Выбрать главу

‘Dag, Robbertje!’ zei Sam. ‘Ik zal voor De Groene Draak op je wachten, als je niet vergeten bent waar die is. En treuzel niet onderweg!’

‘Jullie verbreken je arrest, dat doen jullie,’ zei de leider spijtig, ‘maar ik ben niet aansprakelijk.’

‘We zullen nog heel wat meer dingen breken, zonder jou ervoor aan te spreken,’ zei Pepijn. ‘Veel geluk gewenst!’

De reizigers draafden verder, en toen de zon naar de Witte Heuvels ver weg aan de westelijke horizon begon te zinken, kwamen zij in Bijwater met zijn wijde poel en daar kregen zij hun eerste, werkelijk pijnlijke schok. Dit was Frodo’s en Sams eigen land e n zij kwamen nu tot de ontdekking dat zij er meer van hielden dan van enige andere plek op de wereld. Vele van de huizen die zij hadden gekend stonden er niet meer. Sommige schenen afgebrand te zijn. Het aardige rijtje hobbitholen in de berm aan de noordzijde van de Plas was verlaten, en hun kleine tuintjes, die vroeger zo kleurig naar de rand van het water hadden gelopen, waren door onkruid overwoekerd. Erger nog, er stond een hele rij lelijke nieuwe huizen langs de kant van de Plas waar de Hobbitsteeweg vlak langs de berm liep. Daar had een rij bomen gestaan. Die waren alle verdwenen. En toen zij met ontsteltenis de weg naar Balingshoek langskeken, zagen zij een grote bakstenen schoorsteen in de verte. Die spuwde zwarte rook in de avondlucht. Sam was buiten zichzelf. ‘Ik ga meteen door, meneer Frodo,’ riep hij uit. ‘Ik ga kijken wat er aan de hand is. Ik wil de Gabber proberen te vinden.’

‘We moeten eerst zien uit te vissen wat ons te wachten staat, Sam,’ zei Merijn. ‘Ik vermoed sterk dat de “Chef” een troep schurken bij de hand heeft. Wij kunnen beter iemand zien te vinden die ons kan vertellen hoe de zaken er hier voorstaan.’ Maar in het dorpje Bijwater waren alle huizen en holen dicht, en niemand begroette hen. Zij verbaasden zich hierover, maar ontdekten weldra de reden ervoor. Toen zij De Groene Draak bereikten, het laatste huis aan de kant van Hobbitstee, nu zonder leven en met gebroken ramen, zagen zij tot hun verontrusting een half dozijn onguur uitziende Mannen tegen de muur van de herberg geleund staan; zij hadden loensende ogen en een vaalgele huid.

‘Net zoals die vriend van Willem Varentje in Breeg,’ zei Sam. ‘Als velen die ik in Isengard heb gezien,’ mompelde Merijn.

De schurken hadden knuppels in de handen en hoorns aan hun riemen, maar zij hadden geen andere wapens voor zover ze konden zien. Toen de reizigers eraan kwamen rijden, liepen ze van de muur naar het midden van de weg om hun de doorgang te versperren. ‘Waar denken jullie dat je naartoe gaat?’ vroeg er een, de grootste en onguurste van de troep. ‘Jullie mogen niet verder. En waar zijn die verdomde Drosten?’

‘Die schieten al aardig op,’ zei Merijn. ‘Een beetje zere voeten, misschien. We hebben beloofd dat we hier op ze zouden wachten.’

‘Verdraaid, wat heb ik gezegd?’ zei de schurk tegen zijn maten. ‘Ik heb Sjappie gezegd dat je die kleine idioten niet kunt vertrouwen. Ze hadden een paar van onze jongens moeten sturen.’

‘En wat voor verschil zou dat hebben gemaakt, dacht je?’ zei Merijn. ‘We zijn niet gewend aan struikrovers in dit land, maar we weten wel hoe we met ze moeten afrekenen.’

‘Struikrovers, hè?’ zei de man. ‘Zo, dus dat is jullie toontje. Maar je mag wel wat lager zingen, anders zullen we er iets aan doen. Jullie kleine luitjes beginnen een beetje te brutaal te worden. Vertrouw niet te veel op de goedhartigheid van de Chef. Sjappie is gekomen en hij zal doen wat Sjappie zegt.’

