Выбрать главу

Ze haastten zich de laatste helling op en stonden buiten adem naast haar. Ze maakten een buiging, maar met een armgebaar beduidde zij hun om rond te kijken, en zij keken van de top van de heuvel uit over het landschap in het ochtendlicht. Het was nu zo helder en ver zichtbaar als het verhuld en mistig was geweest toen ze op het heuveltje in het Woud stonden, dat ze nu lichtgroen uit de donkere bomen in het westen konden zien oprijzen. In die richting steeg het land met beboste richels, groen en geel, roodbruin onder de zon, en daarachter lag het dal van de Brandewijn verscholen. Naar het zuiden, aan de overkant van de Wilgewinde, was een verre schittering als van matglas, waar de Brandewijnrivier een grote lus door de laaglanden beschreef en wegstroomde uit de kennis van de hobbits. Naar het noorden, achter de laatste heuvels, strekte het land zich in vlakke en golvende stukken groen en grijs en lichte grondkleuren, tot het zich in een onduidelijke schimmige verte oploste. In het oosten verhieven zich de Grafheuvels, rij na rij in de ochtend, en verdwenen uit het zicht en werden een vermoeden: het was niet meer dan een vermoeden van blauw en een verre witte schittering, die overging in de zoom van de hemel, maar het sprak tot hen, uit de herinnering en oude verhalen van de hoge, verre bergen.

Ze ademden de lucht diep in, en voelden dat een sprong en een paar stevige stappen hen zouden brengen waar ze maar wilden. Wat leek het bangelijk om langs de verfomfaaide randen van de heuvels naar de Weg te gaan, terwijl ze even vrolijk als Tom over de stenen van de heuvels recht op de Bergen af behoorden te springen.

Goudbezie sprak tegen hen en vestigde hun blikken en gedachten op zich. ‘Haast jullie nu, beste gasten!’ zei ze. ‘En laat je niet van je doel afleiden! Naar het noorden met de wind in het linkeroog, en een zegening voor je voetstappen! Haast je zolang de zon schijnt!’ En tegen Frodo zei ze: ‘Vaarwel, elfenvriend, het was een blijde ontmoeting!’

Maar Frodo vond geen woorden om te antwoorden. Hij maakte een diepe buiging en besteeg zijn pony, en gevolgd door zijn vrienden reed hij langzaam de zachte glooiing achter de heuvel af. Tom Bombadils huis en het dal en het Woud waren aan het zicht onttrokken. De lucht werd warmer tussen de groene wanden van de heuvels, en de lucht die ze inademden, had de sterke zoete geur van gras. Zich omkerend toen zij de bodem van de groene kom bereikten, zagen ze Goudbezie, nu klein en slank, als een zonovergoten bloem tegen de hemel; ze stond hen nog steeds na te kijken, en haar handen waren naar hen uitgestrekt. Terwijl ze keken, stootte ze een heldere roep uit, en na haar hand te hebben opgeheven, draaide ze zich om en verdween achter de heuvel.

Hun pad slingerde zich langs de bodem van de kom, en om de groene voet van een steile heuvel naar een tweede diepere en bredere vallei, en toen over de rug van andere heuvels, en hun lange hellingen af, en weer hun gladde hellingen op, omhoog naar nieuwe heuveltoppen en omlaag naar andere dalen. Er was geen boom of water te zien; het was een landschap van kort, ruw gras, stil op het gefluister van de lucht over de randen van het land en hoge eenzame kreten van vreemde vogels na. Telkens wanneer zij een heuvelrug beklommen, scheen de bries te zijn afgenomen. Toen ze heel even een blik van het land in het westen opvingen, scheen het verre Woud te roken, alsof de regen die was gevallen weer van blad, wortel en aarde verdampte. Er lag nu een schaduw in de verte, een donkere nevel, waarboven de hoge hemel zich als een blauwe koepel welfde, warm en drukkend.

Tegen de middag kwamen ze bij een hoge heuvel met een brede vlakke top, als een ondiepe schotel met een groene opstaande rand. Daarbinnen was geen zuchtje wind en de hemel scheen dicht bij hun hoofden te zijn. Zij reden eroverheen en keken naar het noorden. Toen voelden ze zich opgewekt, want het was duidelijk dat ze al verder waren gevorderd dan ze hadden verwacht. Weliswaar waren de afstanden nu alle nevelig en misleidend geworden, maar er was geen twijfel aan dat ze het einde van de Heuvels naderden. Beneden hen lag een lange vallei die zich naar het noorden slingerde, tot ze aan een opening tussen twee steile heuvelruggen kwam. Daarachter schenen geen heuvels meer te zijn. In het noorden ontwaarden ze vaag een donkere lijn. ‘Dat is een rij bomen,’ zei Merijn, ‘en die moet de Weg aanduiden. Langs de hele Weg, vele mijlen ten oosten van de Brug, groeien bomen. Sommigen zeggen dat die in de dagen van weleer zijn geplant.’

