Выбрать главу

‘Daar bij de Dodemansdijk?’ vroeg Boterbloem en hij keek nog ongeruster. ‘Men zegt dat het daar spookt. Alleen rovers wagen zich daar.’

‘De Dolers gaan daarheen,’ zei Gandalf. ‘Dodemansdijk, zeg je. Zo heeft het jarenlang geheten, maar de juiste naam, Gersteman, is Fornost Erain, het Norburg van de Koningen. En de Koning zal daar weer op een dag terugkeren; en dan zul je wat voorname lieden door Breeg zien rijden.’

‘Dat klinkt hoopvoller, moet ik zeggen,’ zei Boterbloem. ‘En het zal goed voor de zaken zijn, wed ik. Zolang hij Breeg maar met rust laat.’

‘Dat zal-ie,’ zei Gandalf. ‘Hij kent het en houdt ervan.’

‘Kent hij het?’ vroeg Gersteman met een verbaasde uitdrukking. ‘Hoewel ik niet zou weten waarom, daar in zijn grote stoel op zijn grote kasteel, honderden mijlen hiervandaan. En terwijl hij wijn drinkt uit een gouden beker, wed ik. Wat kan hem de Pony of kroezen bier schelen? Niet dat mijn bier niet goed is, Gandalf. Het is uitzonderlijk goed geweest sinds jij vorig jaar herfst hier was en er een goed woordje voor gedaan hebt. Dat was ten minste een troost bij alle narigheid, dat was het.’

‘Ah,’ zei Sam. ‘Maar hij zegt dat je bier altijd goed is.’

‘Wat, hij?’

‘Natuurlijk zegt hij dat. Hij is Stapper. Het hoofd van de Dolers. Heb je dat nou nog niet door?’ Eindelijk begon het bij hem te dagen en de uitdrukking op Boterbloems gezicht was een studie in verbazing. De ogen in zijn brede gezicht werden rond, en zijn mond ging wijd open, en hij snakte naar adem. ‘Stapper!’ riep hij toen hij op adem was gekomen. ‘Hij met kroon en zo en een gouden beker! Waar moet dat allemaal heen met ons?’

‘Betere tijden, voor Breeg in elk geval!’ zei Gandalf. ‘Ik hoop het, reken maar,’ zei Boterbloem. ‘Nou, dit is in ieder geval het leukste gesprek geweest dat ik in een maand van maandagen heb gehad. En ik zal niet ontkennen dat ik vannacht geruster zal slapen en met een opgelucht hart. Je hebt me een allemachtige hoop te denken gegeven, maar dat zal ik uitstellen tot morgen. Ik ga naar bed, en ik denk dat jullie je bed ook wel willen opzoeken. Hé, Nob!’ riep hij terwijl hij naar de deur liep. ‘Nob, slome duikelaar!’

‘Nob!’ zei hij tegen zichzelf, terwijl hij zich tegen zijn voorhoofd sloeg. ‘Waar doet me dat nu aan denken?’

‘Niet nóg een brief die u vergeten bent, hoop ik, meneer Boterbloem?’ vroeg Merijn. ‘Nou, nou, meneer Brandebok, daar hoeft u me niet steeds weer aan te herinneren! Maar nu hebt u me in de war gemaakt. Waar was ik nou ook alweer? Nob, stallen; ha, dat was het. Ik heb iets dat aan u toebehoort. Herinnert u zich Willem Varentje en zijn paardendiefstal nog? Die pony die u van hem gekocht hebt? Welnu, die staat hier. Helemaal uit zichzelf teruggekomen. Maar waar hij geweest is, zult u beter weten dan ik. Hij was zo verwaarloosd als een oude hond en zo mager als een klerenhanger, maar hij leefde in ieder geval. Nob heeft voor hem gezorgd.’

‘Wat, mijn Willem?’ riep Sam uit. ‘Nou, als ik niet onder een gelukkig gesternte geboren ben; wat mijn Gabber ook mag zeggen. Alweer een wens die is uitgekomen! Waar is hij?’ En Sam weigerde naar bed te gaan voor hij Willem in zijn stal had opgezocht.

