‘Dat is precies wat wij ook graag willen,’ zei Gandalf. ‘We zijn niet moe. We hebben het rustig aan gedaan. We waren nat, koud en hongerig, maar dat heb jij allemaal verholpen. Kom, ga zitten. En als je wat pijpkruid hebt, zullen we je zegenen.’
‘Als je om iets anders had gevraagd, zou ik gelukkiger zijn geweest,’ zei Boterbloem. ‘Dat is nou net iets waar we gebrek aan hebben, aangezien we alleen maar hebben wat we zelf verbouwen, en dat is niet genoeg. Er is in de Gouw niets te koop tegenwoordig. Maar ik zal doen wat ik kan!’ Toen hij terugkwam bracht hij genoeg voor hen mee voor een dag of twee; een stapeltje ongesneden blad. ‘Zuidlinch,’ zei hij, ‘en het beste dat we hebben, maar het haalt het niet bij Zuiderkwartier, zoals ik altijd heb gezegd, hoewel ik wat de meeste dingen betreft helemaal voor Breeg ben, met permissie.’ Ze zetten hem in een grote stoel bij het houtvuur, en Gandalf ging aan de andere kant van de haardstee zitten, en de hobbits op lage stoelen tussen hen in; en toen spraken zij vele halve uren, en wisselden al het nieuws uit dat meneer Boterbloem wilde horen of vertellen. De meeste dingen die zij te vertellen hadden, waren wonderbaarlijk en verbijsterend voor hun gastheer, en gingen zijn bevattingsvermogen ver te boven. En zij lokten weinig ander commentaar uit dan: ‘Ik geloof m’n oren niet!’ – vaak herhaald ondanks het feit dat Boterbloem het met zijn eigen oren hoorde. ‘Meent u dat werkelijk, meneer Balings, of is het meneer Onderheuvel? Nee toch, meester Gandalf! Wel heb je ooit! Wie zou dat hebben gedacht in onze tijd.’ Maar zelf zei hij niet veel. De toestand was allesbehalve gunstig, zei hij. De zaken gingen zelfs niet goed: ze gingen ronduit slecht. ‘Niemand van Buiten komt nu naar Breeg,’ zei hij. ‘En de lui van hier blijven bijna allemaal thuis en houden hun deuren dicht. Het komt allemaal door die nieuwelingen en boeven die vorig jaar de Groeneweg langs begonnen te komen, zoals je je misschien zult herinneren. Maar later kwamen er nog meer. Sommigen waren gewone zielepoten die voor moeilijkheden wegliepen; maar de meesten waren slechte lieden, vol dieverij en kwaad in de zin. En er waren moeilijkheden hier in Breeg zelf, erge moeilijkheden. Het is er behoorlijk aan toe gegaan en enkele lieden zijn gedood, morsdood. Als u me wilt geloven.’
‘Dat wil ik best,’ zei Gandalf. ‘Hoeveel?’
‘Drie en twee,’ zei Boterbloem, waarmee hij de grote lieden en de kleine bedoelde. ‘De arme Matje Heideteen, en Roeltje Appeldoor, en de kleine Tommie Prikdoorn van over de Heuvel; en Willie Berm van hierboven en een van de Onderheuvels uit Stadeclass="underline" allemaal goeie lui, en we missen ze. En Harrie Geiteblad, die vroeger aan de Westpoort was, en die Willem Varentje, die waren aan de kant van de vreemdelingen en zijn er met hen vandoor gegaan; en ik geloof vast dat zij ze hebben binnengelaten. Op de avond van het gevecht, bedoel ik. Dat was nadat we hun de poorten gewezen hadden en hen eruit hadden gezet; dat was voor het einde van het jaar, dat was het; en het gevecht was aan het begin van het Nieuwe Jaar na de zware sneeuw die we hadden. En nu zijn het rovers geworden en wonen buiten, en houden zich schuil in de bossen voorbij Boog, en in de wildernis in het noorden. Het lijkt wel een beetje op de slechte oude tijden van de verhalen, zeg ik. Het is niet veilig op de weg en niemand gaat ver en men sluit zijn huizen vroeg af. We moeten helemaal langs de haag wachters plaatsen en een hoop mensen ’s nachts bij de poorten zetten.’
