Выбрать главу

‘Treed binnen, waarde gasten!’ zei ze en toen ze sprak, wisten ze dat het haar heldere stem was geweest die zij hadden horen zingen. Zij deden een paar schuchtere passen naar voren en maakten een diepe buiging en voelden zich vreemd verrast en lomp als lieden die, nadat zij op de deur van een huis hebben geklopt om een dronk water, waren opengedaan door een mooie jonge elfenkoningin, gehuld in levende bloemen. Maar voor ze iets konden zeggen, sprong ze luchtig over de bakken met waterlelies en liep lachend op hen toe, en terwijl ze dit deed, ruiste haar japon zacht als de wind in de bloesemende zomen van een rivier.

‘Kom, beste luitjes!’ zei ze, terwijl ze Frodo bij de hand nam. ‘Lach en wees vrolijk! Ik ben Goudbezie, de dochter van de Rivier.’ Toen liep ze licht langs hen heen, en nadat ze de deur had gesloten, ging ze er met haar rug naartoe staan en spreidde haar blanke armen erover uit. ‘Laat ons de nacht buitensluiten,’ zei ze. ‘Want jullie zijn misschien nog bang voor mist en boomschaduwen en diep water, en ongetemde dingen. Heb geen angst, want vanavond zijn jullie onder het dak van Tom Bombadil!’

De hobbits keken haar met verwondering aan, en zij keek elk van hen aan en glimlachte. ‘Schone vrouwe Goudbezie,’ zei Frodo ten slotte en voelde een vreugde in zijn hart opwellen die hij niet begreep. Hij stond daar zoals hij soms onder de bekoring van mooie elfenstemmen had gestaan, maar de betovering, die nu over hem was gekomen, was anders: de verrukking was minder vurig en verheven, maar dieper en nader tot het sterflijke hart, wonderlijk maar toch niet vreemd. ‘Schone vrouwe Goudbezie!’ zei hij opnieuw. ‘Nu is mij de vreugde duidelijk, die in de liederen die wij hoorden verborgen was.

O slank als een wilgentak. O helderder dan water! O stengel bij de waterplas! Schone dochter der Rivier! O lentetijd en zomertijd, en dan weer lentezwier! O wind op de waterval en van bladeren ’t geschater!’

Plotseling zweeg hij en begon te stotteren van verbazing toen hij zichzelf dergelijke dingen hoorde zeggen. Maar Goudbezie lachte.

‘Welkom!’ zei ze. ‘Ik wist niet dat lieden uit de Gouw zo zoetgevooisd waren. Maar ik zie dat je een elfenvriend bent; het licht in je ogen en de klank van je stem wijzen erop. Dit is een blijde ontmoeting! Ga nu zitten en wacht op de meester van het huis! Hij zal spoedig hier zijn. Hij is jullie vermoeide dieren aan het verzorgen.’

De hobbits gingen met graagte op lage rieten stoelen zitten terwijl Goudbezie de tafel dekte; en hun ogen volgden haar, want de slanke gratie van haar bewegingen vervulde hen met een stille verrukking. Ergens achter het huis klonk gezang. Nu en dan hoorden zij, tussen menig poppedijn en hoppedijn en klingeling dillo telkens de woorden:

De ouwe Tom Bombadil is een vrolijk kwastje; Zijn laarzen zijn geel en knalblauw is zijn jasje.

‘Schone vrouwe!’ zei Frodo weer na een tijdje. ‘Zeg mij eens, als mijn vraag niet te dom is, wie is Tom Bombadil?’

‘Hij is…’ zei Goudbezie glimlachend, en haar vlugge bewegingen verstilden.

Frodo keek haar vragend aan. ‘Hij is zoals je hem hebt gezien,’ zei ze, in antwoord op zijn blik. ‘Hij is de meester van woud, water en heuvel.’

‘Dus dan behoort heel dit vreemde land hem toe?’

‘O zeker niet!’ antwoordde ze en haar glimlach verflauwde. ‘Dat zou werkelijk een last zijn,’ voegde ze er zacht aan toe, alsof ze in zichzelf sprak. ‘De bomen en de grassen en alle dingen die op het land groeien of leven behoren aan zichzelf toe. Tom Bombadil is de meester. Niemand heeft de oude Tom ooit betrapt als hij in het bos liep, door het water waadde of op de heuveltoppen sprong onder licht en schaduw. Hij kent geen angst. Tom Bombadil is meester.’

Er ging een deur open en Tom Bombadil kwam binnen. Hij had nu geen hoed op en zijn dikke bruine haar was gekroond met herfstbladeren. Hij lachte en ging naar Goudbezie toe en nam haar bij de hand.

‘Hier is mijn mooie lief!’ zei hij, een buiging makend voor de hobbits. ‘Dit is mijn Goudbezie, in zilvergroen gekleed met bloemen in haar gordel. Is de tafel gedekt? Ik zie gele room en honingraat en wittebrood en boter; melk, kaas, kruiden groen en rijpe bessen staan. Is dat genoeg voor ons? Is het eten klaar nu?’

