mijn aantekeningen en papieren bij elkaar en neem ze mee als je wilt. Zie je, ik heb niet veel tijd om alles uit te zoeken en samen te stellen. Laat Sam je helpen, en als je alles bij elkaar hebt, kom dan terug, dan zal ik het nog eens overlezen. Ik zal niet te kritisch zijn.’
‘Natuurlijk doe ik dat!’ zei Frodo. ‘En natuurlijk zal ik gauw terugkomen; het zal niet langer gevaarlijk zijn. Er is nu een echte koning en hij zal de wegen weldra in orde maken.’
‘Dank je, beste kerel,’ zei Bilbo. ‘Dat is werkelijk een pak van m’n hart.’ En hierop viel hij weer vast in slaap.
De volgende dag namen Gandalf en de hobbits afscheid van Bilbo in zijn kamer, want het was koud buiten; en toen zeiden ze vaarwel tegen Elrond en alle leden van zijn hofhouding. Toen Frodo op de drempel stond, wenste Elrond hem goede reis, zegende hem en hij zei: ‘Ik denk, Frodo, dat je misschien niet terug zult hoeven te komen, tenzij je heel gauw komt. Zoek omstreeks deze tijd van het jaar, wanneer de bladeren goud zijn voor ze vallen, Bilbo in de bossen van de Gouw. Ik zal bij hem zijn.’ Niemand anders hoorde deze woorden, en Frodo hield ze voor zich.
VII. Op weg naar Huis
Eindelijk keken de gezichten van de hobbits in de richting van hun woonplaats. Ze verlangden er nu naar de Gouw weer te zien; maar in het begin reden zij slechts langzaam, want Frodo was slecht op zijn gemak geweest. Toen zij bij de Voorde van de Bruinen kwamen, was hij blijven staan en scheen onwillig om de stroom in te rijden; en zij merkten dat zijn ogen hen en de dingen om hem heen enige tijd niet leken te zien. Die hele dag was hij stil. Het was de zesde oktober. ‘Heb je pijn, Frodo?’ vroeg Gandalf rustig toen hij naast hem reed. ‘Ja, dat heb ik,’ zei Frodo. ‘Het is mijn schouder. De wond doet zeer, en de herinnering aan duisternis drukt zwaar op mij. Het was vandaag een jaar geleden.’
‘Helaas! Er zijn wonden die niet helemaal kunnen worden genezen,’ zei Gandalf. ‘Ik vrees dat dat met de mijne misschien zo is,’ zei Frodo. ‘Er is geen werkelijke terugkeer. Hoewel ik naar de Gouw ga, zal het toch niet hetzelfde zijn, want ik zal niet dezelfde zijn. Ik ben gewond door mes, staal en tand en een lange last. Waar zal ik rust vinden?’ Gandalf gaf geen antwoord.
Tegen het einde van de volgende dag waren de pijn en de onlust over, en Frodo was weer vrolijk, zo vrolijk alsof hij zich de zwartheid van de vorige dag niet herinnerde. Daarna verliep de reis goed, en de dagen gingen snel voorbij; want zij reden op hun gemak, en vaak dwaalden zij door mooie boslanden, waar de bladeren rood en geel waren in de herfstzon. Ten slotte kwamen zij bij de Weertop; en het begon al tegen de avond te lopen en de schaduw van de heuvel lag donker over de weg. Toen smeekte Frodo hen zich te haasten, en hij wilde niet naar de heuvel kijken, maar reed met gebogen hoofd en zijn mantel dicht om zich heen getrokken door de schaduw ervan. Die nacht veranderde het weer en er stak een wind uit het westen op, zwanger van regen, die luid en koud blies, en de gele bladeren dwarrelden als vogels door de lucht. Toen ze bij het Kijtbos kwamen waren de takken al bijna kaal en een groot gordijn van regen onttrok de Heuvel van Breeg aan hun zicht.
Zo reden de vijf reizigers aan het einde van een stormachtige natte avond in de laatste dagen van oktober de klimmende weg op en kwamen bij de Zuiderpoort van Breeg. Deze zat potdicht, en de regen woei in hun gezichten, en langs de duisterende hemel joegen de lage wolken, en zij werden enigszins ontmoedigd, want zij hadden een warmere ontvangst verwacht. Toen ze vele keren hadden geroepen, kwam de Poortwachter eindelijk naar buiten, en zij zagen dat hij een grote knuppel droeg. Hij keek hen angstig en achterdochtig aan, maar toen hij zag dat Gandalf erbij was en dat zijn metgezellen ondanks hun vreemde kledij hobbits waren, monterde hij wat op en verwelkomde hen. ‘Kom binnen!’ zei hij, terwijl hij de poort ontgrendelde. ‘We zullen niet hierbuiten in de kou en de nattigheid blijven staan om nieuws uit te wisselen; het is hondenweer. Maar de ouwe Gersteman zal jullie ongetwijfeld een warm onthaal bereiden in de Pony, en daar zullen jullie alles te horen krijgen wat er te horen valt.’