‘En wat mag dat wel zijn?’ vroeg Frodo rustig. ‘Dit land moet nodig wakker worden geschud en georganiseerd,’ zei de schurk, ‘en Sjappie zal het doen ook; en het moeilijk maken als je hem ertoe dwingt. Jullie hebben een grotere Baas nodig. En je zult er een krijgen voor het jaar om is als er nog meer onrust komt. Dan zullen we jullie wel leren, jullie klein rattenvolk.’

‘Nee maar. Ik ben blij dat ik weet wat jullie plannen zijn,’ zei Frodo. ‘Ik ben op weg naar meneer Lotho en misschien wil hij ze ook wel graag horen.’ De schurk lachte. ‘Lotho! Hij weet het maar al te goed. Maak je geen zorgen. Hij zal doen wat Sjappie zegt. Want als een Chef lastig wordt, kunnen wij hem vervangen. Zie je? En als kleine luitjes zich met zaken bemoeien die hun niet aangaan, kunnen wij ze onschadelijk maken. Zie je?’

‘Ja, ik zie het,’ zei Frodo. ‘In de eerste plaats zie ik dat jullie hier bij de tijd en het nieuws achter zijn. Er is veel gebeurd sinds jullie het zuiden hebben verlaten. Jullie tijd en die van alle andere schurken is voorbij. De Zwarte Toren is ingestort, en er is een Koning in Gondor. En Isengard is verwoest, en je dierbare meester is een bedelaar in de wildernis. Ik ben hem onderweg voorbijgekomen. De boodschappers van de Koning zullen nu op de Groeneweg zijn, geen bullebakken uit Isengard.’ De man keek hem glimlachend aan. ‘Een bedelaar in de wildernis!’ zei hij spottend. ‘Meen je dat heus? Allemaal bluf, opscheppertje. Maar dat zal ons niet verhinderen in dit landje van melk en honing te wonen waar jullie lang genoeg hebben rondgelummeld. En...’ Hij knipte met zijn vingers voor Frodo’s gezicht. ‘Boodschappers van de Koning! Laat me niet lachen! Als ik er een zie, zal ik er misschien notitie van nemen.’ Dit was te veel voor Pepijn. Hij moest ineens weer aan het Veld van Cormallen denken, en hier was een schele schurk die de Drager van de Ring een ‘opscheppertje’ noemde. Hij sloeg zijn mantel open en trok zijn zwaard, en het zilver en sabel van Gondor glansde erop toen hij naar voren reed. ‘Ik ben een boodschapper van de Koning,’ zei hij. ‘Je spreekt tegen een vriend van de Koning en een van de roemruchtste in alle landen van het westen. Jij bent een schurk en een dwaas. Op je knieën en vraag vergiffenis, of ik zal deze trollenvloek door je heen steken!’ Het zwaard schitterde in de ondergaande zon. Merijn en Sam trokken eveneens hun zwaarden en reden naar voren om Pepijn bij te staan; maar Frodo bewoog zich niet. De schurken deinsden achteruit. Hun werk had bestaan in het bang maken van boeren uit Breeg en het overdonderen van verbijsterde hobbits. Onbevreesde hobbits met felle zwaarden en grimmige gezichten waren een grote verrassing. En er klonk een toon in de stem van deze nieuwelingen die zij nog niet eerder hadden gehoord. Deze deed hen rillen van angst. ‘Ga weg!’ zei Merijn. ‘Als jullie dit dorp nog eens lastigvallen zul je er spijt van hebben.’ De drie hobbits reden naar voren en de schurken keerden zich om en vluchtten, langs de weg naar Hobbitstee; maar terwijl zij renden staken zij de hoorns. ‘We zijn geen dag te vroeg teruggekomen,’ zei Merijn. ‘Geen dag te vroeg. Misschien te laat in ieder geval om Lotho te redden,’ zei Frodo. ‘Armzalige dwaas. Maar ik heb medelijden met hem.’