‘Prachtig,’ zei Frodo. ‘Als we vanmiddag net zo goed opschieten als vanmorgen, zullen we de Heuvels voor zonsondergang hebben verlaten en verdergaan om een plaats te vinden om onze tenten op te slaan.’ Maar terwijl hij dit zei, keek hij naar het oosten en zag dat de heuvels aan die kant hoger waren en op hen neerkeken; en op al die heuvels stonden groene terpen en op sommige ervan stonden stenen, die naar boven wezen als gebroken tanden in groen tandvlees. Die aanblik was op de een of andere manier verontrustend; daarom wendden zij zich ervan af en daalden af naar de holle cirkel. In het midden ervan stond een eenzame steen, hoog onder de zon daarboven, die op dit uur geen enkele schaduw wierp. Hij was vormloos maar toch veelzeggend, als een oriëntatiepunt, of een vermanende vinger, of meer nog als een waarschuwing. Maar ze hadden nu honger gekregen en de zon stond nog steeds op de ongevreesde middaghoogte, dus gingen ze met hun rug tegen de oostzijde van de steen aan zitten. Hij was koel, alsof de zon niet de kracht had om hem te warmen, maar op dat ogenblik scheen dat prettig. Ze aten en dronken en richtten het beste noenmaal in de openlucht aan dat je je maar kon wensen, want het eten kwam van ‘onder aan de Heuvel’. Tom had hun voldoende mondvoorraad voor de hele dag meegegeven. Hun pony’s liepen onbepakt te grazen.

De rit over de heuvels, hun verzadigde buiken, de warme zon en de geur van gras, een wat te lange rustpoos, hun uitgestrekte benen en het staren naar de hemel boven hun neus – dat alles is waarschijnlijk een afdoende verklaring voor wat er gebeurde. Hoe het ook zij: ze ontwaakten plotseling en niet op hun gemak uit een slaap waaraan ze zich nooit hadden willen overgeven. De rechtopstaande steen was koud, en wierp een lange lichte schaduw, die zich oostwaarts over hen uitstrekte. De zon, bleek en waterig geel, scheen door de mist vlak boven de westelijke wand van de kom waarin ze lagen; ten noorden, zuiden en oosten achter de muur was de mist dicht, koud en wit. De lucht was stil, dicht en kil. Hun pony’s stonden tegen elkaar aan, met hangende hoofden.

De hobbits sprongen verschrikt op en renden naar de westelijke rand. Zij merkten dat ze zich op een eiland in de mist bevonden. En terwijl ze ontzet naar de ondergaande zon keken, zonk deze voor hun ogen in een witte zee, en een kille schaduw kwam in het oosten daarachter opzetten. De mist zweefde naar de wanden toe en terwijl hij steeg, welfde hij zich boven hen tot hij een dak vormde. Zij waren ingesloten in een zaal van mist, waarvan de middelste pilaar de rechtopstaande steen was.

Ze hadden het gevoel alsof een val zich om hen sloot, maar ze verloren de moed niet helemaal. Ze herinnerden zich nog het hoopvolle uitzicht dat ze op het contour van de Weg voor zich hadden gehad, en ze wisten nog in welke richting die lag. In ieder geval hadden ze nu zo’n grote afkeer van de kom rondom de steen, dat ze er niet over dachten om er nog langer te blijven. Ze pakten alles zo vlug in als hun verstijfde vingers hun toestonden.

Weldra leidden zij hun pony’s achter elkaar over de rand en omlaag langs de lange noordelijke helling van de heuvel, de mistige zee in. Onder het afdalen werd de mist kouder en vochtiger en hun haar hing sluik en druipend over hun voorhoofd. Toen ze beneden kwamen, was het zo koud, dat ze halt hielden en hun mantels en kappen tevoorschijn haalden, die weldra met grijze droppels bezaaid waren. Toen bestegen ze hun pony’s weer en gingen langzaam verder, pogend de weg te vinden aan de hand van de stijging en daling van het terrein. Voorzover ze wisten, waren ze op weg naar de op een poort lijkende opening aan de noordzijde van de lange vallei die ze ’s morgens hadden gezien. Als ze eenmaal door de kloof heen waren, hoefden ze alleen maar in rechte lijn verder te gaan om ten slotte op de Weg uit te komen. Dat was hun enige gedachte, behalve misschien dat ze de vage hoop koesterden dat er ergens achter de Heuvels geen mist zou zijn.