Выбрать главу

‘Uitstekend,’ zei Frodo, toen hij het plan begreep. ‘Anders hadden we geen boodschap voor Gandalf kunnen achterlaten. Ik weet niet of die Ruiters al dan niet kunnen lezen, maar ik zou geen schriftelijke boodschap hebben durven achterlaten, voor het geval ze zouden binnenkomen en het huis doorzoeken. Maar als Dikkie bereid is om het fort te verdedigen, en ik er zeker van kan zijn dat Gandalf weet welke weg we genomen hebben, is het mij best. Ik ga morgenochtend zo vroeg mogelijk naar het Oude Woud.’

‘Nu, dat is dat,’ zei Pepijn. ‘Alles bij elkaar heb ik liever ons klusje dan dat van Dikkie – hier wachten tot de Zwarte Ruiters komen.’

‘Wacht maar eens tot je goed en wel in het Woud bent,’ zei Fredegar. ‘Morgen om deze tijd zul je wensen dat je weer hier bij me terug was.’

‘Het heeft geen zin er nog langer over te praten,’ zei Merijn. ‘We moeten nog opruimen en de laatste hand aan de bagage leggen voordat we naar bed gaan. Ik zal jullie allemaal voor het aanbreken van de dag roepen.’

Toen hij eindelijk in bed lag, kon Frodo een tijdlang de slaap niet vatten. Zijn benen deden pijn. Hij was blij dat hij morgen zou rijden. Ten slotte begon hij vaag te dromen; hij scheen uit een hoog raam over een donkere zee van verwarde bomen te kijken. Helemaal beneden, tussen de wortels, klonk het geluid van schepselen die kropen en snuffelden. Hij voelde zich er zeker van dat ze hem vroeg of laat zouden ontdekken.

Toen hoorde hij in de verte een geluid. Eerst dacht hij dat het een harde wind was die over de bladeren van het woud streek. Maar toen wist hij dat het niet de bladeren waren, maar het ruisen van de Zee, ver weg; een geluid dat hij nog nooit had gehoord als hij wakker was, hoewel het zijn dromen vaak had verstoord. Plotseling merkte hij dat hij zich op een open vlakte bevond. Er waren helemaal geen bomen. Hij stond op een donker heideveld, en er hing een vreemde zoute geur in de lucht. Toen hij opkeek zag hij een hoge witte toren voor zich, die alleen op een hoge heuvelrug stond. Hij voelde een groot verlangen in zich opkomen om de toren te beklimmen en de zee te zien. Hij begon de helling naar de toren op te klauteren, maar plotseling lichtte de hemel op, en er klonk het geluid van donder.

VI. Het Oude Woud

Frodo werd plotseling wakker. Het was nog donker in de kamer. Merijn stond daar met een kaars in de ene hand en bonsde met de andere op de deur. ‘Ja! Wat is er?’ vroeg Frodo, nog geschrokken en in de war.

‘Wat er is!’ riep Merijn. ‘Het is tijd om op te staan. Het is half vijf en er hangt een dichte mist. Schiet maar op! Sam is al bezig het ontbijt te maken. En zelfs Pepijn is op. Ik ben net op weg om de pony’s te zadelen en het dier te halen dat de bagage moet dragen. Maak die luie Dikkie wakker! Hij moet in elk geval opstaan om ons uitgeleide te doen.’

Even na zes uur waren de vijf hobbits klaar om op weg te gaan. Dikkie Burger was nog aan het gapen. Ze verlieten stilletjes het huis. Merijn ging met de bepakte pony voorop langs een pad dat door een bosje achter het huis liep, en toen verschillende weilanden doorsneed. De bladeren van de bomen glinsterden en van elk twijgje vielen druppels; het gras was grijs van de koude dauw. Alles was stil en verre geluiden schenen dichtbij en helder; kippen die op een erf kakelden, iemand die in de verte een huisdeur dichtsloeg.

Ze troffen de pony’s in hun stal aan: stevige kleine dieren van het soort waar hobbits van hielden – niet snel, maar geschikt voor een lange dagtaak. Ze stegen op en weldra reden ze weg, de mist in, die aarzelend voor hen scheen te wijken maar zich onverbiddelijk achter hen sloot. Na ongeveer een uur te hebben gereden, langzaam en zonder te spreken, zagen ze plotseling de Haag voor zich opdoemen. Hij was hoog en er hing een borduursel van zilveren spinnenwebben boven.