‘Jawel,’ zei Goudbezie, ‘maar misschien de gasten niet.’

Tom klapte in zijn handen en riep: ‘Tom, Tom! Ze zijn doodmoe, haast was je het vergeten! Kom nu, mijn vriendjes lief, en Tom zal je verkwikken! Reinig vuile handen, en was je vermoeide gezichten; trek je vuile jassen uit en kam je klitten!’

Hij opende de deur en ze volgden hem een korte gang door en een scherpe hoek om. Ze kwamen in een lage kamer met een schuin dak (een aanbouw, scheen het, aan de noordkant van het huis). De muren waren van lichte steen, maar ze waren grotendeels bedekt met groene matten en gele gordijnen. De vloer was betegeld en bestrooid met verse groene biezen. Er waren vier zachte matrassen, elk met een stapeltje witte dekens, die aan de ene kant van het vertrek op de grond waren neergelegd. Tegen de andere muur stond een lange bank, waarop grote bakken van aardewerk stonden met daarnaast bruine kannen gevuld met water, sommige koud, andere gloeiend heet. Naast elk bed waren zachte groene pantoffels klaargezet.

Het duurde niet lang of de hobbits zaten, gewassen en verkwikt, aan tafel, twee aan iedere kant, terwijl Goudbezie en de meester elk aan een uiteinde zaten. Het was een langdurige en vrolijke maaltijd. Hoewel de hobbits aten zoals alleen hongerige hobbits kunnen eten, was er volop. Het drinken in hun drinknappen scheen helder koud water te zijn, maar toch ging het naar hun hart als wijn en maakte hun tongen los. De gasten merkten plotseling dat ze vrolijk aan het zingen waren, alsof dat gemakkelijker en natuurlijker was dan praten.

Eindelijk stonden Tom en Goudbezie op en ruimden vlug de tafel af. De gasten moesten op hun gemak blijven zitten en werden in stoelen gezet, elk met een bankje voor zijn vermoeide voeten. In de grote haard voor hen brandde een vuur en het verspreidde een zoete geur, alsof er appelhout in werd gestookt. Toen alles was weggeruimd, werden alle lichten in het vertrek gedoofd, op één lamp en een paar kaarsen aan weerskanten van de schoorsteenmantel na. Toen kwam Goudbezie voor hen staan met een kaars in de hand en wenste hun één voor één goedenacht en een diepe slaap.

‘Heb vrede nu,’ zei ze, ‘tot de morgen! Bekommer je niet om nachtelijke geluiden. Want niets anders gaat hier langs deur en raam dan maneschijn en sterrenlicht en de wind van de heuveltop. Goedenacht!’ Met een schittering liep zij ruisend de kamer uit. Het geluid van haar voetstappen leek op een beek die kalm over koele stenen langs de heuvel kabbelt in de stilte van de nacht.

Tom bleef een tijdje zwijgend naast hen zitten, terwijl elk van hen probeerde moed te vatten om een van de vele vragen te stellen die zij hem onder het eten hadden willen vragen. Hun oogleden werden zwaar van de slaap. Eindelijk zei Frodo:

‘Hebt u mij horen roepen, meester, of was het louter toeval dat u op dat ogenblik bij ons bracht?’

Tom bewoog zich als iemand die uit een prettige droom wordt opgeschrikt. ‘Eh, wat?’ vroeg hij. ‘Of ik je hoorde roepen? Nee, ik hoorde ’t niet. Ik was druk aan het zingen. Toeval bracht mij daar, als je ’t zo wilt noemen. Het was mijn opzet niet, hoewel ik je verwachtte. Wij wisten van je af, hoorden dat jullie zwierven. Vermoedden dat eerlang je naar de stroom zou komen; alle paden gaan daarheen, naar de Wilgewinde. Oude Grijze Wilgeman, hij is een machtige zanger; en kleine lieden ontkomen moeilijk aan zijn kronkelpaden. Maar Tom had daar iets te doen, dat hij niet durfde hinderen.’ Tom begon te knikkebollen alsof de slaap hem weer overmande, maar hij ging verder en zong met zachte stem:

Ik had daar iets te doen – ’k moest waterlelies plukken, groen blad en lelies wit, om mijn lief te plezieren, de laatste van het jaar, beschermd tegen de winter om tot de dooi van sneeuw te bloeien aan haar voeten. Elk jaar tegen de herfst ga ik ze voor haar zoeken in diepe heldere plas, ver langs de Wilgewinde; daar openen ze zich het eerst en bloeien er het langste. Bij die plas vond ’k eertijds de dochter der Rivier, Goudbezie, jong en mooi, te midden van de biezen, Zoet was toen haar zang, en haar hart klopte!