De reizigers bleven de hele volgende dag in Breeg en meneer Boterbloem had in ieder geval de volgende avond niet over zijn zaken te klagen. Nieuwsgierigheid overwon alle angst, en zijn zaak was afgeladen. Uit beleefdheid bezochten de hobbits de gelagkamer ’s avonds enige tijd en beantwoordden heel wat vragen. Omdat men in Breeg een goed geheugen had, vroeg men Frodo herhaaldelijk of hij zijn boek had geschreven. ‘Nog niet,’ antwoordde hij. ‘Ik ga nu naar huis om mijn aantekeningen te ordenen.’ Hij beloofde de verbazingwekkende gebeurtenissen in Breeg te behandelen, en op die manier een boek dat voornamelijk over verre en minder belangrijke zaken ‘in het zuiden’ scheen te handelen, wat interessanter te maken. Toen vroeg een van de jongeren om een lied. Maar hierop viel er een stilte, en hij werd met fronsende blikken tot zwijgen gebracht, en het verzoek werd niet herhaald. Blijkbaar wilde men geen herhaling van huiveringwekkende gebeurtenissen in de gelagkamer. Geen moeilijkheden overdag, noch enig geluid bij nacht verstoorden de vrede in Breeg terwijl de reizigers daar verbleven, maar de volgende ochtend stonden zij vroeg op, want omdat het nog regenachtig weer was, wilden zij de Gouw voor de avond bereiken, en het was een lange rit. De bevolking van Breeg was uitgelopen om hen op weg te zien gaan en was vrolijker gestemd dan zij het afgelopen jaar was geweest; en zij die de vreemdelingen niet eerder in hun uitrusting hadden gezien, staarden hen met open mond aan: Gandalf met zijn witte baard en het licht dat van hem af scheen te stralen, alsof zijn blauwe mantel slechts een wolk over zonneschijn was; en de vier hobbits, die eruitzagen als dolende ruiters uit bijna vergeten verhalen. Zelfs zij die gelachen hadden om al het gepraat over de Koning, begonnen te denken dat er misschien toch wel waarheid in kon schuilen. ‘Wel, veel geluk onderweg en een behouden thuiskomst!’ zei meneer Boterbloem. ‘Ik had u eigenlijk eerder moeten waarschuwen dat in de Gouw ook niet alles pluis is, als wat wij horen waar is. Rare dingen aan de hand. Maar het ene verdrijft het andere, en ik was vervuld van mijn eigen zorgen. Maar als ik zo vrij mag zijn, jullie zijn veranderd van je reizen teruggekeerd en zien er nu uit als lieden die moeilijkheden aankunnen. Ik twijfel er niet aan dat jullie alles spoedig zullen rechtzetten. Veel geluk! En hoe vaker jullie terugkomen, hoe meer genoegen het me zal doen.’

Ze namen afscheid van hem en reden weg, en gingen door de Westpoort en verder naar de Gouw. Willem de pony was bij hen en evenals de vorige keer droeg hij heel wat bagage, maar hij draafde voort naast Sam en scheen volmaakt tevreden. ‘Ik vraag me af waar de ouwe Gersteman op zinspeelde,’ zei Frodo. ‘Ik heb wel een vermoeden,’ zei Sam somber. ‘Wat ik in de Spiegel zag: omgehakte bomen en zo, en mijn ouwe Gabber, die uit het Laantje was gezet. Ik had vlugger terug moeten gaan.’

‘En blijkbaar is er iets aan de hand met het Zuiderkwartier,’ zei Merijn. ‘En er is een algemeen gebrek aan pijpkruid.’

‘Wat het ook is,’ zei Pepijn, ‘je kunt er zeker van zijn dat Lotho erachter zit.’

‘Misschien is hij er wel bij betrokken, maar hij zit er niet achter,’ zei Gandalf. ‘Je bent Saruman vergeten. Hij begon belangstelling voor de Gouw aan de dag te leggen voordat Mordor dat deed.’

‘Welnu, wij hebben jou bij ons,’ zei Merijn, ‘dus de dingen zullen spoedig worden opgehelderd.’

‘Ik ben nu nog bij je,’ zei Gandalf, ‘maar dat zal weldra niet meer het geval zijn. Ik ga niet mee naar de Gouw. Jullie moeten zelf orde op zaken stellen: daar ben je nu voor opgeleid. Begrijp je het nog niet? Mijn tijd is voorbij: het is niet langer mijn taak om dingen recht te zetten of om lieden te helpen dat te doen. En wat jullie betreft, beste vrienden, jullie hebben geen hulp nodig. Jullie zijn nu volwassen. En heel groot geworden: jullie worden werkelijk tot de groten gerekend en ik ben helemaal niet bezorgd meer om jullie. Maar als je het weten wilt, ik ga weldra een andere kant uit. Ik moet een lang gesprek met Bombadil hebben: een gesprek als ik mijn hele leven nog niet heb gehad. Hij is honkvast en ik ben een steen die gedoemd is geweest om te rollen. Maar mijn dagen van rollen lopen ten einde, en nu zullen we elkaar veel te vertellen hebben.’

Na een poosje kwamen zij bij het punt op de Oosterweg, waar zij afscheid van Tom Bombadil hadden genomen; en zij hoopten en verwachtten half hem daar te zien staan om hen te begroeten terwijl zij voorbijgingen. Maar er was geen spoor van hem te zien; en er hing een grijze mist over de Grafheuvels in het zuiden en een donkere sluier over het Oude Woud in de verte.

Ze bleven staan en Frodo keek verlangend naar het zuiden. ‘Ik zou de oude baas heel graag weer willen zien,’ zei hij. ‘Ik vraag me af hoe hij het maakt.’

‘Even goed als altijd, daar kun je verzekerd van zijn,’ zei Gandalf. ‘Volkomen onverstoorbaar en naar ik meen niet bijzonder belangstellend voor wat wij gedaan of gezien hebben, tenzij misschien alleen voor onze bezoeken aan de enten. Misschien dat je hem later eens kunt opzoeken. Maar als ik jou was, zou ik nu met spoed naar huis gaan, of jullie zullen de Brandewijnbrug niet halen voor de poorten dicht zijn.’