Выбрать главу

Hij opende de ogen en keek hen met een plotselinge blauwe schittering aan.

Dat was jullie geluk – want ik zal nu niet langer zwerven langs de stroom, die door het Oude Woud loopt, zeker dit jaar niet meer. Ook kom ik niet meer langs het huis van de oude Wilgeman eer het weer voorjaar wordt, blijde lentetijd, wanneer de dochter der Rivier het wilgenpad af danst voor een bad in het water.

Hij zweeg opnieuw, maar Frodo moest hem eenvoudig nog één vraag stellen; de vraag waarop hij het antwoord het meest begeerde. ‘Vertel ons, meester, van de Wilgeman. Wat is hij? Ik heb nog nooit eerder van hem gehoord.’

‘Nee, niet doen!’ zeiden Merijn en Pepijn tegelijk, en gingen meteen rechtop zitten. ‘Nu niet! Wacht tot morgen.’

‘Zo is het,’ zei de oude man. ‘Het is tijd nu om te rusten. Er zijn dingen die men ’s nachts liever niet moet horen. Slaap tot het ochtendlicht, rust op het kussen! Luister nergens naar. Vrees geen grijze wilg.’ En met deze woorden pakte hij de lamp en blies hem uit en nadat hij in elke hand een kaars had genomen, leidde hij hen het vertrek uit.

Hun matrassen en peluws waren zacht als dons en de dekens waren van witte wol. Nauwelijks waren zij in de diepe bedden gestapt en hadden zij de lichte dekens over zich heen getrokken, of zij vielen in slaap.

In het holst van de nacht lag Frodo in een droom zonder licht. Toen zag hij de jonge maan aan de hemel opkomen; in het zwakke licht ervan doemde een grote zwarte rotswand voor hem op, waarin een donkere boog was uitgesneden, als een grote poort. Het scheen Frodo toe dat hij werd opgetild en toen hij eroverheen zweefde, zag hij dat de rotswand een kring van heuvels was en dat daarbinnen een vlakte lag. In het midden stond een pinakel van steen, als een grote toren, maar niet door handen gemaakt. Op de top stond de gestalte van een man. De rijzende maan scheen een ogenblik boven zijn hoofd stil te staan en deed zijn witte haren, die door de wind werden bewogen, schitteren. Uit de donkere vlakte in de diepte kwam het geluid van woeste stemmen en het gehuil van wolven. Plotseling vloog er een schaduw, die de vorm had van grote vleugels, langs de maan. De gestalte hief zijn armen op en er schoot een lichtflits uit de staf die hij ophief. Een machtige adelaar streek neer en voerde hem weg.

De stemmen jammerden en de wolven jankten. Het was alsof er een sterke wind opstak, die het geluid van hoeven met zich meevoerde die uit het oosten kwamen aan galopperen. Zwarte Ruiters! dacht Frodo toen hij wakker werd en het geluid van de hoeven nog in zijn hoofd naklonk. Hij vroeg zich af of hij ooit weer de moed zou hebben de veilige bescherming van deze stenen muren te verlaten. Hij bleef roerloos liggen, nog steeds luisterend; maar alles was nu stil, en ten slotte draaide hij zich om en viel weer in slaap of ijlde weg in een droom, die hij zich niet meer zou herinneren.

Naast hem lag Pepijn prettig te dromen; maar zijn dromen veranderden en hij draaide zich om en kreunde. Plotseling werd hij wakker, of dacht dat hij wakker was geworden, maar hoorde toch in de duisternis het geluid dat zijn droom had verstoord: Tip-tap, krak; het klonk als takken die in de wind kraken, twijgenvingers die langs de muur en het raam krasten: Krak, krak, krak. Hij vroeg zich af of er misschien wilgen bij het huis stonden, en toen ineens kreeg hij het vreselijke gevoel dat hij helemaal niet in een gewoon huis was, maar binnen in de wilg en naar die afgrijselijke droge krakerige stem luisterde die hem weer uitlachte. Hij ging rechtop zitten, betastte de zachte kussens die aan zijn handen meegaven en ging opgelucht weer liggen. Hij scheen de echo van woorden in zijn oren te horen: ‘Vrees niets! Heb vrede tot de morgen! Schenk geen aandacht aan nachtelijke geluiden!’ Toen viel hij weer in slaap.

