‘Dat is moeilijk te zeggen,’ zei Katoen. ‘Ze trekken heen en weer, en ze komen en gaan. Soms zitten ze met z’n vijftigen in hun schuren de kant van Hobbitstee op; maar vandaar trekken ze erop uit om te stelen of te “vergaren”, zoals zij dat noemen. Maar er zijn er bijna nooit meer dan twintig bij de Chef, zoals ze hem noemen. Hij woont – of woonde – op Balingshoek, maar hij komt nu niet meer buiten zijn erf. Eigenlijk heeft niemand hem in de afgelopen twee weken gezien; maar de Mannen laten niemand in zijn buurt toe!’
‘Hobbitstee is niet hun enige schuilplaats, wel?’ vroeg Pepijn. ‘Nee, jammer genoeg,’ zei Katoen. ‘Er zitten er heel wat in het zuiden in Langedaal en bij Sarnvoorde, hoorde ik, en nog meer in Houtenend, en ze hebben schuren in Wegemoet. En dan zijn er de Slotholen, zoals zij ze noemen: de oude voorraadtunnels in Grotedelft, waar ze gevangenissen van hebben gemaakt voor degenen die hun het hoofd bieden. Maar toch denk ik niet dat er bij elkaar meer dan driehonderd in de hele Gouw zijn, misschien minder. Wij kunnen ze de baas, als we bij elkaar blijven.’
‘Hebben ze wapens?’ vroeg Merijn. ‘Zwepen, messen en knuppels, genoeg voor hun vuile werk: dat is alles dat ze tot dusver hebben laten zien,’ zei Katoen. ‘Maar ik denk wel dat ze nog andere spullen hebben als het op vechten aankomt. In ieder geval hebben sommigen bogen. Ze hebben een paar van onze mensen doodgeschoten.’
‘Zie je wel, Frodo,’ zei Merijn. ‘Ik wist dat we zouden moeten vechten. Welnu, zij zijn met moorden begonnen.’
‘Niet helemaal,’ zei Katoen. ‘In ieder geval niet met schieten. Daar zijn de Toeken mee begonnen. Ziet u, meneer Peregrijn, uw vader heeft ’t nooit erg opgehad met die Lotho, al van het eerste begin niet: zei dat als er iemand voor chef ging spelen, het ’t echte Dinghoofd van de Gouw zou zijn en geen omhooggevallen arrivist. En toen Lotho zijn Mannen op hem afstuurde, hield hij voet bij stuk. Toeken zijn fortuinlijk: ze hebben die diepe holen in de Groene Heuvels, de Grote Smielen en zo, en de schurken kunnen niet bij ze komen; en zij laten de schavuiten niet op hun land komen. Als ze het wel doen, maken de Toeken jacht op ze. De Toeken hebben er drie doodgeschoten voor snorren en stelen. Daarna werden de schurken nog vervelender. En ze bewaken Toekland heel secuur. Er kan nu niemand in of uit.’
‘Goed zo, Toeken!’ riep Pepijn. ‘Maar nu zal er wel weer iemand binnenkomen! Ik ga naar de Smielen. Gaat er iemand met me mee naar Toekburg?’ Pepijn reed weg met een half dozijn knapen op pony’s. ‘Tot spoedig ziens!’ riep hij uit. ‘Het is maar veertien mijl of zo door de velden. Ik zal morgenochtend een leger Toeken voor jullie mee terugbrengen.’ Merijn zond hen een stoot op de hoorn achterna toen ze in de schemer wegreden. Het volk juichte. ‘Toch,’ zei Frodo tegen allen die om hem heen stonden, ‘wil ik niet dat er bloed vergoten wordt: ook niet van de schurken, tenzij het moet om te verhinderen dat ze hobbits kwaad doen.’
‘Goed,’ zei Merijn. ‘Maar we kunnen nu elk ogenblik een bezoek van de bende uit Hobbitstee verwachten, denk ik. Ze zullen niet alleen maar komen om te onderhandelen. We zullen proberen ze op een nette manier te woord te staan, maar we moeten ons op het ergste voorbereiden. Ik heb een plan, luister.’
‘Goed,’ zei Frodo. ‘Tref jij de voorzorgen maar.’ Op dat ogenblik kwamen er een paar hobbits, die naar Hobbitstee waren gestuurd, terugrennen. ‘Ze komen eraan!’ zeiden ze. ‘Twintig, of meer. Maar twee zijn er naar het westen gegaan, door de velden.’