‘En daar zullen jullie later alles te horen krijgen wat wij te zeggen hebben, en meer nog,’ zei Gandalf lachend. ‘Hoe gaat het met Harrie?’ De Poortwachter meesmuilde. ‘Weg,’ zei hij. ‘Maar dat kun je maar het beste aan Gersteman vragen. Goeienavond!’
‘Ook goeienavond,’ zeiden ze en ze gingen de poort door; en toen zagen ze dat er achter de haag aan de kant van de weg een lange lage hut was gebouwd waar een aantal mannen naar buiten was gekomen en hen over de omheining aanstaarde. Toen ze bij het huis van Willem Varentje kwamen, zagen ze dat de haag daar verwilderd en gehavend was en dat de ramen met planken waren dichtgetimmerd. ‘Denk je dat je hem doodgegooid hebt met die appel, Sam?’ vroeg Pepijn. ‘Daar is niet zoveel hoop op, meneer Pepijn,’ zei Sam. ‘Maar ik zou graag willen weten wat er van die arme pony is geworden. Ik heb vaak aan hem moeten denken, met die huilende wolven en zo.’
Ten slotte kwamen ze bij De Steigerende Pony en die zag er tenminste vanbuiten nog net zo uit; en er waren lichten achter de rode gordijnen voor de benedenramen. Ze luidden de bel en Nob kwam naar de deur, deed deze op een kier open en gluurde naar buiten; en toen hij hen onder de lamp zag staan slaakte hij een kreet van verbazing. ‘Meneer Boterbloem! Meester!’ riep hij. ‘Ze zijn teruggekomen!’
‘O, werkelijk? Ik zal ze leren,’ klonk de stem van Boterbloem, die naar buiten kwam rennen, met een knuppel in de hand. Maar toen hij zag wie het waren, bleef hij staan en de dreigende grijns op zijn gezicht maakte plaats voor een uitdrukking van verbazing en verrukking. ‘Nob, jij wolpotige geit!’ riep hij uit. ‘Kun je oude vrienden niet bij hun namen noemen? Je moet me niet zo de stuipen op het lijf jagen in deze tijden. Wel, wel! En waar zijn jullie vandaan gekomen? Ik had nooit gedacht dat ik een van jullie nog terug zou zien, en zo is het: zoals jullie met die Stapper de Wildernis zijn ingetrokken en al die Zwarte Mannen in de buurt. Maar ik ben echt blij jullie te zien, en wat Gandalf betreft het allermeest. Kom d’r in, kom d’r in! Dezelfde kamers als vorige keer? Ze zijn vrij. Ja, de meeste kamers zijn leeg tegenwoordig, ik zal er geen doekjes om winden, want jullie zullen het gauw genoeg merken. En ik zal zien wat we aan het avondeten kunnen doen, zo gauw mogelijk, maar ik zit krap in m’n personeel op het ogenblik. Hela, Nob, treuzelaar! Zeg ’t aan Bob! Ach, ik vergeet almaar dat Bob weg is: hij gaat nu bij het vallen van de avond naar huis naar zijn familie. Nou, breng de pony’s van de gasten naar de stallen, Nob! En jij wilt je eigen paard zeker zelf naar zijn stal brengen, Gandalf? Een prachtig beest, zoals ik al zei toen ik hem voor het eerst zag. Welnu, kom binnen. Doe alsof je thuis bent.’ Meneer Boterbloems manier van spreken was in ieder geval niet veranderd, en hij scheen nog altijd hetzelfde jachtige bestaan te leiden. En toch was er bijna niemand te zien en alles was rustig. Uit de gelagkamer kwam een zacht gemompel van hooguit twee of drie stemmen. En toen ze het gezicht van de waard beter zagen in het licht van twee kaarsen die hij aanstak en voor hen uit droeg, bleek het er nogal gerimpeld en zorgelijk uit te zien. Hij nam hen mee door de gang naar de kamer waar zij die vreemde avond meer dan een jaar geleden hadden gezeten; en zij volgden hem, een beetje ongerust, want het was hun duidelijk dat de oude Gersteman zijn best deed om zijn zorgen niet te laten blijken. De dingen waren niet wat ze waren geweest. Maar ze zeiden niets en wachtten. Zoals zij hadden verwacht kwam meneer Boterbloem na het avondeten kijken of alles naar hun genoegen was geweest. En dat was het: het bier en het eten in de Pony waren er in elk geval niet slechter op geworden. ‘Ik zal niet zo brutaal zijn om u voor te stellen vanavond naar de gelagkamer te komen,’ zei Boterbloem. ‘Jullie zullen wel moe zijn; en er is niet veel volk daar vanavond, in ieder geval. Maar als jullie een half uurtje tijd voor me hebben voor je naar bed gaat, zou ik wel wat met jullie willen praten, rustig, onder elkaar.’