Het was het geluid van water dat Merijn in zijn rustige slaap hoorde ruisen; water dat kalm naar omlaag stroomde, en zich daarna verspreidde, onweerstaanbaar verspreidde rondom het huis tot het een oeverloze plas was geworden. Het klokte onder de muren en steeg, langzaam maar zeker. Ik zal verdrinken, dacht hij. Het zal zijn weg naar binnen vinden en dan zal ik verdrinken! Hij voelde dat hij in een zachte slijmerige poel lag en toen hij opsprong, zette hij zijn voet op de hoek van een koude harde vloertegel. Toen herinnerde hij zich waar hij was en ging weer liggen. Hij scheen te horen – of zich te herinneren dat hij hoorde: ‘Niets anders gaat hier langs deur en raam dan maneschijn en sterrenlicht en de wind van de heuveltop.’ Een zuchtje wind deed het gordijn bewegen. Hij haalde diep adem en viel weer in slaap.

Voor zover hij zich kon herinneren, sliep Sam de hele nacht in diepe tevredenheid door, als een blok tevreden kan zijn.

Ze werden alle vier tegelijk in het ochtendlicht wakker. Tom liep door de kamer heen en weer, fluitend als een spreeuw.

Toen hij hen hoorde bewegen, klapte hij in zijn handen en riep: ‘Hela! Kom poppedijn! hoppedijn! M’n liefjes.’ Hij schoof de gele gordijnen open en de hobbits zagen dat ze twee ramen aan beide kanten van de kamer hadden bedekt, één op het oosten en één op het westen.

Ze sprongen verkwikt op. Frodo liep naar het raam op het oosten en keek neer op een moestuin, grijs bedauwd. Hij had half vermoed dat het gras tot vlak bij de muur zou groeien, gras helemaal pokdalig van de afdrukken van hoeven. Maar zijn uitzicht werd in feite belemmerd door een lange rij bonenstaken, maar daarboven en ver daarachter tekende zich de grijze heuveltop tegen de licht wordende hemel af. Het was een vale ochtend: in het oosten, achter langgerekte wolken als lappen vuile wol die aan de randen rood gevlekt waren, lagen schitterende gele afgronden. De hemel voorspelde regen, maar het werd snel lichter en de rode bloemen aan de staken begonnen te glanzen tegen de natte groene bladeren. Pepijn keek uit het westelijke raam neer in een poel van mist. Het Woud ging onder een nevel schuil. Het was alsof je van boven op een schuin wolkendak neerkeek. Er liep een plooi of kanaal waar de mist in vele slierten en golven was gebroken: het dal van de Wilgewinde. De stroom liep aan de linkerkant de heuvel af en verdween in de witte schaduwen. Dichtbij was een bloementuin en een gesnoeide haag, als zilveren spinrag, en daarachter grijs gemaaid gras, wit van dauwdroppels. Er was geen wilgenboom te bekennen.

‘Goedemorgen, vrolijke vriendjes!’ riep Tom terwijl hij het raam op het oosten wijd openzette. Koele lucht stroomde binnen; ze geurde naar regen. ‘De zon zal zich niet veel laten zien vandaag, me dunkt. Ik heb ver gelopen, springend op de heuveltoppen, sinds grijze dageraad, wind en weer besnuffelend, nat gras ondervoets, natte hemel boven. Ik wekte Goudbezie, zingend onder ’t venster; maar niets wekt hobbits ’s morgens vroeg. ’s Nachts worden kleine lieden in het donker wakker, en slapen na de komst van ’t licht. Klingelinge ding! Ontwaak, vrolijke vriendjes! Vergeet de nachtelijke geluiden! Ringe-dillo-del, m’n hartjes! Als je vlug komt, zul je ontbijt op tafel vinden. Als je laat bent, krijg je gras en regenwater!’

Onnodig te zeggen – niet dat Toms dreiging bijzonder ernstig klonk – dat de hobbits gauw kwamen en pas laat van tafel opstonden toen die er nogal leeg begon uit te zien. Tom noch Goudbezie was aanwezig. Ze konden Tom in huis horen rondscharrelen, kletterend in de keuken, de trap op en neer gaand en hier en daar buitenshuis zingend. De kamer keek op het westen uit over de door mist omnevelde vallei, en het raam stond open. Voor ze klaar waren met hun ontbijt hadden de wolken zich tot een ononderbroken dak samengetrokken, en een rechte grijze regen viel zacht, maar gestadig neer. Achter dit dichte watergordijn was het Woud helemaal versluierd.