‘Naar Wegemoet, denk ik,’ zei Katoen, ‘om er nog meer te halen. Dat is vijfenveertig mijl heen en terug. Daar hoeven we ons nog geen zorgen om te maken.’ Merijn snelde weg om bevelen te geven. Boer Katoen ontruimde de straat en stuurde iedereen naar binnen, behalve de oudere hobbits die wapens hadden. Ze hoefden niet lang te wachten. Weldra konden zij luide stemmen horen, en toen het stampen van zware voeten. En daar verscheen er een hele troep schurken op de weg. Ze zagen de versperring, maar lachten erom. Zij konden zich niet voorstellen dat er iets was in dit kleine landje dat twintig lieden van hun soort aankon. De hobbits haalden de versperring weg en gingen opzij. ‘Dank je!’ spotten de Mannen. ‘En ren nu maar gauw naar huis en naar bed voordat je een pak slaag krijgt.’ Toen marcheerden ze de straat door en riepen: ‘Doe die lichten uit! Ga naar binnen en blijf daar! Of we zullen vijftig van jullie voor een jaar naar de Slotholen brengen. Ga naar binnen! De Chef begint zijn humeur te verliezen!’ Niemand schonk enige aandacht aan hun bevelen; maar toen de schurken voorbijgingen, sloten ze zich rustig achter hen aan en volgden hen. Toen de Mannen het vuur bereikten, stond Boer Katoen daar moederziel alleen zijn handen te warmen. ‘Wie ben je, en wat denk je dat je daar aan het doen bent?’ vroeg de leider van de booswichten. Boer Katoen keek hem bedachtzaam aan. ‘Dat wilde ik net aan jou vragen,’ zei hij. ‘Dit is niet jullie land, en we moeten jullie hier niet.’
‘In ieder geval word jij gezocht,’ zei de leider. ‘We moeten jou hebben. Pak hem, jongens. Naar de Slotholen met ’m, en zorg ervoor dat-ie zich koest houdt!’ De Mannen deden allemaal een stap voorwaarts, maar bleven toen staan. Er steeg een gebrul van stemmen rondom hen op en plotseling merkten ze dat Boer Katoen niet alleen was. Ze waren omsingeld. In de duisternis, op de grens van het schijnsel van het vuur, stond een kring van hobbits die uit de schaduwen naar voren waren geslopen. Het waren er bijna tweehonderd, die allemaal een of ander wapen hadden. Merijn kwam naar voren. ‘We hebben elkaar al eens eerder ontmoet,’ zei hij tot de leider, ‘en ik heb je gewaarschuwd hier niet terug te komen. Ik waarschuw je nogmaals: je staat in het licht en boogschutters hebben je onder schot. Als je deze boer met een vinger aanraakt, of iemand anders, wordt er onmiddellijk op je geschoten. Als jullie wapens hebben, leg die dan neer.’ De leider keek rond. Hij zat in de val. Maar hij was niet bang, niet nu hij een stuk of twintig van zijn maten bij zich had. Hij wist te weinig van hobbits af om te beseffen in welk gevaar hij verkeerde. Dom genoeg besloot hij te vechten. Het zou een peulenschil zijn om uit te breken. ‘Vooruit, jongens,’ riep hij. ‘Sla erop los.’ Met een lang mes in zijn linkerhand en een knots in de andere stormde hij op de kring af en probeerde door te breken in de richting van Hobbitstee. Hij richtte zijn knots op Merijn, die hem in de weg stond. Hij viel dood neer met vier pijlen in zijn lichaam. Dat was genoeg voor de anderen. Ze gaven zich over. Hun wapenen werden van hen afgenomen, en ze werden aan elkaar vastgebonden en afgevoerd naar een lege hut die ze zelf hadden gebouwd, waar ze aan handen en voeten werden gebonden en onder bewaking opgesloten. De dode leider werd weggesleept en begraven. ‘Het lijkt achteraf bijna te gemakkelijk, vind je niet?’ zei Katoen. ‘Ik zei dat we hen aankonden. Maar we hadden hulp nodig. U bent net op tijd teruggekomen, meneer Merijn.’
‘Er valt nog veel meer te doen,’ zei Merijn. ‘Als je berekening klopt, hebben we pas met een tiende van ze afgerekend. Maar het is nu donker. Ik denk dat we met de volgende zet tot morgen moeten wachten. Dan moeten we de Chef gaan opzoeken.’
‘Waarom nu niet?’ vroeg Sam. ‘Het is hooguit zes uur. En ik wil m’n Gabber zien. Weet u wat er van hem is geworden, meneer Katoen?’
‘Het gaat hem niet al te best, maar ook niet al te slecht, Sam,’ zei de boer. ‘Ze hebben het hele Balingslaantje overhoop gehaald en dat is een zware slag voor hem geweest. Hij woont in een van die nieuwe huizen die de Mannen van de Chef bouwden toen ze nog ander werk deden dan alleen maar brandstichten en stelen: nog geen drie mijl van de rand van Bijwater. Maar hij komt me opzoeken als hij de kans krijgt, en ik zorg ervoor dat hij beter eten krijgt dan sommige van de arme luitjes. Allemaal tegen De Voorschriften natuurlijk. Ik zou ’m bij mij hebben laten inwonen, maar dat was niet toegestaan.’