Выбрать главу

‘Help!’ riepen Frodo en Sam terwijl ze met uitgestrekte handen op hem afrenden.

‘Hola, hola, kalm aan daar!’ riep de oude man, een hand opheffend, en ze bleven als aan de grond genageld staan. ‘Nu, m’n kleine kereltjes, waar moet dat naartoe, puffend als een blaasbalg? Wat is er aan de hand? Weet je wie ik ben? Ik ben Tom Bombadil. Zeg maar wat er aan de hand is. Tom heeft nu haast. En pas op mijn lelies.’

‘Mijn vrienden zijn in de wilgenboom gevangen,’ riep Frodo ademloos uit.

‘Meester Merijn wordt in een spleet fijn gedrukt!’ riep Sam.

‘Wat?’ riep Tom Bombadil terwijl hij een luchtsprong maakte. ‘De Oude Wilgeman? Is dat alles? Dat kan gauw worden verholpen. Ik weet hoe ik hem moet aanpakken. De Oude grijze Wilgeman! Ik zal z’n merg doen stollen als hij zich niet goed gedraagt. Ik zal zijn wortels eraf zingen. Ik zal een wind tevoorschijn zingen en blad en tak wegblazen. Die Ouwe Wilgeman!’

Nadat hij zijn lelies voorzichtig in het gras had gelegd, liep hij vlug naar de boom. Daar zag hij Merijns benen die er nog uitstaken – de rest was al verder naar binnen getrokken. Tom zette zijn mond tegen de spleet en begon zachtjes te zingen. Ze konden de woorden niet verstaan, maar blijkbaar werd Merijn tot leven gewekt. Zijn benen begonnen te schoppen. Tom sprong opzij en nadat hij een overhangende tak had afgebroken, begon hij de wilg ermee te kastijden. ‘Laat hen er weer uit, Oude Wilgeman!’ zei hij. ‘Wat denk je wel? Je mag niet wakker zijn. Eet aarde. Graaf diep. Drink water. Val in slaap! Bombadil spreekt!’ Toen greep hij Merijns voeten en trok hem uit de zich plotseling verwijdende spleet.

Er klonk een scheurend gekraak en de andere spleet week vaneen en Pepijn sprong eruit alsof hij een schop had gekregen. Toen sloten beide spleten zich weer met een luide klak en er viel een volledige stilte.

‘Dank u,’ zeiden de hobbits, een voor een.

Tom Bombadil barstte in lachen uit. ‘Nu, kleine kereltjes,’ zei hij, terwijl hij zich vooroverboog, zodat hij in hun gezichten staarde. ‘Jullie gaan met mij mee naar huis! De tafel is gedekt met gele room, honingraat en wittebrood en boter. Goudbezie wacht. Tijd genoeg voor vragen als we aan tafel zitten. Volg me nu maar zo vlug je kunt!’ Daarop pakte hij zijn lelies en toen ging hij met een uitnodigend handgebaar huppelend en dansend langs het pad, oostwaarts, nog steeds luid en onzinnig zingend.

Te verbaasd en te opgelucht om te spreken, volgden de hobbits hem zo vlug ze konden. Maar dat was niet vlug genoeg. Tom verdween spoedig uit het zicht, en het geluid van zijn gezang werd zachter en klonk verder weg. Plotseling woei zijn stem hen weer aan met een luid hallo!

Haast je, vriendjes, rep je, langs de Wilgewinde! Tom gaat vooruit, opdat je licht zult vinden. Zon daalt in het westen; aarzelend wordt je lopen. Wanneer de avond valt, dan gaat de deur open; Uit de ramen zal geel licht naar buiten stromen. Geen zwarte els of grijze wilg zal aan je komen! Tom gaat vast vooruit. Vrees wortel noch takken Hei nu! poppedijn! We zullen op je wachten!

Hierna hoorden de hobbits niets meer. Vrijwel onmiddellijk scheen de zon in de bomen achter hen te dalen. Ze dachten aan het avondlicht dat schuin op de rivier de Brandewijn schitterde, en aan de ramen van Bokkelburg waaruit honderden lichtjes begonnen te stralen. Voor hen vielen grote schaduwen: stammen en takken van bomen hingen donker en dreigend boven hun pad. Witte nevels begonnen op te stijgen en boven de oppervlakte van de rivier te kringelen en om de wortels van de bomen aan de oever te slierten. Uit de grond vlak voor hun voeten steeg een schimmige damp op en vermengde zich met de snel vallende schemering.

