Выбрать главу

De hobbits verlieten nu het tunnelhek en reden door de brede kom. Aan de andere kant was een onduidelijk pad, dat naar het Woud leidde, honderd meter of verder achter de Haag; maar het verdween zodra ze onder de bomen waren. Toen ze achteromkeken, konden ze de donkere omtrek van de Haag tussen de boomstammen, die al dicht om hen heen stonden, door zien schemeren. En recht vooruit konden ze alleen maar boomstammen van alle mogelijke afmetingen en vormen zien: recht of krom, verwrongen, overhangend, dik of dun, glad of knoestig en vertakt; terwijl alle stammen groen of grijs waren van het mos en slijmerige, harige groeisels.

Alleen Merijn scheen vrij opgewekt. ‘Ga jij maar vooruit om dat pad te zoeken,’ zei Frodo tegen hem. ‘Laten we elkaar niet kwijtraken, of vergeten waar de Haag ligt.’

Ze baanden zich een weg door de bomen en hun pony’s sjokten voort, voorzichtig de vele grillige, elkaar omstrengelende wortels vermijdend. Er was geen kreupelhout. Het terrein steeg voortdurend, en toen ze verdergingen, scheen het hun toe dat de bomen hoger, donkerder en dichter werden. Er was geen geluid, behalve af en toe van een waterdruppel die door de roerloze bladeren viel. Op het ogenblik was er geen gefluister of beweging onder de takken, maar ze hadden allen het onbehaaglijke gevoel dat ze met afkeuring werden gadegeslagen, die zich tot afkeer en zelfs vijandschap verhevigde. Dit gevoel werd geleidelijk sterker, tot ze zich erop betrapten dat ze snel omhoog- of achteromkeken, alsof ze een plotselinge klap verwachtten.

Er was nog steeds geen pad te bekennen, en de bomen schenen hun voortdurend de weg te versperren. Pepijn voelde plotseling dat hij het niet langer kon uithouden en slaakte onverwacht een kreet. ‘Hé! Hé!’ riep hij. ‘Ik zal jullie niets doen. Laat me er alsjeblieft alleen maar door!’

De anderen bleven geschrokken staan, maar de kreet klonk alsof hij door een zwaar gordijn werd gedempt. Er klonk geen echo of antwoord, hoewel het bos nog dichter en waakzamer scheen te worden dan eerst.

‘Als ik jou was, zou ik niet schreeuwen,’ zei Merijn. ‘Het doet meer kwaad dan goed.’

Frodo begon zich af te vragen of het mogelijk was een doorgang te vinden, en of hij er goed aan had gedaan zich door de anderen in dit verschrikkelijke bos te laten vergezellen. Merijn keek van de ene kant naar de andere en scheen al niet meer zeker welke kant uit te gaan. Pepijn merkte het.

‘Je hebt er niet lang voor nodig gehad om ons te laten verdwalen,’ zei hij. Maar op hetzelfde ogenblik floot Merijn opgelucht en wees vooruit.

‘Nou, nou,’ zei hij. ‘Deze bomen verplaatsen zich inderdaad. Daar voor ons is de plek van het Vreugdevuur (dat hoop ik tenminste), maar het pad ernaartoe schijnt verdwenen te zijn.’

Toen ze verdergingen, werd het lichter. Plotseling kwamen ze uit het geboomte en stonden op een wijde ronde plek. Boven hen welfde zich tot hun verbazing de hemel, blauw en helder, want onder het dak van het Woud hadden ze de aanbrekende dag en het optrekken van de mist niet gezien. Maar de zon stond nog niet hoog genoeg om de open plek te beschijnen, hoewel haar licht al op de toppen van de bomen viel. Aan de rand van de open plek waren de bladeren dichter en groener en omgaven haar bijna als een massieve muur. Hier groeide niet één boom; alleen ruw gras en veel hoge planten: sprieterige en verwelkte dollekervel en bospeterselie, vuurkruid waarvan de zaden tot donzige as werden, en woekerende netels en distels. Een naargeestige plek, maar na het dichte Woud scheen het hun een lieflijke, vrolijke tuin toe.

De hobbits voelden zich bemoedigd en keken hoopvol omhoog naar het klarende daglicht aan de hemel. Aan het andere einde van de open ruimte was een opening in de muur van bomen en daarachter lag duidelijk een pad. Ze zagen dat het verder het bos in liep, hier en daar breed en open erboven, hoewel de bomen af en toe weer dichter naar elkaar toe kwamen en het met hun donkere takken overschaduwden. Ze reden dit pad op. Ze gingen nog steeds geleidelijk omhoog, maar nu kwamen ze veel vlugger vooruit en hadden meer moed, want het leek net of het Woud zich had laten vermurwen en hen uiteindelijk toch ongehinderd door zou laten.