‘Hoe moeten we hierdoorheen komen?’ vroeg Fredegar.

‘Volg me maar!’ zei Merijn, ‘dan zul je het zien.’ Hij sloeg linksaf langs de Haag, en weldra kwamen ze bij een punt waar die naar binnen boog en langs de rand van een kom liep. Er was op enige afstand van de Haag een inham gemaakt, die langzaam de grond in liep. Aan beide kanten waren wanden van baksteen, die geleidelijk hoger werden totdat ze zich plotseling welfden en een tunnel vormden die diep onder de Haag door liep en aan de andere kant in de kom uitkwam.

Hier bleef Dikkie Burger staan. ‘Vaarwel Frodo!’ zei hij. ‘Ik wou dat je het Woud niet in ging. Ik hoop alleen maar dat je niet gered hoeft te worden voor de dag om is. Maar ik wens je veel geluk – vandaag en alle verdere dagen!’

‘Als me niet erger te wachten staat dan het Oude Woud zal ik me gelukkig prijzen,’ zei Frodo. ‘Zeg Gandalf maar dat hij zich langs de Oosterweg haast; we zullen er zo gauw mogelijk op terugkeren en zo snel mogelijk verdergaan.’

‘Vaarwel!’ riepen ze en reden de helling af en verdwenen uit Fredegars zicht de tunnel in.

Die was donker en vochtig. Aan het eind was hij afgesloten door een hek van dikke ijzeren tralies. Merijn steeg af en ontsloot het, en toen ze er allemaal door waren, sloot hij het weer. Het viel kletterend dicht en het slot klikte. Het geluid was onheilspellend.

‘Ziezo,’ zei Merijn. ‘Jullie hebben de Gouw verlaten en zijn nu de grens over en staan aan de rand van het Oude Woud.’

‘Zijn de verhalen erover waar?’ vroeg Pepijn.

‘Ik weet niet welke verhalen je bedoelt,’ antwoordde Merijn. ‘Als je de praatjes bedoelt die Dikkies baker hem verteld heeft over aardmannetjes en wolven en dergelijke, zou ik zeggen, nee. In ieder geval geloof ik ze niet. Maar het Woud is ontegenzeglijk vreemd. Alles is er heel erg levend, zich veel meer bewust van wat er gebeurt, om het zo te zeggen, dan in de Gouw. En de bomen houden niet van vreemdelingen. Ze slaan je gade. Meestal stellen ze zich tevreden met alleen maar naar je te kijken zolang het dag is, en doen niet veel. Nu en dan laten de onvriendelijksten een tak vallen, of steken een wortel uit, of pakken je met een lange overhangende tak beet. Maar ’s nachts kan het er heel verontrustend zijn, dat heb ik tenminste gehoord. Ik ben er zelf maar een paar keer in het donker geweest en dan alleen bij de Haag. Ik dacht dat alle bomen tegen elkaar fluisterden, in een onverstaanbare taal nieuws en intriges doorgevend; en takken zwaaiden en grepen zonder dat er een zuchtje wind was. Ze zeggen dat de bomen zich werkelijk verplaatsen, en vreemdelingen kunnen omsingelen en insluiten. Lang geleden hebben ze de Haag eens aangevallen: ze plantten zich er vlak naast, en bogen zich eroverheen. Maar de hobbits zijn gekomen en hebben honderden bomen omgehakt en een groot vreugdevuur in het Woud aangestoken, en een hele strook ten oosten van de Haag platgebrand. Daarna staakten de bomen hun aanval, maar werden bijzonder onvriendelijk. Niet ver hiervandaan is nog steeds een grote open plek in het Woud waar het vuur werd ontstoken.’

‘Zijn alleen de bomen gevaarlijk?’ vroeg Pepijn.

‘Diep in het Woud en aan de andere kant leven verschillende vreemde wezens,’ zei Merijn. ‘Dat heb ik tenminste gehoord, maar ik heb er nooit iets van gezien. Maar er is iets dat paden maakt. Telkens wanneer je in het bos komt, vind je open paden; maar die schijnen zich van tijd tot tijd op een eigenaardige manier te verplaatsen en te veranderen. Niet ver van deze tunnel is, of was lange tijd, het begin van een vrij breed pad, dat naar de plek van het Vreugdevuur leidde, en vandaar min of meer in onze richting, naar het oosten en een weinig noordelijk. Dat is het pad dat ik wil proberen te vinden.’