Het werd moeilijk om het pad te volgen, en ze waren zeer moe. Hun voeten schenen loodzwaar. Vreemde schichtige geluiden schoten langs de bosjes en rietstengels opzij van hen, en als ze omhoogkeken naar de bleke lucht, zagen ze vreemde verwrongen knobbelige gezichten, die zich in de schemering aftekenden en grijnzend op hen neerkeken van de hoge oever en de randen van het bos. Ze begonnen het gevoel te krijgen dat dit hele landschap onwerkelijk was en dat ze door een boze droom strompelden, die niet naar een ontwaken leidde.

Net toen ze voelden dat hun voeten niet meer verder konden, merkten ze dat de grond zacht glooide. Het water begon te murmelen. In de duisternis zagen ze de witte schittering van schuim waar een lage waterval in de rivier was. Toen hielden de bomen plotseling op en lieten ze de nevels achter zich. Ze kwamen het Woud uit en zagen een wijde grasvlakte voor zich opdoemen. De rivier, nu klein en snel, sprong hun vrolijk tegemoet, hier en daar glinsterend in het licht van de sterren die al aan de hemel straalden.

Het gras onder hun voeten was vlak en kort, alsof het was gemaaid. De randen van het Woud achter hen waren gesnoeid en goed verzorgd als een heg. Het pad strekte zich nu duidelijk voor hen uit, netjes onderhouden en omzoomd met stenen. Het slingerde zich naar de top van een grasheuveltje, dat nu grijs onder de egale sterrenhemel lag. En daar, nog hoog boven hen, op een verder gelegen helling, zagen ze de lichtjes van een huis schitteren. Het pad liep weer naar beneden en toen weer omhoog, langs een vlakke grashelling, naar het licht. Plotseling straalde een brede gele lichtstrook helder uit een deur die openstond. Daar voor hen was Tom Bombadils huis, omhoog, omlaag, onder aan de heuvel. Daarachter lag grijs en kaal een steile landrug en daarachter golfden de donkere contouren van de Grafheuvels, oostwaarts in de nacht.

Ze haastten zich allemaal, zowel de hobbits als de pony’s. Hun moeheid en angst waren al half van hen afgevallen. ‘Hela, kom poppedijn,’ klonk het lied ter begroeting.

Hei, kom poppedijn. Hartjes, haast je een beetje! Hobbits, pony’s, allemaal. Wij zijn dol op feestjes, Laat nu de pret beginnen! Laat ons samen zingen!

Toen kwam een tweede heldere stem, even jong en even oud als het Voorjaar, als het lied van een vrolijk stroompje dat de nacht in stroomt uit een heldere ochtend in de heuvels, hun als tinkelend zilver tegemoet:

Laat nu het lied beginnen! Laat ons samen zingen, Van zon en sterren, maan en mist, en regendingen, Van licht op knoppend blad, dauw op vleugels, Klokjes op de heide, wind op de heuvels, Riet langs de koele plas, waterlelies, hier: De oude Tom Bombadil en de dochter der Rivier.

En met dat lied stonden de hobbits op de drempel, en een gouden licht omstraalde hen.

VII. In het huis van Tom Bombadil

De vier hobbits stapten over de brede stenen drempel en bleven staan, knipperend tegen het licht. Zij bevonden zich in een lang, laag vertrek, helder verlicht door lampen die aan de balken van het dak hingen; op de tafel van donker gepolitoerd hout stonden vele kaarsen, lang en geel, helder te branden.

In een stoel aan het andere einde van de kamer tegenover de buitendeur zat een vrouw. Haar lange blonde haren golfden over haar schouders; haar japon was groen, groen als jonge rietstengels en doorregen met zilver, als kralen van dauw, en haar gordel was van goud, in de vorm van een ketting van lissen, bezet met de lichtblauwe ogen van vergeet-mij-nietjes. Rondom haar voeten dreven witte waterlelies in vaten van groen en bruin aardewerk, zodat het leek alsof ze op een troon in het midden van een vijver zat.