‘Nou, niemand heeft ons lastiggevallen,’ zei Pepijn, ‘en wij hebben langzaam gereisd en hebben geen wacht gehouden. We dachten dat we alle moeilijkheden achter ons hadden gelaten.’
‘Ha, maar dat heb je niet, meester, dat is het erge,’ zei Boterbloem. ‘Maar het is geen wonder dat ze jullie met rust hebben gelaten. Ze hebben het niet begrepen op gewapende lieden met zwaarden, helmen en schilden en zo. Ze bedenken zich wel twee keer. En ik moet zeggen dat ik nogal geschrokken ben toen ik jullie zag.’ Toen beseften de hobbits plotseling dat de mensen hen niet zozeer verbaasd hadden aangekeken omdat ze verrast waren om hun terugkeer, als wel om hun uitrusting. Ze waren zelf zo gewend geraakt aan oorlog en om in ordelijke compagnieën te rijden, dat zij helemaal hadden vergeten dat de schitterende maliën die onder hun mantels uit kwamen kijken, en de helmen van Gondor en de Mark, en de mooie blazoenen op de schilden er vreemd uit zouden zien in hun eigen land. En Gandalf reed nu ook op zijn grote grijze paard, helemaal in het wit gekleed, met daaroverheen een grote mantel van blauw en zilver, en het lange zwaard Glamdring aan zijn zijde. Gandalf moest lachen. ‘Nou, nou,’ zei hij, ‘als zij al bang voor ons vijven zijn, dan hebben wij ergere vijanden op onze reizen ontmoet. Maar in ieder geval zullen zij je ’s nachts wel met rust laten zolang wij hier logeren.’
‘Hoe lang zal dat zijn?’ vroeg Boterbloem. ‘Ik zal niet ontkennen dat we jullie graag een tijdje hier zouden houden. Zie je, we zijn dergelijke moeilijkheden niet gewend en de Dolers zijn allemaal weggegaan, zegt men. Ik geloof niet dat we tot nu toe goed begrepen hebben wat zij voor ons hebben gedaan. Want er zijn nog ergere dingen dan rovers in de buurt geweest. Wolven hebben vorige winter voor de haag zitten huilen. En er zijn donkere gedaanten in de bossen, vreselijke wezens, die het bloed in je aderen doen stollen als je eraan denkt. Het is heel erg verontrustend geweest, als je me vat.’
‘Dat zal zeker wel,’ zei Gandalf. ‘Bijna alle landen zijn in deze tijd in beroering geweest, heel erg zelfs. Maar kop op, Gersteman! Je hebt op ’t randje van heel grote moeilijkheden gestaan en ik ben blij te horen dat je er niet dieper in hebt gezeten. Maar er breken betere tijden aan. Beter misschien dan je je herinnert. De Dolers zijn teruggekeerd. Wij zijn met hen meegekomen. En er is weer een koning, Gersteman. Hij zal weldra zijn aandacht op deze contreien richten. Dan zal de Groeneweg weer worden geopend en zijn boodschappers zullen naar het noorden komen, het zal weer een komen en gaan zijn, en de boze dingen zullen uit de woestenijen worden verdreven. Voorwaar, te zijner tijd zal de woestijn geen wildernis meer zijn, en er zullen mensen en velden zijn waar eens wildernis was.’ Meneer Boterbloem schudde zijn hoofd. ‘Als er een paar nette eerbiedwaardige lieden op de wegen zijn, kan dat geen kwaad doen,’ zei hij. ‘Maar we willen geen gespuis en schurken meer hebben. En we willen geen buitenstaanders in Breeg, en ook niet in de buurt van Breeg. We willen met rust worden gelaten. Ik wil hier geen menigte vreemdelingen die hier kamperen en zich daar vestigen en al het wilde land overhoop halen.’
‘Je zult met rust worden gelaten, Gersteman,’ zei Gandalf. ‘Er is plaats genoeg voor rijken tussen de Isen en de Grijsvloed, of langs de kustlanden ten zuiden van de Brandewijn, zonder dat er iemand op enige dagen rijden van Breeg woont. En er plachten veel lieden in het noorden te wonen, honderd mijl of meer nog hiervandaan, aan het andere einde van de Groeneweg: op de noordelijke heuvels of bij het Avondschemermeer.’