Maar na een poosje begon het warm en benauwd te worden. De bomen stonden aan beide kanten weer dichter opeen en ze konden niet langer ver voor zich uitzien. Nu voelden ze de wrok van het Woud weer sterker dan ooit op zich drukken. Het was zo stil, dat de stappen van de hoeven van de pony’s, die op de dode bladeren ritselden en soms over onzichtbare wortels struikelden, in hun oren schenen te dreunen. Frodo probeerde een liedje te zingen om hen aan te moedigen, maar zijn stem bracht het niet verder dan gefluister:

O! Zwervers in het schaduwland, wanhoop niet in het duister, want aan alle bossen komt een eind, waar ook de open zon weer schijnt, de zon die daalt, de zon die klimt als de dag eindigt, of begint. Want oost of west, elk bos houdt op…

Houdt op – toen hij deze woorden had gezegd, verstomde zijn stem. De lucht scheen drukkend en het werd moeilijk om woorden te vormen. Vlak achter hen viel een grote tak van een oude overhangende boom met een smak op het pad. De bomen voor hen schenen hen de weg te versperren.

‘Ze houden niet van dit alles over eindigen en ophouden,’ zei Merijn. ‘Ik zou voorlopig maar niet meer zingen. Wacht tot we aan de rand komen, dan zullen we ons omdraaien en hen daverend toezingen!’

Hij sprak opgewekt en zo hij al een grote angst voelde, liet hij het niet blijken. De anderen zeiden niets. Ze voelden zich neerslachtig. Een loden last begon op Frodo’s hart te drukken, en met iedere stap speet het hem nu dat hij het ooit in zijn hoofd had gehaald de dreiging van de bomen uit te dagen. Hij stond eigenlijk net op het punt om halt te houden en voor te stellen om terug te gaan (als dat nog mogelijk was) toen de zaak een nieuwe wending nam. Het pad ging niet langer omhoog, maar bleef een tijdje helemaal vlak. De donkere bomen weken uiteen en voor zich konden ze zien dat het pad bijna recht verder liep. Voor hen, maar op enige afstand, stond een groene heuveltop, boomloos, als een kaal hoofd uit het omringende bos oprijzend. Het pad scheen er recht op af te lopen.

Ze haastten zich nu weer verder, opgetogen bij het vooruitzicht een tijdje boven het dak van het Woud uit te stijgen. Het pad daalde en ging toen weer omhoog, hen ten slotte naar de voet van de steile helling leidend. Daar verliet het de bomen en vervaagde in het gras. Om de heuvel heen stond het bos als dik haar, dat plotseling in een cirkel om een geschoren kruin ophield.

De hobbits leidden hun pony’s naar boven, eromheen wentelend tot ze de top bereikten. Daar bleven ze staan en keken om zich heen. De lucht schitterde en was zonovergoten, maar nevelig; en ze konden niet ver zien. Dichtbij was de mist nu bijna opgetrokken, hoewel hij hier en daar nog in openingen in het bos hing en zuidelijk van hen, uit een diepe holle doorsteek die het Woud doorsneed, steeg de mist nog als stoom of kleine witte rookwolkjes op.

‘Dat,’ zei Merijn, met de hand wijzend, ‘dat is de loop van de Wilgewinde. Die ontspringt in de Heuvels en stroomt in zuidwestelijke richting door het Woud en mondt beneden Haageinde in de Brandewijn uit. Die kant moeten we niet uit! Er wordt gezegd dat het dal van de Wilgewinde de vreemdste plaats van de hele wereld is – het middelpunt waar alle vreemdheid als het ware vandaan komt.’

De anderen keken de richting uit die Merijn aanwees, maar ze konden weinig anders zien dan mistbanken boven de vochtige en diep ingesneden vallei, en daarachter verdween de zuidelijke helft van het Woud uit het zicht.

De zon op de heuveltop begon nu warm te worden. Het moest ongeveer elf uur zijn geweest, maar de herfstnevel benam hun veel van het uitzicht in andere richtingen. In het westen konden ze noch de omtrek van de Haag, noch het dal van de Brandewijn daarachter onderscheiden. In het noorden, waar ze met de meeste verwachting naar keken, konden ze niets zien dat de omtrek van de grote Oosterweg kon zijn, die ze wilden bereiken. Ze stonden op een eiland in een zee van bomen en de horizon was gesluierd.